Herziene Statenvertaling (HSV)
6

Israëls boete

61Kom, laten wij terugkeren naar de HEERE,

want Hij heeft verscheurd, maar Hij zal ons genezen;

Hij heeft geslagen, maar Hij zal ons verbinden.

2Na twee dagen zal Hij ons levend maken,

op de derde dag zal Hij ons doen opstaan

en zullen wij voor Zijn aangezicht leven.

3Dan zullen wij kennen,

wij zullen ernaar jagen de HEERE te kennen!

Zijn verschijning staat vast als de dageraad.

Ja, Hij komt naar ons toe als de regen,

als late regen, die het land natmaakt.

4Wat zal Ik u doen, Efraïm?

Wat zal Ik u doen, Juda?

Uw goedertierenheid is als een morgenwolk,

als dauw die vroeg optrekt en weggaat.

5Daarom heb Ik op hen ingehakt door de profeten,

Ik heb hen gedood met de woorden van Mijn mond;

en de oordelen over u zullen voor de dag komen als het licht.

6Want

6:6
Matt. 9:13
12:7
Ik vind vreugde in goedertierenheid en niet in offer,

in kennis van God meer dan in brandoffers!

7Zíj

6:7
Hos. 8:1
hebben echter als Adam het verbond overtreden.

Daar hebben zij trouweloos gehandeld tegenover Mij.

8Gilead is een oord van bedrijvers van onrecht,

het is vol bloedsporen.

9Zoals roversbenden op iemand wachten,

zo is het gezelschap van priesters.

Zij moorden op de weg naar Sichem.

Werkelijk, zij gedragen zich schandelijk.

10In het huis van Israël

zie Ik afschuwelijke dingen:

daar is de hoererij van Efraïm,

Israël heeft zich verontreinigd.

11Ook voor u, Juda, is een oogst weggelegd,

wanneer Ik een omkeer breng in de gevangenschap van Mijn volk.

7

Gods antwoord op Israëls boetedoening

71Zodra Ik Israël genees,

worden de ongerechtigheid van Efraïm

en de slechte daden van Samaria openbaar,

want zij plegen bedrog.

Een dief breekt in,

een roversbende plundert op de straat.

2Maar zij zeggen niet in hun hart

dat Ik al hun kwaad in gedachten houd.

Nu dan, hun daden omringen hen,

ze zijn voor Mijn aangezicht bedreven.

3Met hun slechte daden verblijden zij de koning,

met hun leugens de vorsten.

4Allen plegen zij overspel,

zij zijn als een oven,

opgestookt door een bakker,

die pas ophoudt met stoken

als het deeg dat hij gekneed heeft, gezuurd is.

5Op de dag van onze koning

maken de vorsten hem ziek met de gloed van wijn.

Hij reikt spotters de hand.

6Als zij naderbijkomen, is hun hart in hun arglist als een oven;

heel de nacht sluimert hun woede,

's morgens ontbrandt die als een laaiend vuur.

7Zij zijn allen heet als een oven,

zodat zij hun rechters verteren;

al hun koningen komen ten val.

Niemand van hen roept tot Mij.

8Efraïm, met de volken

7:8
Ps. 106:35
vermengt het zich.

Efraïm is een koek die niet omgekeerd is.

9Vreemden verteren zijn kracht,

maar zelf merkt hij dat niet.

Ook heeft hij grijze haren gekregen,7:9 Ook … gekregen - Letterlijk: Ook is grijsheid op hem gesprenkeld.

maar ook dat merkt hij niet.

10

7:10
Hos. 5:5
Hoewel de trots van Israël tegen hem getuigde,

hebben zij zich niet bekeerd tot de HEERE, hun God.

In dit alles zochten zij Hem niet.

11Efraïm is als een duif, onnozel, zonder verstand;7:11 verstand - Letterlijk: hart.

Egypte roepen zij te hulp, naar Assyrië gaan zij!

12Maar als zij gaan, spreid Ik Mijn net over hen uit.

Als vogels in de lucht haal Ik hen neer.

Ik straf hen zodra er een zwerm van wordt gehoord.

13Wee over hen, want zij zijn van Mij weggevlucht.

Verwoesting over hen, want zij zijn tegen Mij in opstand gekomen.

Ík zou hen wel willen verlossen,

maar zij spreken leugens tegen Mij.

14Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart,

wanneer zij weeklagen op hun slaapplaats.

Om koren en nieuwe wijn verzamelen zij zich,

maar tegen Mij zijn zij weerspannig.

15Ik echter heb hen geoefend,

hun armen sterk gemaakt,

maar zij blijven kwaad tegen Mij bedenken.

16Zij keren niet terug naar de Allerhoogste,

zij zijn

7:16
Ps. 78:57
als een bedrieglijke boog.

Hun vorsten vallen door het zwaard

vanwege de gramschap van hun tong.

Dit is tot hun spot in het land Egypte.

8

Aankondiging van de inval van de vijand

81De bazuin aan uw mond!

De vijand zweeft als een

8:1
Deut. 28:49
arend boven het huis van de HEERE,

omdat zij Mijn

8:1
Hos. 6:7
verbond hebben overtreden

en tegen Mijn wet in opstand zijn gekomen.

2Zij roepen tot Mij:

Mijn God! Wij, Israël, kennen U!

3Israël heeft het goede verstoten,

de vijand zal hem achtervolgen.

4Zíj hebben koningen aangesteld, maar buiten Mij om;

zij hebben vorsten aangesteld, maar zonder Mij erin te kennen.

Van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelf afgodsbeelden gemaakt,

zodat zij uitgeroeid zullen worden.

5Uw kalf, Samaria, heeft u verstoten!

Mijn toorn is tegen hen ontbrand:

Hoelang nog? Zijn zij dan niet tot zuiverheid in staat?

6Want dat kalf komt uit Israël,

een vakman heeft het gemaakt,

een god is het niet.

Ja, het zal tot splinters worden,

dat kalf van Samaria!

7Want wind zaaien zij,

maar een wervelwind zullen zij oogsten.

Staand koren zonder aren geeft geen meel.

Wanneer ze al aren geven,

zullen vreemden die verslinden.

8Verslonden is Israël!

Zij zijn nu onder de heidenvolken

als een pot waaraan niemand waarde hecht,

9want zíj gingen naar Assyrië:

een wilde ezel houdt zich afgezonderd,

maar Efraïm zoekt hulp bij minnaars.

10Ook al zoeken zij hulp bij heidenvolken,

toch zal Ik hen nu bijeenbrengen.

Zij kunnen weinig beginnen

vanwege de last van de koning van de vorsten.

11Ja, Efraïm heeft de altaren talrijk gemaakt om te zondigen,

het heeft die altaren om te zondigen!

12Al schrijf Ik voor hen Mijn wet in tienduizendvoud,

toch beschouwt men die als iets vreemds.

13Zij brengen Mijn offergaven

en zij eten zelf van het vlees.

De HEERE schept er geen behagen in.

Nu zal Hij aan hun ongerechtigheid denken,

en hun zonden aan hen vergelden:

zij zullen terugkeren naar Egypte.

14Israël vergat zijn Maker, en bouwde paleizen,

Juda heeft de versterkte steden talrijk gemaakt.

Daarom zal Ik vuur werpen in zijn steden;

dat zal zijn paleizen verteren.