Herziene Statenvertaling (HSV)
11

De Messias en Zijn vrederijk

111Want

11:1
Jes. 4:2
Hand. 13:22,23
er zal een Twijgje opgroeien uit de afgehouwen stronk van Isaï,

en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.

2Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:

de Geest van wijsheid en inzicht,

11:2
Jes. 9:5
de Geest van raad en sterkte,

de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.

3Zijn ruiken zal zijn in de vreze des HEEREN.

Hij zal niet oordelen naar wat Zijn ogen zien

en Hij zal niet vonnissen naar wat Zijn oren horen.

4Hij zal de armen recht doen in gerechtigheid

en de zachtmoedigen van het land zal Hij met rechtvaardigheid vonnissen.

Maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond

en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.

5Want gerechtigheid zal de gordel om Zijn heupen zijn,

en de waarheid de gordel om Zijn middel.

6

11:6
Jes. 65:25
Hos. 2:17
Een wolf zal bij een lam verblijven,

een luipaard bij een geitenbok neerliggen,

een kalf, een jonge leeuw en gemest vee zullen bij elkaar zijn,

een kleine jongen zal ze drijven.

7Koe en berin zullen samen weiden,

hun jongen zullen bij elkaar neerliggen.

Een leeuw zal stro eten als het rund.

8Een zuigeling zal zich vermaken bij het hol van een adder,

en in het nest van een gifslang

zal een peuter zijn hand steken.

9Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten

op heel Mijn heilige berg,

want de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE,

zoals het water de bodem van de zee bedekt.

10Want op die dag zal de

11:10
Rom. 15:12
Wortel van Isaï er zijn,

Die zal staan als banier voor de volken.

Naar Hém zullen de heidenvolken vragen.

Zijn rustplaats zal heerlijk zijn.

Herstel van Israël

11En het zal op die dag gebeuren

dat de Heere opnieuw, voor de tweede keer, met Zijn hand

het overblijfsel van Zijn volk zal verwerven,

dat overgebleven zal zijn in Assyrië en in Egypte,

in Pathros, Cusj, Elam,

en in Sinear, Hamath en op de eilanden in de zee.

12Hij zal een banier omhoogheffen onder de heidenvolken

en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen

en hen die vanuit Juda overal verspreid zijn, bijeenbrengen

van de vier hoeken van de aarde.

13Dan zal de afgunst van Efraïm verdwijnen,

en wie Juda in het nauw drijven, zullen uitgeroeid worden.

Efraïm zal niet langer jaloers zijn op Juda,

en Juda zal Efraïm niet meer in het nauw drijven.

14Zij zullen op de schouder van de Filistijnen neerstrijken in het westen,

samen zullen zij de mensen van het oosten uitplunderen.

Zij zullen hun hand uitstrekken tegen Edom en Moab,

en de Ammonieten zullen hun gehoorzaam zijn.

15Dan zal de HEERE de inham van de zee van Egypte met de ban slaan,

en Hij zal Zijn hand opheffen tegen de rivier de Eufraat door Zijn sterke wind.

Hij zal haar uiteenslaan in zeven stromen,

en maken dat men er met zijn schoenen doorheen kan gaan.

16Er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel van Zijn volk,

die overgebleven zal zijn in Assyrië,

zoals het met Israël gebeurde

op de dag dat het wegtrok

11:16
Ex. 14:29
uit het land Egypte.

12

Danklied van de verlosten

121Op die dag zult u zeggen:

Ik dank U, HEERE, dat U toornig op mij geweest bent,

maar Uw toorn is afgekeerd en U troost mij.

2Zie, God is mijn heil,

ik zal vertrouwen en geen angst hebben,

want mijn kracht en psalm is de HEEREHEERE,

en Hij is mij tot heil geworden.

3U zult met vreugde

12:3
Joh. 7:37,38
water scheppen

uit de bronnen van het heil.

4Op die dag zult u zeggen:

Dank de HEERE, roep Zijn Naam aan,

maak Zijn daden bekend onder de volken,

12:4
Joh. 17:1,4,6,26
roep in herinnering dat Zijn Naam hoogverheven is.

5Zing psalmen voor de HEERE, want Hij heeft zeer grote dingen gedaan.

Laat dit bekend worden over heel de aarde!

6Juich en zing vrolijk, inwoonster van Sion,

want groot in uw midden is de Heilige van Israël.

13

De ondergang van Babel

131De last13:1 De last - Dat wil zeggen: een woord van God dat de profeet als een last is opgelegd. over Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.

2Hef op een kale berg een banier omhoog,

verhef uw stem tegen hen,

wenk met de hand, zodat zij binnentrekken

door de poorten van de edelen.

3Ík heb opdracht gegeven

aan Mijn geheiligden;

ook heb Ik Mijn helden opgeroepen om Mijn toorn uit te voeren

– zij die uitgelaten zijn over Mijn majesteit.

4Hoor, rumoer op de bergen,

als van veel volk.

Hoor, gedruis van koninkrijken,

van verzamelde heidenvolken;

de HEERE van de legermachten monstert

de krijgsmacht.

5Zij komen eraan, uit een ver land,

van het einde van de hemel:

de HEERE en de instrumenten van Zijn gramschap,

om heel het land te gronde te richten.

6Weeklaag, want de dag van de HEERE is nabij;

als een verwoesting van de Almachtige komt hij.

7Daarom zullen alle handen slap worden

en elk hart van stervelingen zal wegsmelten.

8En zij zullen verschrikt worden,

smarten en weeën zullen hen aangrijpen,

zij zullen ineenkrimpen als een barende vrouw.

Verbijsterd zullen zij elkaar aanstaren,

hun gezichten zullen vlammen.13:8 hun gezichten zullen vlammen - Letterlijk: hun gezichten vlammende gezichten.

9Zie, de dag van de HEERE komt, meedogenloos,

met verbolgenheid en brandende toorn,

om van het land een woestenij te maken

en zijn zondaars eruit weg te vagen.

10Ja, de sterren aan de hemel en hun sterrenbeelden

zullen hun licht niet laten schijnen,

13:10
Ezech. 32:7
Joël 2:31
3:15
Matt. 24:29
Mark. 13:24
Luk. 21:25
de zon zal verduisterd worden wanneer zij opkomt,

en de maan zal haar licht niet laten schijnen.

11Ik zal de wereld haar slechtheid vergelden,

en de goddelozen hun ongerechtigheid.

Ik zal de trots van de hoogmoedigen doen ophouden,

en de hooghartigheid van de geweldplegers zal Ik vernederen.

12Ik zal stervelingen schaarser maken dan zuiver goud

en mensen zeldzamer dan het fijne goud van Ofir.

13Daarom zal Ik de hemel doen sidderen,

en de aarde zal lostrillen van haar plaats

om de verbolgenheid van de HEERE van de legermachten,

en om de dag van Zijn brandende toorn.

14Iedereen zal zijn als een opgejaagde gazelle,

als schapen die niemand bijeenbrengt.

Iedereen zal zich wenden naar zijn eigen volk,

en iedereen zal vluchten naar zijn eigen land.

15Ieder die aangetroffen wordt, zal worden neergestoken,

en ieder die gegrepen wordt, zal vallen door het zwaard.

16Hun kleine kinderen zullen verpletterd worden

voor hun ogen,

hun huizen geplunderd

en hun vrouwen verkracht.

17Zie, Ik zal de Meden tegen hen opzetten,

die zilver niet achten

en op goud niet belust zijn.

18Maar hun bogen zullen jongens verpletteren,

zij zullen geen medelijden hebben met de vrucht van de buik,

hun oog zal geen kind ontzien.

19Babel, het sieraad van de koninkrijken,

de luister en de trots van de Chaldeeën,

zal zijn

13:19
Gen. 19:25
Jes. 1:9
Jer. 49:18
50:40
als toen God ondersteboven keerde

Sodom en Gomorra.

20Niemand zal er verblijven, nooit meer,

en niemand, van generatie op generatie, zal er wonen.

Geen Arabier zal daar zijn tent opzetten,

en geen herder zal daar neerstrijken.

21Maar wilde woestijndieren zullen daar neerliggen.

Hun huizen zullen vol zitten met huilende uilen;

struisvogels zullen er wonen

en bokachtigen zullen er rondspringen.

22Hyena's zullen janken in zijn verlaten burchten,

en jakhalzen in zijn paleizen van verlustiging.

Zijn tijd om te komen is nabij,

en zijn dagen zullen niet worden uitgesteld.