Herziene Statenvertaling (HSV)
14

De verlossing uit Babel

141Want de HEERE zal Zich over Jakob ontfermen en Hij zal Israël nog verkiezen. Hij zal hen neerzetten op hun eigen grond. De vreemdeling zal zich bij hen aansluiten en zich bij het huis van Jakob voegen.

2De volken zullen hen nemen en naar hun woonplaats brengen. Het huis van Israël zal hen in erfelijk bezit nemen als slaven en slavinnen in het land van de HEERE. Zo zullen zij gevangenhouden wie hen gevangenhielden en heersen over hun onderdrukkers.

3En het zal geschieden op de dag waarop de HEERE u rust zal geven van uw smart, uw onrust en

14:3
Deut. 28:48
de harde slavenarbeid die men u heeft doen verrichten,

4dat u dit spotlied zult aanheffen op de koning van Babel, en u zult zeggen:

Hoe houdt de onderdrukker op;

opgehouden is de onderdrukking!14:4 de onderdrukking - Volgens een van de Dode-Zeerollen en de Septuaginta; SV: de goudene.

5De HEERE heeft de stok van de goddelozen gebroken,

de staf van de heersers,

6die volken sloeg in verbolgenheid

met slagen zonder ophouden,

die in toorn over de heidenvolken heerste

met een vervolging zonder inhouding.

7Nu komt heel de aarde tot rust en stilte.

Men breekt uit in gejuich.

8Zelfs de cipressen verblijden zich over u.

De ceders van de Libanon zeggen:

Sinds u daar geveld ligt, klimt niemand omhoog

om ons om te hakken.

9Het rijk van de dood beneden raakte om u in beroering,

om u tegemoet te gaan, wanneer u zou komen.

Het schudt ter wille van u de gestorvenen wakker,

al de leiders14:9 de leiders - Letterlijk: de bokken; vergelijk Jer. 50:8. van de aarde.

Het laat van hun tronen opstaan

al de koningen van de volken.

10Zij zullen allemaal het woord nemen

en zeggen tegen u:

Ook u bent nu zo zwak geworden als wij,

u bent aan ons gelijk geworden!

11Uw trots ligt neergeworpen in het graf,

met de klank van uw luiten.

Onder u is een bed van maden gespreid,

en wormen zijn uw deken.

12Hoe bent u uit de hemel gevallen,

morgenster, zoon van de dageraad!

U ligt geveld op de aarde,

overwinnaar over de heidenvolken!

13En ú zei in uw hart:

Ik zal opstijgen naar de hemel;

tot boven Gods sterren

zal ik mijn troon verheffen,

ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting

aan

14:13
Ps. 48:3
de noordzijde.

14Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten,

ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste.

15Echter, u bent in het rijk van de dood neergestort,

in het diepst van de kuil!

16Wie u zien, kijken u aan

en letten op u:

Is dit nu die man die de aarde deed sidderen,

die koninkrijken deed beven,

17die van de wereld een woestijn maakte,

haar steden met de grond gelijkmaakte,

zijn gevangenen niet losliet om naar huis te gaan?

18Alle koningen van de heidenvolken,

allen rusten zij in ere,

ieder in zijn huis.

19Maar ú bent weggeworpen, ver van uw graf,

als een verafschuwde loot

bedolven onder gedoden, die met het zwaard zijn doorstoken

en neergedaald in een steengroeve;

u bent als een lijk dat is vertrapt.

20U zult in het graf niet met hen verenigd worden,

want u hebt uw land te gronde gericht

en uw volk gedood.

Voor eeuwig zal niet meer genoemd worden

het

14:20
Job 18:19
Ps. 21:11
37:28
109:13
nageslacht van de kwaaddoeners.

21Maak de slachtbank voor zijn kinderen gereed

14:21
Ex. 20:5
Matt. 23:25
vanwege de ongerechtigheid van hun vaders,

zodat zij niet meer opstaan, de aarde in bezit nemen

en het wereldoppervlak vullen met steden.

22Zo zal Ik tegen hen opstaan,

spreekt de HEERE van de legermachten.

Ik zal van Babel naam en overblijfsel uitroeien,

14:22
Job 18:19
Ps. 21:11
37:28
zoon en kleinzoon, spreekt de HEERE.

23Ik zal het maken

14:23
Jes. 34:11
Zef. 2:14
tot een bezit voor nachtuilen

en tot waterpoelen;

Ik zal het wegvagen met de veger van het verderf,

spreekt de HEERE van de legermachten.

Profetie over Assyrië

24De HEERE van de legermachten heeft gezworen: Voorwaar,

zoals Ik het Mij voorgenomen heb, zo zal het gebeuren,

en zoals Ik het besloten heb, zal het tot stand komen.

25Ik zal Assyrië verbreken in Mijn land,

en op Mijn bergen zal Ik het vertrappen.

Dan zal zijn juk van hen afglijden,

en zijn last zal van hun schouder afglijden.

26Dit is het raadsbesluit dat genomen is over heel het land.

En dit is de hand die uitgestrekt is tegen alle volken.

27Want de HEERE van de legermachten heeft het besloten,

14:27
2 Kron. 20:6
Job 9:12
Spr. 21:30
wie zou het dan verijdelen?

En

14:27
Dan. 4:35
Zijn hand is uitgestrekt, wie zou die dan afwenden?

Profetie over de Filistijnen

28

14:28
2 Kon. 16:20
In het jaar dat koning Achaz stierf, kwam deze last.

29Verblijd u niet, heel Filistea,

want de staf die u sloeg, is wel gebroken,

maar uit de wortel van de slang zal een gifslang voortkomen,

en haar vrucht zal een vurige, vliegende draak zijn.

30Dan weiden de eerstgeborenen van de geringen,

en de armen zullen onbezorgd neerliggen;

maar uw wortel zal Ik van honger laten sterven

en uw overblijfsel zal die gifslang doden.

31Weeklaag, poort! Schreeuw het uit, stad!

Wegsmelten van angst moet u, heel Filistea!

Want uit het noorden komt een rookwolk;

en in zijn gelederen blijft niemand achter.

32Wat zal men dan de gezanten van het volk antwoorden?

Dit: De HEERE heeft Sion gegrondvest;

en in haar vinden de ellendigen van Zijn volk een toevlucht.

15

Profetie over Moab

151

15:1
Jer. 48:1
Ezech. 25:9
Amos 2:1
De last over Moab.

Voorzeker, in de nacht is het verwoest,

Ar-Moab is uitgeroeid!

Voorzeker, in de nacht is het verwoest,

Kir-Moab is uitgeroeid!

2Men gaat op naar Baïth en Dibon,

naar de hoogten om te wenen.

Over Nebo en over Medeba

zal Moab weeklagen.

15:2
Jer. 48:37
Ezech. 7:18
Alle hoofden zijn kaalgeschoren,15:2 Alle hoofden zijn kaalgeschoren - Letterlijk: Op alle hoofden is kaalheid.

elke baard is afgesneden.

3Op zijn straten zijn zij met een rouwgewaad omgord.

Op hun daken

en op hun pleinen is het een en al geweeklaag,

ze dalen in tranen af.

4Zowel Hesbon als Eleale schreeuwt het uit,

hun stem wordt gehoord tot in Jahaz toe.

Daarom slaan de gewapende mannen van Moab alarm,

zijn ziel siddert in hem.

5– Mijn hart schreeuwt het uit om Moab –

Zijn vluchtelingen zijn al bij Zoar, Eglath Selisia.15:5 Eglath Selisia - Of: Driejarige Koe.

Ja, de weg omhoog naar Luhith

gaan zij op met geween.

Ja, op de weg naar Horonaïm

heffen zij een noodgeschrei aan.

6Voorzeker, de wateren van Nimrim

worden een woestenij,

want het gras is verdord, de grasscheutjes zijn vergaan,

groen is er niet meer.

7Daarom zullen zij de overvloed van wat zij hebben vergaard en gespaard,

over de Wilgenbeek brengen.

8Voorzeker, het geschreeuw doorkruist

het gebied van Moab,

zijn gejammer tot Eglaïm toe,

zijn gejammer tot Beër-Elim toe.

9Voorzeker, de wateren van Dimon zijn vol bloed.

Ja, Ik zal over Dimon nog meer teweegbrengen:

een leeuw over de ontkomenen van Moab,

en over het overblijfsel van het land.

16

Moab in ellende

161Stuur lammeren

voor de heerser van het land,

van Sela door de woestijn

naar de berg van de dochter van Sion.

2Anders zal het gebeuren dat de dochters van Moab

bij de doorwaadbare plaatsen van de Arnon zijn,

net als vluchtende vogels,

een opgejaagd nest.

3Schaf raad,

neem een beslissing.

Maak op het middaguur

uw schaduw als de nacht,

verberg de verdrevenen,

verraad geen vluchteling.

4Laat onder u

Mijn verdrevenen verblijven, Moab;

wees voor hen een schuilplaats

tegen de verwoester.

Als de onderdrukker omgekomen is,

als het gedaan is met de verwoesting,

als de vertrappers weggevaagd zijn van de aarde,

5dan zal er een troon gevestigd worden in goedertierenheid.

Daarop zal blijvend Iemand zitten

16:5
Jes. 9:6
Dan. 7:14,27
Micha 4:7
Luk. 1:33
in de tent van David,

Die oordeelt en recht zoekt,

Die snel16:5 snel - Letterlijk: vaardig. gerechtigheid brengt.

6Wij

16:6
Jer. 48:29,30
hebben gehoord van de trots van Moab,

dat zeer hoogmoedig is,

van zijn hoogmoed, zijn trots en zijn overmoed;

zijn holle praat is niet gepast!

7Daarom zal Moab over Moab

16:7
Jer. 48:20
weeklagen,

allen zullen zij weeklagen.

Aan de rozijnenkoeken van Kir-Hareseth

zult u zuchtend terugdenken, volkomen verslagen.

8Want de velden van Hesbon zijn verkommerd,

de wijnstok van Sibma.

De heersers van de heidenvolken

hebben zijn edele druivenplanten platgeslagen.

Zij reikten tot Jaëzer,

zij verdwaalden in de woestijn.

16:8
Jer. 48:32,33
Zijn ranken verspreidden zich

en hingen tot over de zee.

9Daarom zal ik bij het wenen over Jaëzer

de wijnstok van Sibma bewenen.

Ik maak u doornat met mijn tranen,

Hesbon en Eleale,

want over uw zomervruchten en over uw oogst

is de vreugderoep weggevallen.

10Zo zijn blijdschap en vreugde weggenomen van het vruchtbare veld,

en in de wijngaarden wordt niet meer gezongen, geen juichkreet meer geslaakt.

De druiventreder perst geen wijn meer in de perskuipen.

Ik heb de vreugderoep doen ophouden.

11Daarom klagen mijn ingewanden om Moab als een harp,

en mijn binnenste om Kir-Heres.

12En gebeurt het dat Moab verschijnt

en zich op de hoogte vermoeit

en naar zijn heiligdom komt om te bidden,

dan zal het

16:12
Deut. 32:37,38,39
niets bereiken.

13Dit is het woord dat de HEERE destijds over Moab gesproken heeft.

14Maar nu spreekt de HEERE: Binnen drie jaar, gerekend naar de jaren van een dagloner, zal de luister van Moab geminacht worden, samen met de grote mensenmenigte. Het overblijfsel zal klein en gering zijn, en niet veel betekenen.