Herziene Statenvertaling (HSV)
15

Profetie over Moab

151

15:1
Jer. 48:1
Ezech. 25:9
Amos 2:1
De last over Moab.

Voorzeker, in de nacht is het verwoest,

Ar-Moab is uitgeroeid!

Voorzeker, in de nacht is het verwoest,

Kir-Moab is uitgeroeid!

2Men gaat op naar Baïth en Dibon,

naar de hoogten om te wenen.

Over Nebo en over Medeba

zal Moab weeklagen.

15:2
Jer. 48:37
Ezech. 7:18
Alle hoofden zijn kaalgeschoren,15:2 Alle hoofden zijn kaalgeschoren - Letterlijk: Op alle hoofden is kaalheid.

elke baard is afgesneden.

3Op zijn straten zijn zij met een rouwgewaad omgord.

Op hun daken

en op hun pleinen is het een en al geweeklaag,

ze dalen in tranen af.

4Zowel Hesbon als Eleale schreeuwt het uit,

hun stem wordt gehoord tot in Jahaz toe.

Daarom slaan de gewapende mannen van Moab alarm,

zijn ziel siddert in hem.

5– Mijn hart schreeuwt het uit om Moab –

Zijn vluchtelingen zijn al bij Zoar, Eglath Selisia.15:5 Eglath Selisia - Of: Driejarige Koe.

Ja, de weg omhoog naar Luhith

gaan zij op met geween.

Ja, op de weg naar Horonaïm

heffen zij een noodgeschrei aan.

6Voorzeker, de wateren van Nimrim

worden een woestenij,

want het gras is verdord, de grasscheutjes zijn vergaan,

groen is er niet meer.

7Daarom zullen zij de overvloed van wat zij hebben vergaard en gespaard,

over de Wilgenbeek brengen.

8Voorzeker, het geschreeuw doorkruist

het gebied van Moab,

zijn gejammer tot Eglaïm toe,

zijn gejammer tot Beër-Elim toe.

9Voorzeker, de wateren van Dimon zijn vol bloed.

Ja, Ik zal over Dimon nog meer teweegbrengen:

een leeuw over de ontkomenen van Moab,

en over het overblijfsel van het land.

16

Moab in ellende

161Stuur lammeren

voor de heerser van het land,

van Sela door de woestijn

naar de berg van de dochter van Sion.

2Anders zal het gebeuren dat de dochters van Moab

bij de doorwaadbare plaatsen van de Arnon zijn,

net als vluchtende vogels,

een opgejaagd nest.

3Schaf raad,

neem een beslissing.

Maak op het middaguur

uw schaduw als de nacht,

verberg de verdrevenen,

verraad geen vluchteling.

4Laat onder u

Mijn verdrevenen verblijven, Moab;

wees voor hen een schuilplaats

tegen de verwoester.

Als de onderdrukker omgekomen is,

als het gedaan is met de verwoesting,

als de vertrappers weggevaagd zijn van de aarde,

5dan zal er een troon gevestigd worden in goedertierenheid.

Daarop zal blijvend Iemand zitten

16:5
Jes. 9:6
Dan. 7:14,27
Micha 4:7
Luk. 1:33
in de tent van David,

Die oordeelt en recht zoekt,

Die snel16:5 snel - Letterlijk: vaardig. gerechtigheid brengt.

6Wij

16:6
Jer. 48:29,30
hebben gehoord van de trots van Moab,

dat zeer hoogmoedig is,

van zijn hoogmoed, zijn trots en zijn overmoed;

zijn holle praat is niet gepast!

7Daarom zal Moab over Moab

16:7
Jer. 48:20
weeklagen,

allen zullen zij weeklagen.

Aan de rozijnenkoeken van Kir-Hareseth

zult u zuchtend terugdenken, volkomen verslagen.

8Want de velden van Hesbon zijn verkommerd,

de wijnstok van Sibma.

De heersers van de heidenvolken

hebben zijn edele druivenplanten platgeslagen.

Zij reikten tot Jaëzer,

zij verdwaalden in de woestijn.

16:8
Jer. 48:32,33
Zijn ranken verspreidden zich

en hingen tot over de zee.

9Daarom zal ik bij het wenen over Jaëzer

de wijnstok van Sibma bewenen.

Ik maak u doornat met mijn tranen,

Hesbon en Eleale,

want over uw zomervruchten en over uw oogst

is de vreugderoep weggevallen.

10Zo zijn blijdschap en vreugde weggenomen van het vruchtbare veld,

en in de wijngaarden wordt niet meer gezongen, geen juichkreet meer geslaakt.

De druiventreder perst geen wijn meer in de perskuipen.

Ik heb de vreugderoep doen ophouden.

11Daarom klagen mijn ingewanden om Moab als een harp,

en mijn binnenste om Kir-Heres.

12En gebeurt het dat Moab verschijnt

en zich op de hoogte vermoeit

en naar zijn heiligdom komt om te bidden,

dan zal het

16:12
Deut. 32:37,38,39
niets bereiken.

13Dit is het woord dat de HEERE destijds over Moab gesproken heeft.

14Maar nu spreekt de HEERE: Binnen drie jaar, gerekend naar de jaren van een dagloner, zal de luister van Moab geminacht worden, samen met de grote mensenmenigte. Het overblijfsel zal klein en gering zijn, en niet veel betekenen.

17

Profetie over Damascus en Efraïm

171De last over Damascus.

Zie, Damascus houdt op een stad te zijn,

het zal een puinhoop worden, een ruïne.

2De steden van Aroër zullen verlaten worden,

ze zullen voor de kudden zijn.

Die zullen daar neerliggen, en niemand zal ze schrik aanjagen.

3Dan zal de vesting uit Efraïm weggedaan worden,

en het koninkrijk uit Damascus,

en ook het overblijfsel van de Syriërs zal verdwijnen.

Het zal hun vergaan als de luister van de Israëlieten,

spreekt de HEERE van de legermachten.

4Op die dag zal het gebeuren

dat de luister van Jakob zal wegteren,

en het vet van zijn vlees zal wegslinken.

5Het zal hem vergaan zoals wanneer een maaier het staande koren bij elkaar pakt,

en met zijn arm de aren oogst.

Ja, het zal hem vergaan zoals wanneer iemand aren verzamelt

in het dal Refaïm.

6Maar een nalezing zal daarvan overblijven, zoals bij het afschudden van een olijfboom:

twee, drie vruchten aan het eind van de bovenste tak,

vier, vijf aan de vruchtdragende takken,

spreekt de HEERE, de God van Israël.

7Op die dag zal de mens de blik richten op Hem Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen zien op de Heilige van Israël.

8Dan zal hij de blik niet richten op de altaren, het werk van zijn handen. En naar wat zijn vingers gemaakt hebben, zal hij niet kijken: de gewijde palen en de wierookaltaren.

9Op die dag zullen zijn sterke steden zijn

als een verlaten plek in het woud of als een bovenste tak,

die zij achterlieten voor de Israëlieten;

het zal een woestenij zijn.

10Want u bent de God van uw heil vergeten,

aan uw sterke Rots hebt u niet gedacht.

Daarom poot u wel lieflijke planten

en zet uitheemse stekjes –

11op de dag dat u ze plant, doet u ze opschieten;

in de ochtend doet u uw zaaisel in bloei staan –

maar de oogst zal slechts een hoopje zijn, op de dag van ziekte

en niet te bestrijden leed.

De stormvloed van de volken

12Wee, het rumoer van vele volken,

ze razen als het razen van de zee;

en wee, het gedruis van natiën,

zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.

13Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren,

Hij bestraft het,

en ze vluchten, ver weg;

het wordt opgejaagd vóór de wind uit

17:13
Job 21:18
Ps. 1:4
35:5
83:14
Hos. 13:3
als kaf op de bergen,

vóór de wervelwind uit als werveldistels.

14Tegen de tijd van de avond, zie, verschrikking!

Voor de ochtend aanbreekt, is hij er niet meer.

Dit is het deel van hen die ons beroven,

het lot van hen die ons uitplunderen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]