Herziene Statenvertaling (HSV)
12

Danklied van de verlosten

121Op die dag zult u zeggen:

Ik dank U, HEERE, dat U toornig op mij geweest bent,

maar Uw toorn is afgekeerd en U troost mij.

2Zie, God is mijn heil,

ik zal vertrouwen en geen angst hebben,

want mijn kracht en psalm is de HEERE HEERE,

en Hij is mij tot heil geworden.

3U zult met vreugde

12:3
Joh. 7:37,38
water scheppen

uit de bronnen van het heil.

4Op die dag zult u zeggen:

Dank de HEERE, roep Zijn Naam aan,

maak Zijn daden bekend onder de volken,

12:4
Joh. 17:1,4,6,26
roep in herinnering dat Zijn Naam hoogverheven is.

5Zing psalmen voor de HEERE, want Hij heeft zeer grote dingen gedaan.

Laat dit bekend worden over heel de aarde!

6Juich en zing vrolijk, inwoonster van Sion,

want groot in uw midden is de Heilige van Israël.

13

De ondergang van Babel

131De last13:1 De last - Dat wil zeggen: een woord van God dat de profeet als een last is opgelegd. over Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.

2Hef op een kale berg een banier omhoog,

verhef uw stem tegen hen,

wenk met de hand, zodat zij binnentrekken

door de poorten van de edelen.

3Ík heb opdracht gegeven

aan Mijn geheiligden;

ook heb Ik Mijn helden opgeroepen om Mijn toorn uit te voeren

– zij die uitgelaten zijn over Mijn majesteit.

4Hoor, rumoer op de bergen,

als van veel volk.

Hoor, gedruis van koninkrijken,

van verzamelde heidenvolken;

de HEERE van de legermachten monstert

de krijgsmacht.

5Zij komen eraan, uit een ver land,

van het einde van de hemel:

de HEERE en de instrumenten van Zijn gramschap,

om heel het land te gronde te richten.

6Weeklaag, want de dag van de HEERE is nabij;

als een verwoesting van de Almachtige komt hij.

7Daarom zullen alle handen slap worden

en elk hart van stervelingen zal wegsmelten.

8En zij zullen verschrikt worden,

smarten en weeën zullen hen aangrijpen,

zij zullen ineenkrimpen als een barende vrouw.

Verbijsterd zullen zij elkaar aanstaren,

hun gezichten zullen vlammen.13:8 hun gezichten zullen vlammen - Letterlijk: hun gezichten vlammende gezichten.

9Zie, de dag van de HEERE komt, meedogenloos,

met verbolgenheid en brandende toorn,

om van het land een woestenij te maken

en zijn zondaars eruit weg te vagen.

10Ja, de sterren aan de hemel en hun sterrenbeelden

zullen hun licht niet laten schijnen,

13:10
Ezech. 32:7
Joël 2:31
3:15
Matt. 24:29
Mark. 13:24
Luk. 21:25
de zon zal verduisterd worden wanneer zij opkomt,

en de maan zal haar licht niet laten schijnen.

11Ik zal de wereld haar slechtheid vergelden,

en de goddelozen hun ongerechtigheid.

Ik zal de trots van de hoogmoedigen doen ophouden,

en de hooghartigheid van de geweldplegers zal Ik vernederen.

12Ik zal stervelingen schaarser maken dan zuiver goud

en mensen zeldzamer dan het fijne goud van Ofir.

13Daarom zal Ik de hemel doen sidderen,

en de aarde zal lostrillen van haar plaats

om de verbolgenheid van de HEERE van de legermachten,

en om de dag van Zijn brandende toorn.

14Iedereen zal zijn als een opgejaagde gazelle,

als schapen die niemand bijeenbrengt.

Iedereen zal zich wenden naar zijn eigen volk,

en iedereen zal vluchten naar zijn eigen land.

15Ieder die aangetroffen wordt, zal worden neergestoken,

en ieder die gegrepen wordt, zal vallen door het zwaard.

16Hun kleine kinderen zullen verpletterd worden

voor hun ogen,

hun huizen geplunderd

en hun vrouwen verkracht.

17Zie, Ik zal de Meden tegen hen opzetten,

die zilver niet achten

en op goud niet belust zijn.

18Maar hun bogen zullen jongens verpletteren,

zij zullen geen medelijden hebben met de vrucht van de buik,

hun oog zal geen kind ontzien.

19Babel, het sieraad van de koninkrijken,

de luister en de trots van de Chaldeeën,

zal zijn

13:19
Gen. 19:25
Jes. 1:9
Jer. 49:18
50:40
als toen God ondersteboven keerde

Sodom en Gomorra.

20Niemand zal er verblijven, nooit meer,

en niemand, van generatie op generatie, zal er wonen.

Geen Arabier zal daar zijn tent opzetten,

en geen herder zal daar neerstrijken.

21Maar wilde woestijndieren zullen daar neerliggen.

Hun huizen zullen vol zitten met huilende uilen;

struisvogels zullen er wonen

en bokachtigen zullen er rondspringen.

22Hyena's zullen janken in zijn verlaten burchten,

en jakhalzen in zijn paleizen van verlustiging.

Zijn tijd om te komen is nabij,

en zijn dagen zullen niet worden uitgesteld.

14

De verlossing uit Babel

141Want de HEERE zal Zich over Jakob ontfermen en Hij zal Israël nog verkiezen. Hij zal hen neerzetten op hun eigen grond. De vreemdeling zal zich bij hen aansluiten en zich bij het huis van Jakob voegen.

2De volken zullen hen nemen en naar hun woonplaats brengen. Het huis van Israël zal hen in erfelijk bezit nemen als slaven en slavinnen in het land van de HEERE. Zo zullen zij gevangenhouden wie hen gevangenhielden en heersen over hun onderdrukkers.

3En het zal geschieden op de dag waarop de HEERE u rust zal geven van uw smart, uw onrust en

14:3
Deut. 28:48
de harde slavenarbeid die men u heeft doen verrichten,

4dat u dit spotlied zult aanheffen op de koning van Babel, en u zult zeggen:

Hoe houdt de onderdrukker op;

opgehouden is de onderdrukking!14:4 de onderdrukking - Volgens een van de Dode-Zeerollen en de Septuaginta; SV: de goudene.

5De HEERE heeft de stok van de goddelozen gebroken,

de staf van de heersers,

6die volken sloeg in verbolgenheid

met slagen zonder ophouden,

die in toorn over de heidenvolken heerste

met een vervolging zonder inhouding.

7Nu komt heel de aarde tot rust en stilte.

Men breekt uit in gejuich.

8Zelfs de cipressen verblijden zich over u.

De ceders van de Libanon zeggen:

Sinds u daar geveld ligt, klimt niemand omhoog

om ons om te hakken.

9Het rijk van de dood beneden raakte om u in beroering,

om u tegemoet te gaan, wanneer u zou komen.

Het schudt ter wille van u de gestorvenen wakker,

al de leiders14:9 de leiders - Letterlijk: de bokken; vergelijk Jer. 50:8. van de aarde.

Het laat van hun tronen opstaan

al de koningen van de volken.

10Zij zullen allemaal het woord nemen

en zeggen tegen u:

Ook u bent nu zo zwak geworden als wij,

u bent aan ons gelijk geworden!

11Uw trots ligt neergeworpen in het graf,

met de klank van uw luiten.

Onder u is een bed van maden gespreid,

en wormen zijn uw deken.

12Hoe bent u uit de hemel gevallen,

morgenster, zoon van de dageraad!

U ligt geveld op de aarde,

overwinnaar over de heidenvolken!

13En ú zei in uw hart:

Ik zal opstijgen naar de hemel;

tot boven Gods sterren

zal ik mijn troon verheffen,

ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting

aan

14:13
Ps. 48:3
de noordzijde.

14Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten,

ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste.

15Echter, u bent in het rijk van de dood neergestort,

in het diepst van de kuil!

16Wie u zien, kijken u aan

en letten op u:

Is dit nu die man die de aarde deed sidderen,

die koninkrijken deed beven,

17die van de wereld een woestijn maakte,

haar steden met de grond gelijkmaakte,

zijn gevangenen niet losliet om naar huis te gaan?

18Alle koningen van de heidenvolken,

allen rusten zij in ere,

ieder in zijn huis.

19Maar ú bent weggeworpen, ver van uw graf,

als een verafschuwde loot

bedolven onder gedoden, die met het zwaard zijn doorstoken

en neergedaald in een steengroeve;

u bent als een lijk dat is vertrapt.

20U zult in het graf niet met hen verenigd worden,

want u hebt uw land te gronde gericht

en uw volk gedood.

Voor eeuwig zal niet meer genoemd worden

het

14:20
Job 18:19
Ps. 21:11
37:28
109:13
nageslacht van de kwaaddoeners.

21Maak de slachtbank voor zijn kinderen gereed

14:21
Ex. 20:5
Matt. 23:25
vanwege de ongerechtigheid van hun vaders,

zodat zij niet meer opstaan, de aarde in bezit nemen

en het wereldoppervlak vullen met steden.

22Zo zal Ik tegen hen opstaan,

spreekt de HEERE van de legermachten.

Ik zal van Babel naam en overblijfsel uitroeien,

14:22
Job 18:19
Ps. 21:11
37:28
zoon en kleinzoon, spreekt de HEERE.

23Ik zal het maken

14:23
Jes. 34:11
Zef. 2:14
tot een bezit voor nachtuilen

en tot waterpoelen;

Ik zal het wegvagen met de veger van het verderf,

spreekt de HEERE van de legermachten.

Profetie over Assyrië

24De HEERE van de legermachten heeft gezworen: Voorwaar,

zoals Ik het Mij voorgenomen heb, zo zal het gebeuren,

en zoals Ik het besloten heb, zal het tot stand komen.

25Ik zal Assyrië verbreken in Mijn land,

en op Mijn bergen zal Ik het vertrappen.

Dan zal zijn juk van hen afglijden,

en zijn last zal van hun schouder afglijden.

26Dit is het raadsbesluit dat genomen is over heel het land.

En dit is de hand die uitgestrekt is tegen alle volken.

27Want de HEERE van de legermachten heeft het besloten,

14:27
2 Kron. 20:6
Job 9:12
Spr. 21:30
wie zou het dan verijdelen?

En

14:27
Dan. 4:35
Zijn hand is uitgestrekt, wie zou die dan afwenden?

Profetie over de Filistijnen

28

14:28
2 Kon. 16:20
In het jaar dat koning Achaz stierf, kwam deze last.

29Verblijd u niet, heel Filistea,

want de staf die u sloeg, is wel gebroken,

maar uit de wortel van de slang zal een gifslang voortkomen,

en haar vrucht zal een vurige, vliegende draak zijn.

30Dan weiden de eerstgeborenen van de geringen,

en de armen zullen onbezorgd neerliggen;

maar uw wortel zal Ik van honger laten sterven

en uw overblijfsel zal die gifslang doden.

31Weeklaag, poort! Schreeuw het uit, stad!

Wegsmelten van angst moet u, heel Filistea!

Want uit het noorden komt een rookwolk;

en in zijn gelederen blijft niemand achter.

32Wat zal men dan de gezanten van het volk antwoorden?

Dit: De HEERE heeft Sion gegrondvest;

en in haar vinden de ellendigen van Zijn volk een toevlucht.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]