Herziene Statenvertaling (HSV)
17

Profetie over Damascus en Efraïm

171De last over Damascus.

Zie, Damascus houdt op een stad te zijn,

het zal een puinhoop worden, een ruïne.

2De steden van Aroër zullen verlaten worden,

ze zullen voor de kudden zijn.

Die zullen daar neerliggen, en niemand zal ze schrik aanjagen.

3Dan zal de vesting uit Efraïm weggedaan worden,

en het koninkrijk uit Damascus,

en ook het overblijfsel van de Syriërs zal verdwijnen.

Het zal hun vergaan als de luister van de Israëlieten,

spreekt de HEERE van de legermachten.

4Op die dag zal het gebeuren

dat de luister van Jakob zal wegteren,

en het vet van zijn vlees zal wegslinken.

5Het zal hem vergaan zoals wanneer een maaier het staande koren bij elkaar pakt,

en met zijn arm de aren oogst.

Ja, het zal hem vergaan zoals wanneer iemand aren verzamelt

in het dal Refaïm.

6Maar een nalezing zal daarvan overblijven, zoals bij het afschudden van een olijfboom:

twee, drie vruchten aan het eind van de bovenste tak,

vier, vijf aan de vruchtdragende takken,

spreekt de HEERE, de God van Israël.

7Op die dag zal de mens de blik richten op Hem Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen zien op de Heilige van Israël.

8Dan zal hij de blik niet richten op de altaren, het werk van zijn handen. En naar wat zijn vingers gemaakt hebben, zal hij niet kijken: de gewijde palen en de wierookaltaren.

9Op die dag zullen zijn sterke steden zijn

als een verlaten plek in het woud of als een bovenste tak,

die zij achterlieten voor de Israëlieten;

het zal een woestenij zijn.

10Want u bent de God van uw heil vergeten,

aan uw sterke Rots hebt u niet gedacht.

Daarom poot u wel lieflijke planten

en zet uitheemse stekjes –

11op de dag dat u ze plant, doet u ze opschieten;

in de ochtend doet u uw zaaisel in bloei staan –

maar de oogst zal slechts een hoopje zijn, op de dag van ziekte

en niet te bestrijden leed.

De stormvloed van de volken

12Wee, het rumoer van vele volken,

ze razen als het razen van de zee;

en wee, het gedruis van natiën,

zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.

13Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren,

Hij bestraft het,

en ze vluchten, ver weg;

het wordt opgejaagd vóór de wind uit

17:13
Job 21:18
Ps. 1:4
35:5
83:14
Hos. 13:3
als kaf op de bergen,

vóór de wervelwind uit als werveldistels.

14Tegen de tijd van de avond, zie, verschrikking!

Voor de ochtend aanbreekt, is hij er niet meer.

Dit is het deel van hen die ons beroven,

het lot van hen die ons uitplunderen.

18

Profetie over Cusj

181Wee het land van vleugelgegons,

dat aan de overkant van de rivieren van Cusj is,

2dat gezanten zendt over de zee,

en in boten van biezen over het water.

Ga, snelle boden,

naar een volk, getrokken en geplukt,18:2 getrokken en geplukt - Ook mogelijk is de vertaling: rijzig en glanzend; zie ook vers 7.

een volk, gevreesd van toen af en daarna,

een volk van regel op regel en van vertrapping,

bij wie rivieren zijn land beroven.

3Alle inwoners van de wereld

en bewoners van de aarde,

wanneer men de banier omhoogheft op de bergen, zult u het zien;

en wanneer men op de bazuin blaast, zult u het horen!

4Ja, zo heeft de HEERE tegen mij gezegd:

Ik zal rustig toezien vanuit Mijn woonplaats,

als de zinderende hitte bij zonlicht,

als een nevel van dauw in de hitte van de oogsttijd.

5Ja, vóór de oogst, als de bloei voorbij is

en de bloesem een rijpende druif wordt,

zal Hij de ranken met snoeimessen afsnijden

en de takken wegnemen en afkappen.

6Ze zullen tezamen overgelaten worden aan de roofvogels van de bergen

en aan de dieren op de aarde.

De roofvogels zullen er de zomer doorbrengen,

en alle dieren op de aarde de winter.

7In die tijd zullen aan de HEERE van de legermachten geschenken worden gebracht door een volk, getrokken en geplukt, een volk, gevreesd van toen af en daarna, een volk van regel op regel en van vertrapping – rivieren beroven zijn land – naar de plaats van de Naam van de HEERE van de legermachten, de berg Sion.

19

Profetie over Egypte

191De last over Egypte.

Zie, de HEERE rijdt op een snelle wolk

en komt in Egypte.

De afgoden van Egypte zullen beven voor Zijn aangezicht

en het hart van de Egyptenaren zal smelten in hun binnenste.

2Dan zal Ik Egyptenaren ophitsen tegen Egyptenaren,

zodat zij zullen strijden, eenieder tegen zijn broeder, en eenieder tegen zijn naaste,

stad tegen stad,

koninkrijk tegen koninkrijk.

3De geest van de Egyptenaren zal in hun binnenste verward worden.

Ik zal hun plannen in de war brengen.

Dan zullen zij hun afgoden raadplegen, de dodenbezweerders,

de geesten van doden, en de waarzeggers.

4Ik zal de Egyptenaren overgeven in de hand van harde heren;

een wrede koning zal over hen heersen,

spreekt de Heere, HEERE van de legermachten.

5Het water uit de zee zal opdrogen,

en de rivier zal verzanden en droogvallen.

6De rivierarmen gaan stinken;

het water in de rivieren van Egypte zakt, ze vallen droog.

Het riet en de biezen verwelken.

7De papyrusplanten langs de Nijl, aan de monding van de Nijl,

en alles wat ingezaaid is langs de Nijl,

zullen verdorren, verwaaien; en het zal er niet meer zijn.

8Treuren zullen de vissers, en rouwen

allen die vishaken uitwerpen in de Nijl;

en zij die werpnetten uitzetten over het water, zullen verkommeren.

9De bewerkers van het gekamde vlas zullen beschaamd worden,

evenals de wevers van linnen.

10Hun wevers19:10 Hun wevers - Volgens een van de Dode-Zeerollen; SV: zij met haar fundamenten. zullen verslagen19:10 verslagen - Letterlijk: verbrijzeld worden. zijn,

alle loonarbeiders zielsbedroefd.

11De vorsten van Zoan zijn enkel dwazen;

de wijzen, de raadgevers van de farao – hun raad is dom.

Hoe kunt u dan tegen de farao zeggen:

Ik ben een zoon van wijzen, een zoon van de koningen vanouds?

12Waar zijn zij dan, uw wijzen?

Laten zij u toch vertellen, als zij het al weten,

wat de HEERE van de legermachten besloten heeft over Egypte.

13De vorsten van Zoan gedragen zich als dwazen, de vorsten van Nof zijn bedrogen;

zij die de hoeksteen zijn van hun stammen, doen Egypte dwalen.

14De HEERE heeft in hun midden een geest van verwarring ingeschonken;

zij hebben Egypte doen dwalen, in al zijn doen,

zoals een dronkaard zich om en om wentelt in zijn braaksel.

15En Egypte zal geen werk hebben

dat

19:15
Jes. 9:13
hoofd of staart, palmtak of riet kan voortbrengen.

16Op die dag zullen de Egyptenaren zijn als vrouwen. Zij zullen beven en angstig zijn voor de dreigend heen en weer bewegende hand van de HEERE van de legermachten, die Hij dreigend tegen hen heen en weer beweegt.

17Het land Juda zal voor de Egyptenaren tot een schrikbeeld zijn. Zo dikwijls iemand hen daaraan zal herinneren, zullen zij weer angstig zijn voor het raadsbesluit van de HEERE van de legermachten dat Hij tegen hen genomen heeft.

18Op die dag zullen er vijf steden in het land Egypte zijn die de taal van Kanaän spreken en

19:18
Deut. 10:20
Jer. 12:16
die zweren bij de HEERE van de legermachten. Een ervan zal genoemd worden: Stad van de zon.19:18 Stad van de zon - Volgens een van de Dode Zeerollen; SV: een stad der verstoring.

19Op die dag zal de HEERE een altaar hebben midden in het land Egypte, en aan zijn grens zal er een gedenkteken voor de HEERE staan.

20Dit zal zijn tot een teken en getuigenis voor de HEERE van de legermachten, in het land Egypte. Wanneer zij tot de HEERE zullen roepen vanwege hun onderdrukkers, zal Hij tot hen een Heiland en Meester zenden; Die zal hen redden.

21Dan zal de HEERE aan de Egyptenaren bekend worden en de Egyptenaren zullen de HEERE kennen op die dag.

19:21
Mal. 1:11
Zij zullen Hem dienen met slachtoffer en graanoffer, en de HEERE gelofte doen en die nakomen.

22Zo zal de HEERE de Egyptenaren geducht treffen en genezen. Zij zullen zich tot de HEERE bekeren en Hij zal Zich door hen laten verbidden en Hij zal hen genezen.

23Op die dag zal er een gebaande weg zijn van Egypte naar Assyrië. De Assyriërs zullen in Egypte komen en de Egyptenaren in Assyrië. De Egyptenaren zullen samen met de Assyriërs de HEERE dienen.

24Op die dag zal Israël de derde zijn naast Egypte en Assyrië, een zegen in het midden van de aarde.

25Want de HEERE van de legermachten zal hen zegenen met de woorden: Gezegend zij Mijn volk Egypte, het werk van Mijn handen Assyrië, en Mijn eigendom Israël!