Herziene Statenvertaling (HSV)
7

Gods antwoord op Israëls boetedoening

71Zodra Ik Israël genees,

worden de ongerechtigheid van Efraïm

en de slechte daden van Samaria openbaar,

want zij plegen bedrog.

Een dief breekt in,

een roversbende plundert op de straat.

2Maar zij zeggen niet in hun hart

dat Ik al hun kwaad in gedachten houd.

Nu dan, hun daden omringen hen,

ze zijn voor Mijn aangezicht bedreven.

3Met hun slechte daden verblijden zij de koning,

met hun leugens de vorsten.

4Allen plegen zij overspel,

zij zijn als een oven,

opgestookt door een bakker,

die pas ophoudt met stoken

als het deeg dat hij gekneed heeft, gezuurd is.

5Op de dag van onze koning

maken de vorsten hem ziek met de gloed van wijn.

Hij reikt spotters de hand.

6Als zij naderbijkomen, is hun hart in hun arglist als een oven;

heel de nacht sluimert hun woede,

's morgens ontbrandt die als een laaiend vuur.

7Zij zijn allen heet als een oven,

zodat zij hun rechters verteren;

al hun koningen komen ten val.

Niemand van hen roept tot Mij.

8Efraïm, met de volken

7:8
Ps. 106:35
vermengt het zich.

Efraïm is een koek die niet omgekeerd is.

9Vreemden verteren zijn kracht,

maar zelf merkt hij dat niet.

Ook heeft hij grijze haren gekregen,7:9 Ook … gekregen - Letterlijk: Ook is grijsheid op hem gesprenkeld.

maar ook dat merkt hij niet.

10

7:10
Hos. 5:5
Hoewel de trots van Israël tegen hem getuigde,

hebben zij zich niet bekeerd tot de HEERE, hun God.

In dit alles zochten zij Hem niet.

11Efraïm is als een duif, onnozel, zonder verstand;7:11 verstand - Letterlijk: hart.

Egypte roepen zij te hulp, naar Assyrië gaan zij!

12Maar als zij gaan, spreid Ik Mijn net over hen uit.

Als vogels in de lucht haal Ik hen neer.

Ik straf hen zodra er een zwerm van wordt gehoord.

13Wee over hen, want zij zijn van Mij weggevlucht.

Verwoesting over hen, want zij zijn tegen Mij in opstand gekomen.

Ík zou hen wel willen verlossen,

maar zij spreken leugens tegen Mij.

14Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart,

wanneer zij weeklagen op hun slaapplaats.

Om koren en nieuwe wijn verzamelen zij zich,

maar tegen Mij zijn zij weerspannig.

15Ik echter heb hen geoefend,

hun armen sterk gemaakt,

maar zij blijven kwaad tegen Mij bedenken.

16Zij keren niet terug naar de Allerhoogste,

zij zijn

7:16
Ps. 78:57
als een bedrieglijke boog.

Hun vorsten vallen door het zwaard

vanwege de gramschap van hun tong.

Dit is tot hun spot in het land Egypte.

8

Aankondiging van de inval van de vijand

81De bazuin aan uw mond!

De vijand zweeft als een

8:1
Deut. 28:49
arend boven het huis van de HEERE,

omdat zij Mijn

8:1
Hos. 6:7
verbond hebben overtreden

en tegen Mijn wet in opstand zijn gekomen.

2Zij roepen tot Mij:

Mijn God! Wij, Israël, kennen U!

3Israël heeft het goede verstoten,

de vijand zal hem achtervolgen.

4Zíj hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om;

zij hebben vorsten aangesteld, maar zonder Mij erin te kennen.

Van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelf afgodsbeelden gemaakt,

zodat zij uitgeroeid zullen worden.

5Uw kalf, Samaria, heeft u verstoten!

Mijn toorn is tegen hen ontbrand:

Hoelang nog? Zijn zij dan niet tot zuiverheid in staat?

6Want dat kalf komt uit Israël,

een vakman heeft het gemaakt,

een god is het niet.

Ja, het zal tot splinters worden,

dat kalf van Samaria!

7Want wind zaaien zij,

maar een wervelwind zullen zij oogsten.

Staand koren zonder aren geeft geen meel.

Wanneer ze al aren geven,

zullen vreemden die verslinden.

8Verslonden is Israël!

Zij zijn nu onder de heidenvolken

als een pot waaraan niemand waarde hecht,

9want zíj gingen naar Assyrië:

een wilde ezel houdt zich afgezonderd,

maar Efraïm zoekt hulp bij minnaars.

10Ook al zoeken zij hulp bij heidenvolken,

toch zal Ik hen nu bijeenbrengen.

Zij kunnen weinig beginnen

vanwege de last van de koning van de vorsten.

11Ja, Efraïm heeft de altaren talrijk gemaakt om te zondigen,

het heeft die altaren om te zondigen!

12Al schrijf Ik voor hen Mijn wet in tienduizendvoud,

toch beschouwt men die als iets vreemds.

13Zij brengen Mijn offergaven

en zij eten zelf van het vlees.

De HEERE schept er geen behagen in.

Nu zal Hij aan hun ongerechtigheid denken,

en hun zonden aan hen vergelden:

zij zullen terugkeren naar Egypte.

14Israël vergat zijn Maker, en bouwde paleizen,

Juda heeft de versterkte steden talrijk gemaakt.

Daarom zal Ik vuur werpen in zijn steden;

dat zal zijn paleizen verteren.

9

Gevolgen van Israëls zonde

91Wees niet blij, Israël, tot jubelens toe, zoals de volken,

want u hebt in hoererij uw God verlaten.

U hebt hoerenloon lief

op alle dorsvloeren voor koren.

2Dorsvloer en perskuip zullen hen niet voeden,

de nieuwe wijn zal hun tegenvallen.

3Zij zullen niet blijven in het land van de HEERE:

Efraïm keert terug naar Egypte,

in Assyrië zullen zij eten wat onrein is.

4Zij zullen voor de HEERE geen wijn plengen

en hun offers zullen Hem niet aangenaam zijn.

Ze zijn voor hen als brood voor rouwenden:

ieder die dat eet, wordt onrein.

Want hun brood dient voor henzelf,

het mag niet in het huis van de HEERE komen.

5Wat zult u dan doen op een hoogtijdag

en op een feestdag voor de HEERE?

6Want zie, vanwege de verwoesting gaan zij op weg;

Egypte zal hen bijeenbrengen,

Memphis zal hen begraven.

Begeerte zal er zijn naar hun geld,

netels zullen hen in erfbezit nemen

en distels zullen in hun tenten zijn.

7De dagen van de vergelding zijn gekomen.

De dagen van de afrekening zijn gekomen.

Israël zal het weten.

De profeet is dwaas,

de man met de geest is krankzinnig.

Vanwege de grootheid van uw ongerechtigheid

is ook de vijandschap groot.

8De wachter van Efraïm is met mijn God,

een profeet vindt de strik van de vogelvanger op al zijn wegen,

vijandschap zelfs in het huis van zijn God.

9Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibea.

Hij zal aan hun ongerechtigheid denken,

Hij zal hun zonden aan hen vergelden.

10Ik vond Israël als druiven in de woestijn;

als vroege vijgen aan de vijgenboom, zijn eerste opbrengst,

zag Ik uw vaderen.

Zíj gingen echter

9:10
Num. 25:3
Ps. 106:28
naar Baäl-Peor,

wijdden zich aan die schande.

Zij werden even weerzinwekkend als hun minnaars.

11Wat Efraïm betreft, als een vogel zal zijn luister wegvliegen,

van de geboorte, van de moederschoot en van de bevruchting af.9:11 van de geboorte … af - Of: zonder geboorte, zonder zwangerschap en zonder bevruchting.

12Ook al brengen zij hun kinderen groot,

Ik zal hen van kinderen beroven, geen mens zal er meer zijn!

Ja ook, wee hun, wanneer Ik van hen wijk!

13Efraïm, zoals Ik het gezien had, was als Tyrus,

geplant in een lieflijke woonplaats,

maar Efraïm zal zijn kinderen moeten uitleveren

aan de moordenaar.

14Geef hun, HEERE,

ja, wat moet U hun geven?

Geef hun een

9:14
Luk. 23:29
baarmoeder die zonder vrucht blijft

en borsten die verdrogen.

15Al hun kwaad bleek in

9:15
Hos. 4:15
12:12
Gilgal,

ja, daar heb Ik hen gehaat.

Vanwege hun slechte daden

zal Ik hen uit Mijn huis verdrijven.

Ik zal hen voortaan niet meer liefhebben:

al hun

9:15
Jes. 1:23
vorsten zijn opstandig.

16Efraïm is getroffen:

hun wortel is verdord,

vrucht zullen zij niet voortbrengen.

Zelfs als zij nog nieuw leven verwekten,

zou Ik de lievelingen van hun moederschoot doden.

17Mijn God zal hen verwerpen,

omdat zij naar Hem niet luisteren.

Zij zullen zwervers onder de volken zijn.