Herziene Statenvertaling (HSV)
13

Israëls zonde en straf

131Telkens wanneer Efraïm sprak, was er schrik,

hij verhief zich in Israël;

hij maakte zich echter schuldig aan de Baäl,

en hij stierf.

2En nu zijn zij doorgegaan met zondigen:

zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt

van hun zilver, en afgodsbeelden naar hun inzicht,

allemaal

13:2
Hos. 8:6
werk van vaklieden.

Zij zeggen van hen:

Mensen die offeren,

kussen kalveren.

3Daarom zullen zij worden als een morgenwolk,

ja, als een vroeg opkomende dauw die verdwijnt,

als kaf dat van een dorsvloer wegstuift,

en als rook uit een venster.

4Maar Ik ben de HEERE, uw God,

13:4
Jes. 43:11
Hos. 12:10
sinds het land Egypte.

Een God

13:4
2 Sam. 22:32
Ps. 18:32
behalve Mij mag u daarom niet erkennen,

en buiten Mij is er geen Heiland.

5Ík heb u gekend in de woestijn,

in een land van droogte.

6Net als hun weiden

13:6
Deut. 32:15
raakten zij verzadigd.

Toen zij verzadigd waren, verhief hun hart zich.

Daarom hebben zij Mij

13:6
Hos. 8:14
vergeten.

7Daarom werd Ik voor hen als een felle leeuw,

als een luipaard loerde Ik op de weg.

8Ik trof hen aan als een berin die van jongen beroofd is,

scheurde hun borstkas open,

verslond hen daar als een leeuwin.

De dieren van het veld zullen hen verscheuren.

9Het is uw verderf, Israël,

dat u zich keert tegen Mij, tegen uw hulp!

10Waar blijft uw koning nu?

Hij zou u toch verlossen in al uw steden?

En uw richters, tegen wie u gezegd had:

Geef mij een koning en vorsten?

11In Mijn toorn gaf Ik u een

13:11
1 Sam. 8:5
15:23
16:1
koning,

Ik nam hem weg in Mijn verbolgenheid.

12De ongerechtigheid van Efraïm is gebundeld,

zijn zonde is opgeborgen.

13Barensweeën zullen hem overkomen;

hij is een kind zonder verstand:

als het zijn tijd is, vertoont hij zich niet,

wanneer de schoot zich voor kinderen ontsluit.

14Ik zal hen verlossen uit de macht van het graf.

Ik zal hen vrijkopen uit de dood.

13:14
Jes. 25:8
1 Kor. 15:55
Dood, waar zijn uw pestziekten?

Graf, waar is uw verderf?

Berouw verbergt zich voor Mijn ogen!

15Ook al draagt hijzelf tussen broeders vrucht,

de oostenwind zal komen,

de adem van de HEERE,

die opsteekt uit de woestijn.

Zijn bron zal uitdrogen

en zijn wel droogvallen.

Die zal de schat plunderen

van al zijn kostbare voorwerpen.

14

Bekering van Israël en toekomstige zegeningen

141Samaria zal schuldig staan,

omdat het ongehoorzaam geweest is aan zijn God.

Door het zwaard zullen zij vallen,

hun kleine kinderen zullen

14:1
Hos. 10:14
verpletterd worden

en hun zwangere vrouwen opengereten.

2

14:2
Hos. 12:7
Bekeer u, Israël,

tot de HEERE, uw God,

want u bent gestruikeld door uw ongerechtigheid.

3Neem deze woorden met u mee,

bekeer u tot de HEERE.

Zeg tegen Hem:

Neem alle ongerechtigheid weg, neem het goede aan.

Dan zullen wij de offers14:3 de offers - Letterlijk: de jonge stieren. van onze

14:3
Hebr. 13:15
lippen nakomen.

4Assyrië zal ons niet verlossen,

op paarden zullen wij niet rijden.

Wij zullen nooit meer zeggen: U bent onze god

tegen het werk van onze handen.

Bij U immers vindt een wees ontferming.

5Ik zal hun afkerigheid genezen,

Ik zal hen vrijwillig liefhebben,

want Mijn toorn heeft zich van hem afgewend.

6Ik zal voor Israël zijn als de dauw.

Hij zal in bloei staan als de lelie,

wortel schieten als de Libanon.

7Zijn jonge loten zullen uitlopen,

zodat zijn pracht zal zijn als die van de olijfboom,

en hij zal een geur hebben als de Libanon.

8Zij zullen opnieuw in zijn schaduw zitten,

koren verbouwen14:8 verbouwen - Letterlijk: doen leven. en in bloei staan als de wijnstok;

zijn gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon.

9Efraïm, wat heb Ik nog met de afgoden te maken?

Ík heb hem verhoord en zal naar hem omzien.

Ik zal zijn als een altijd groene cipres.

Door Mij is bij u vrucht te vinden.

10Wie is zo wijs, dat hij deze dingen begrijpt,

en zo verstandig dat hij ze kent?

De wegen van de HEERE zijn immers recht.

De rechtvaardigen zullen daarop wandelen,

maar de overtreders zullen erop struikelen.