Herziene Statenvertaling (HSV)
8

Aankondiging van de inval van de vijand

81De bazuin aan uw mond!

De vijand zweeft als een

8:1
Deut. 28:49
arend boven het huis van de HEERE,

omdat zij Mijn

8:1
Hos. 6:7
verbond hebben overtreden

en tegen Mijn wet in opstand zijn gekomen.

2Zij roepen tot Mij:

Mijn God! Wij, Israël, kennen U!

3Israël heeft het goede verstoten,

de vijand zal hem achtervolgen.

4Zíj hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om;

zij hebben vorsten aangesteld, maar zonder Mij erin te kennen.

Van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelf afgodsbeelden gemaakt,

zodat zij uitgeroeid zullen worden.

5Uw kalf, Samaria, heeft u verstoten!

Mijn toorn is tegen hen ontbrand:

Hoelang nog? Zijn zij dan niet tot zuiverheid in staat?

6Want dat kalf komt uit Israël,

een vakman heeft het gemaakt,

een god is het niet.

Ja, het zal tot splinters worden,

dat kalf van Samaria!

7Want wind zaaien zij,

maar een wervelwind zullen zij oogsten.

Staand koren zonder aren geeft geen meel.

Wanneer ze al aren geven,

zullen vreemden die verslinden.

8Verslonden is Israël!

Zij zijn nu onder de heidenvolken

als een pot waaraan niemand waarde hecht,

9want zíj gingen naar Assyrië:

een wilde ezel houdt zich afgezonderd,

maar Efraïm zoekt hulp bij minnaars.

10Ook al zoeken zij hulp bij heidenvolken,

toch zal Ik hen nu bijeenbrengen.

Zij kunnen weinig beginnen

vanwege de last van de koning van de vorsten.

11Ja, Efraïm heeft de altaren talrijk gemaakt om te zondigen,

het heeft die altaren om te zondigen!

12Al schrijf Ik voor hen Mijn wet in tienduizendvoud,

toch beschouwt men die als iets vreemds.

13Zij brengen Mijn offergaven

en zij eten zelf van het vlees.

De HEERE schept er geen behagen in.

Nu zal Hij aan hun ongerechtigheid denken,

en hun zonden aan hen vergelden:

zij zullen terugkeren naar Egypte.

14Israël vergat zijn Maker, en bouwde paleizen,

Juda heeft de versterkte steden talrijk gemaakt.

Daarom zal Ik vuur werpen in zijn steden;

dat zal zijn paleizen verteren.

9

Gevolgen van Israëls zonde

91Wees niet blij, Israël, tot jubelens toe, zoals de volken,

want u hebt in hoererij uw God verlaten.

U hebt hoerenloon lief

op alle dorsvloeren voor koren.

2Dorsvloer en perskuip zullen hen niet voeden,

de nieuwe wijn zal hun tegenvallen.

3Zij zullen niet blijven in het land van de HEERE:

Efraïm keert terug naar Egypte,

in Assyrië zullen zij eten wat onrein is.

4Zij zullen voor de HEERE geen wijn plengen

en hun offers zullen Hem niet aangenaam zijn.

Ze zijn voor hen als brood voor rouwenden:

ieder die dat eet, wordt onrein.

Want hun brood dient voor henzelf,

het mag niet in het huis van de HEERE komen.

5Wat zult u dan doen op een hoogtijdag

en op een feestdag voor de HEERE?

6Want zie, vanwege de verwoesting gaan zij op weg;

Egypte zal hen bijeenbrengen,

Memphis zal hen begraven.

Begeerte zal er zijn naar hun geld,

netels zullen hen in erfbezit nemen

en distels zullen in hun tenten zijn.

7De dagen van de vergelding zijn gekomen.

De dagen van de afrekening zijn gekomen.

Israël zal het weten.

De profeet is dwaas,

de man met de geest is krankzinnig.

Vanwege de grootheid van uw ongerechtigheid

is ook de vijandschap groot.

8De wachter van Efraïm is met mijn God,

een profeet vindt de strik van de vogelvanger op al zijn wegen,

vijandschap zelfs in het huis van zijn God.

9Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibea.

Hij zal aan hun ongerechtigheid denken,

Hij zal hun zonden aan hen vergelden.

10Ik vond Israël als druiven in de woestijn;

als vroege vijgen aan de vijgenboom, zijn eerste opbrengst,

zag Ik uw vaderen.

Zíj gingen echter

9:10
Num. 25:3
Ps. 106:28
naar Baäl-Peor,

wijdden zich aan die schande.

Zij werden even weerzinwekkend als hun minnaars.

11Wat Efraïm betreft, als een vogel zal zijn luister wegvliegen,

van de geboorte, van de moederschoot en van de bevruchting af.9:11 van de geboorte … af - Of: zonder geboorte, zonder zwangerschap en zonder bevruchting.

12Ook al brengen zij hun kinderen groot,

Ik zal hen van kinderen beroven, geen mens zal er meer zijn!

Ja ook, wee hun, wanneer Ik van hen wijk!

13Efraïm, zoals Ik het gezien had, was als Tyrus,

geplant in een lieflijke woonplaats,

maar Efraïm zal zijn kinderen moeten uitleveren

aan de moordenaar.

14Geef hun, HEERE,

ja, wat moet U hun geven?

Geef hun een

9:14
Luk. 23:29
baarmoeder die zonder vrucht blijft

en borsten die verdrogen.

15Al hun kwaad bleek in

9:15
Hos. 4:15
12:12
Gilgal,

ja, daar heb Ik hen gehaat.

Vanwege hun slechte daden

zal Ik hen uit Mijn huis verdrijven.

Ik zal hen voortaan niet meer liefhebben:

al hun

9:15
Jes. 1:23
vorsten zijn opstandig.

16Efraïm is getroffen:

hun wortel is verdord,

vrucht zullen zij niet voortbrengen.

Zelfs als zij nog nieuw leven verwekten,

zou Ik de lievelingen van hun moederschoot doden.

17Mijn God zal hen verwerpen,

omdat zij naar Hem niet luisteren.

Zij zullen zwervers onder de volken zijn.

10

Hernieuwde aankondiging van straffen

101Israël is een weelderige wijnstok,

hij brengt zijn vrucht voort.

Hoe groter zijn vrucht is,

hoe meer er voor de

10:1
Hos. 8:11
altaren is.

Hoe beter zijn land,

hoe mooier de gewijde stenen.

2Verdeeld is hun hart,

nu staan zij schuldig.

God Zelf zal hun altaren afbreken,

hun gewijde stenen verwoesten.

3Voorzeker, dan zullen zij zeggen:

Wij hebben

10:3
Hos. 3:4
geen koning,

want wij hebben de HEERE niet gevreesd.

Een koning, wat zou die dan voor ons kunnen doen?

4Zij spreken loze woorden,

zweren valse eden, sluiten maar verbonden.

Het recht loopt uit als een gifplant

in de voren van het veld.

5Voor de kalveren van Beth-Aven

zijn de inwoners van Samaria bevreesd.

Ja, zijn volk zal erover treuren en zijn afgodspriesters

die zich erover verheugden – vanwege zijn luister,

want die is van hem weggevoerd.

6Ja, dat kalf zal naar Assyrië gevoerd worden,

een geschenk voor koning Jareb.

Zo zal Efraïm schande op zich laden

en Israël zal beschaamd worden vanwege zijn voornemen.

7Samaria is afgehouwen; zijn koning drijft

als een tak op het water.

8Weggevaagd zullen worden de offerhoogten van Aven,

de zonde van Israël;

dorens en distels zullen opschieten

tot boven hun altaren.

Dan zullen

10:8
Jes. 2:19
Luk. 23:30
Openb. 6:16
9:6
zij tegen de bergen zeggen: Bedek ons!

en tegen de heuvels: Val op ons!

9Sinds de dagen van

10:9
Hos. 9:9
Gibea

hebt u gezondigd, Israël!

Daar zijn zij blijven staan.

De strijd in Gibea zal hen niet treffen,

de strijd tegen onrechtvaardige mannen.

10Het is Mijn verlangen hen te bestraffen:

volken worden tegen hen samengetrokken,

verstrikt als zij zijn in beide ongerechtigheden.

11Omdat Efraïm een getemde jonge koe is,

gewillig om te dorsen,

ben Ik voorbijgegaan

aan de schoonheid van haar hals:

Ik zal Efraïm inspannen,

Juda zal ploegen,

Jakob zal voor zichzelf eggen.

12Zaai voor uzelf in gerechtigheid!

Oogst in goedertierenheid!

10:12
Jer. 4:3
Ploeg voor uzelf ongeploegd land om!

Het is tijd om de HEERE te zoeken,

totdat Hij komt en gerechtigheid over u laat regenen.

13U hebt goddeloosheid geploegd,

onrechtvaardigheid geoogst,

leugenvrucht gegeten;

want u hebt vertrouwd op uw weg,

op uw grote aantal helden.

14Daarom zal er oorlogsgedruis

tegen uw volk ontstaan,

en al uw vestingen zullen verwoest worden,

zoals Salman verwoesting aanrichtte bij Beth-Arbel

op de dag van strijd:

moeders werden met de zonen verpletterd.

15Dat heeft Bethel u dus aangedaan

vanwege uw mateloze slechtheid.

In de dageraad is de koning van Israël voorgoed omgebracht.