Herziene Statenvertaling (HSV)
8

Christus Hogepriester van een beter verbond

81De hoofdzaak nu van de dingen waarover wij spreken, is dit:

8:1
Hebr. 3:1
4:14
6:20
9:11
Zo'n Hogepriester hebben wij,
8:1
Efez. 1:20
Kol. 3:1
Hebr. 12:2
Eén Die Zich heeft gezet aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen.

2Hij is een Dienaar in het heiligdom en in de ware tabernakel, die de Heere heeft opgericht en niet een mens.

3Want elke hogepriester wordt aangesteld om gaven en slachtoffers te offeren.

8:3
Efez. 5:2
Daarom was het noodzakelijk dat ook Deze iets had om te offeren.

4Want als Hij op aarde zou zijn, zou Hij niet eens priester zijn, omdat er hier priesters zijn, die volgens de wet gaven offeren.

5

8:5
Kol. 2:17
Hebr. 10:1
Deze priesters doen dienst in een afbeelding en schaduw van de hemelse dingen, overeenkomstig een aanwijzing van God die Mozes ontving
8:5
Ex. 25:40
Hand. 7:44
bij het voltooien van de tabernakel. Want zie erop toe, zegt Hij, dat u alles maakt overeenkomstig het voorbeeld dat u op de berg getoond is.

6

8:6
2 Kor. 3:6
Nu heeft Hij echter een zoveel voortreffelijker bediening ontvangen, zoals Hij ook van een beter verbond Middelaar is: een verbond dat in betere beloften is vastgelegd.

7Immers, als dat eerste verbond onberispelijk geweest was, zou er voor een tweede geen plaats zijn gezocht.

8Want hen berispend zegt Hij tegen hen:

8:8
Jer. 31:31,32,33,34
Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,

9niet overeenkomstig het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb, op de dag toen Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte uit te leiden. Want zij bleven niet in Mijn verbond en Ik heb geen acht meer op hen geslagen, zegt de Heere.

10Want dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na die dagen, zegt de Heere:

8:10
Jer. 31:33
Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal die in hun hart schrijven.
8:10
Zach. 8:8
Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.

11

8:11
Joh. 6:45,65
1 Joh. 2:27
En zij zullen beslist niet ieder zijn naaste en ieder zijn broeder onderwijzen en zeggen: Ken de Heere. Want zij allen zullen Mij kennen, van klein tot groot onder hen.

12Want Ik zal wat hun ongerechtigheden betreft genadig zijn en aan hun zonden en hun wetteloos gedrag beslist niet meer denken.

13Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat oud is verklaard en wat veroudert, staat op het punt te verdwijnen.

9

De onvolmaaktheid van offers onder het Oude Testament

91Nu had ook het eerste verbond9:1 De woorden ‘testament’ en ‘verbond’ in dit hoofdstuk zijn vertalingen van een en hetzelfde grondwoord. verordeningen voor de eredienst en het aardse heiligdom.

2

9:2
Ex. 26:1
36:1
Er was immers een tabernakel ingericht en in het eerste gedeelte daarvan was de kandelaar en de tafel met
9:2
Lev. 24:5
de toonbroden. Dat werd het heilige genoemd.

3Maar achter het tweede voorhangsel was het gedeelte van de tabernakel dat het heilige der heiligen werd genoemd,

4met een gouden wierookvat en

9:4
Ex. 25:10
de ark van het verbond, die geheel met goud overtrokken was. In deze ark lagen
9:4
Ex. 16:33
de gouden kruik met het manna en
9:4
Num. 17:10
de staf van Aäron, die gebloeid had, en
9:4
Ex. 34:29
1 Kon. 8:9
2 Kron. 5:10
de stenen tafelen van het verbond.

5

9:5
Ex. 25:22
En boven op deze ark waren de cherubs van Gods heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwden. Over deze dingen zullen wij nu niet stuk voor stuk spreken.

6Dit alles was dus zo ingericht.

9:6
Num. 28:3
In het eerste deel van de tabernakel gingen de priesters voortdurend binnen om de diensten te volbrengen.

7

9:7
Vers 25;
In het tweede deel echter ging alleen de hogepriester eenmaal per jaar binnen, niet zonder bloed, dat hij voor zichzelf offerde en voor de afdwalingen van het volk.

8Daarmee maakte de Heilige Geest dit duidelijk

9:8
Joh. 14:6
dat de weg naar het heiligdom nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog in gebruik was.

9Deze was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd. In overeenstemming daarmee werden er gaven en slachtoffers geofferd die niet in staat waren om hem die de dienst verrichtte, wat zijn geweten betreft tot volmaaktheid te brengen.

10Het betrof hier alleen

9:10
Lev. 11:2
voedsel en dranken en
9:10
Num. 19:7
verscheidene wassingen, vleselijke verordeningen, die opgelegd waren tot op de tijd van de betere orde.

De volmaaktheid van het offer van Christus

11Maar toen is Christus verschenen,

9:11
Hebr. 3:1
4:14
6:20
8:1
de Hogepriester van de toekomstige heilsgoederen. Hij is door de meerdere en meer volmaakte tabernakel gegaan, die niet met handen is gemaakt, dat is: die niet van deze schepping is.

12Hij is niet door bloed van bokken en kalveren,

9:12
Hand. 20:28
Efez. 1:7
Kol. 1:14
Hebr. 10:10
1 Petr. 1:19
Openb. 1:5
5:9
maar door Zijn eigen bloed eens en voor altijd binnengegaan in het heiligdom en heeft daardoor een eeuwige verlossing teweeggebracht.

13

9:13
Lev. 16:14
Num. 19:4
Hebr. 10:4
Want als het bloed van stieren en bokken en de as van de jonge koe, op de verontreinigden gesprenkeld, hen heiligt tot reinheid van het vlees,

14hoeveel te meer zal

9:14
1 Joh. 1:7
Openb. 1:5
het bloed van Christus,
9:14
Gal. 1:4
Efez. 5:2
Tit. 2:14
Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken
9:14
Luk. 1:74
Rom. 6:13
Gal. 2:20
1 Petr. 4:2
om de levende God te dienen!

15En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe testament,9:15 testament - Het Griekse woord betekent zowel testament als verbond.

9:15
Rom. 5:6
1 Petr. 3:18
opdat, nu de dood heeft plaatsgevonden tot verzoening van de overtredingen die er onder het eerste verbond waren, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen.

16Immers, waar een testament is, daar is het noodzakelijk dat de dood van de maker van het testament vastgesteld wordt.

17

9:17
Gal. 3:15
Want een testament is bindend na iemands dood. Het wordt immers nooit van kracht zolang de maker van het testament nog leeft.

18Daarom is ook het eerste niet zonder bloed ingewijd.

19Want nadat elk gebod overeenkomstig de wet aan heel het volk door Mozes meegedeeld was, nam hij het bloed van de kalveren en van de bokken met water en scharlakenrode wol en hysop, en besprenkelde het boek zelf en heel het volk,

20terwijl hij zei:

9:20
Ex. 24:8
Matt. 26:28
Dit is het bloed van het verbond dat God u bevolen heeft te houden.

21Ook de tabernakel en ook al de voorwerpen voor de eredienst besprenkelde hij op dezelfde manier met het bloed.

22En bijna alles wordt volgens de wet door bloed gereinigd, en zonder het vergieten van bloed vindt er geen vergeving plaats.

23Het was dus noodzakelijk dat de afbeeldingen van de dingen die in de hemelen zijn, hierdoor gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelf door betere offers dan deze.

24Want Christus is niet binnengegaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is en dat een tegenbeeld is van het ware, maar in de hemel zelf, om nu voor het aangezicht van God te verschijnen voor ons,

25en dat niet om Zichzelf dikwijls te offeren,

9:25
Vers
zoals de hogepriester elk jaar in het heiligdom binnengaat met bloed dat niet van hemzelf is.9:25 bloed dat niet van hemzelf is - Letterlijk: vreemd bloed.

26Want dan had Hij vanaf de grondlegging van de wereld dikwijls moeten lijden. Maar nu is Hij bij de voleinding van de eeuwen eenmaal geopenbaard om de zonde teniet te doen door het offer van Zichzelf.

27En zoals het voor de mensen beschikt is dat zij eenmaal moeten sterven en dat daarna het oordeel volgt,

28

9:28
Rom. 5:6,8
1 Petr. 3:18
zo zal ook Christus, Die eenmaal geofferd is om de zonden van velen weg te dragen, voor de tweede keer zonder zonde gezien worden door hen die Hem verwachten tot zaligheid.

10

101Want

10:1
Kol. 2:17
Hebr. 8:5
de wet, die slechts een schaduw heeft van de toekomstige heilsgoederen en niet het wezen van de dingen zelf, kan nooit met dezelfde offers, die zij jaar in jaar uit ononderbroken brengen, hen die naderen tot volmaaktheid brengen.

2Zou er anders niet een einde gekomen zijn aan het offeren? Want zij die de dienst verrichtten, zouden zich dan in geen enkel opzicht meer bewust zijn van zonden, wanneer zij eens en voor altijd gereinigd waren.

3Maar nu wordt men door deze offers elk jaar opnieuw aan de zonden herinnerd.

4

10:4
Lev. 16:14
Num. 19:4
Hebr. 9:13
Want het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt.

5Daarom zegt Hij bij Zijn komst in de wereld:

10:5
Ps. 40:7
Jes. 1:11
Jer. 6:20
Amos 5:21
Slachtoffer en graanoffer hebt U niet gewild, maar U hebt voor Mij een lichaam gereedgemaakt.

6Brandoffers en offers voor de zonde hebben U niet behaagd.

7Toen zei Ik: Zie, Ik kom – in de boekrol is over Mij geschreven – om Uw wil te doen, o God.

8Daarvoor had Hij gezegd: Slachtoffer en graanoffer en brandoffers en offers voor de zonde hebt U niet gewild en zij hebben U niet behaagd, hoewel zij overeenkomstig de wet worden gebracht.

9Daarna sprak Hij: Zie, Ik kom om Uw wil te doen, o God. Hij neemt het eerste weg om het tweede daarvoor in de plaats te zetten.

10Op grond van die wil zijn wij geheiligd

10:10
Hebr. 9:12
door het offer van het lichaam van Jezus Christus, eens en voor altijd gebracht.

11En iedere priester stond wel dagelijks te dienen en bracht vaak dezelfde slachtoffers, die de zonden toch nooit zouden kunnen wegnemen,

12maar deze Priester is, nadat Hij één slachtoffer voor de zonden geofferd had,

10:12
Ps. 110:1
Hand. 2:34
1 Kor. 15:25
Efez. 1:20
Kol. 3:1
Hebr. 1:13
tot in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God.

13Verder wacht Hij op het tijdstip dat Zijn vijanden tot een voetbank voor Zijn voeten gemaakt worden.

14Want met één offer heeft Hij hen die geheiligd worden, tot in eeuwigheid volmaakt.

15En de Heilige Geest getuigt het ons ook.

16Want na eerst gezegd te hebben:

10:16
Jer. 31:31,32,33,34
Rom. 11:27
Hebr. 8:8
Dit is het verbond, dat Ik met hen na die dagen zal sluiten, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun hart geven en Ik zal die in hun verstand schrijven,

17en aan hun zonden en hun wetteloze daden zal Ik beslist niet meer denken.

18Waar er nu vergeving voor is, is er geen offer voor de zonde meer nodig.

De belijdenis vasthouden

19Omdat wij nu, broeders, vrijmoedigheid hebben

10:19
Joh. 10:9
14:6
Rom. 5:2
Efez. 2:13
3:12
om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,

20langs een nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees,

21en omdat wij een grote Priester hebben over het huis van God,

22laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is

10:22
Ezech. 36:25
met rein water.

23Laten wij de belijdenis van de hoop onwrikbaar vasthouden, want Hij Die het beloofd heeft, is getrouw.

24En laten wij op elkaar letten door elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken.

25Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporen, en dat zoveel te meer als u de grote dag ziet naderen.

26

10:26
Num. 15:30
Matt. 12:31
Hebr. 6:4
2 Petr. 2:20
1 Joh. 5:16
Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor de zonden meer over,

27maar slechts een verschrikkelijke verwachting van oordeel en verzengend vuur, dat de tegenstanders zal verslinden.

28Als iemand de wet van Mozes tenietgedaan heeft, moet hij sterven zonder barmhartigheid,

10:28
Num. 35:30
Deut. 17:6
19:15
Matt. 18:16
Joh. 8:17
2 Kor. 13:1
op het woord van twee of drie getuigen.

29Hoeveel te zwaarder straf, denkt u, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God vertrapt heeft en het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht heeft en de Geest van de genade gesmaad heeft?

30Wij kennen immers Hem Die gezegd heeft:

10:30
Deut. 32:35
Rom. 12:19
Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En verder:
10:30
Deut. 32:36
De Heere zal Zijn volk oordelen.

31Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God.

32Maar herinner u de dagen van weleer, waarin u, nadat u verlicht was, veel strijd in het lijden hebt verdragen.

33Nu eens werd u zelf door smaad en verdrukkingen tot een schouwspel gemaakt, dan weer deelde u het lot van hen die zo behandeld werden.

34Want u hebt ook medelijden gehad met mij, in

10:34
Hand. 21:33
mijn boeien, en de beroving van uw eigendommen met blijdschap aanvaard, in de wetenschap dat u voor uzelf
10:34
Matt. 5:12
een beter en blijvend bezit in de hemelen hebt.

35Werp dan uw vrijmoedigheid niet weg, die een grote beloning met zich meebrengt.

36

10:36
Luk. 21:19
Want u hebt volharding nodig, opdat u, na het volbrengen van de wil van God, de vervulling van de belofte zult verkrijgen.

37

10:37
Hab. 2:3
Haggaï 2:7
1 Petr. 1:6
5:10
Want: Nog een heel korte tijd en Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven.

38

10:38
Hab. 2:4
Rom. 1:17
Gal. 3:11
Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven, en als iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen.

39Wij zijn echter geen mensen die zich onttrekken en daardoor naar het verderf gaan, maar mensen die geloven, tot behoud van hun ziel.