Herziene Statenvertaling (HSV)
7

Christus en Melchizedek

71

7:1
Gen. 14:18
Deze Melchizedek was namelijk koning van Salem, een priester van de allerhoogste God. Hij ging Abraham tegemoet, toen die terugkeerde na het verslaan van de koningen, en zegende hem.

2Aan hem gaf Abraham ook van alles het tiende deel. In de eerste plaats was hij – aldus de vertaling van zijn naam – koning van de gerechtigheid en verder was hij ook koning van Salem, dat is koning van de vrede.

3Zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom kent hij geen begin van dagen en ook geen levenseinde, maar aan de Zoon van God gelijkgemaakt, blijft hij in eeuwigheid priester.

4Merk nu op hoe groot hij geweest is, iemand aan wie de aartsvader Abraham zelfs een tiende deel van de buit gegeven heeft.

5Diegenen uit de zonen van Levi die het priesterschap ontvangen,

7:5
Num. 18:21
Deut. 18:1
Joz. 14:4
2 Kron. 31:5
hebben wel volgens de wet de opdracht om tienden te nemen van het volk, dat is van hun broeders, hoewel die ook uit het lichaam7:5 lichaam - Letterlijk: lendenen; zie ook vers 10. van Abraham voortgekomen zijn.

6Hij echter, die niet van hen afstamt, heeft

7:6
Gen. 14:20
van Abraham tienden genomen, en hij heeft hem gezegend die de beloften gekregen had.

7Nu is het ontegenzeglijk zo dat wat minder is, gezegend wordt door wat meer is.

8En hier nemen sterfelijke mensen tienden, maar daar nam iemand ze van wie getuigd wordt dat hij leeft.

9En – om zo te zeggen – ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven.

10Want hij was nog in het lichaam van zijn vader, toen Melchizedek hem tegemoet ging.

Christus Priester tot in eeuwigheid

11

7:11
Gal. 2:21
Als dan door het Levitische priesterschap de volmaaktheid bereikt had kunnen worden – want onder dit priesterschap had het volk de wet ontvangen – waarom was het dan nog nodig dat er een andere Priester naar de ordening van Melchizedek zou opstaan, Eén van Wie niet gezegd kan worden dat Hij naar de ordening van Aäron was?

12Als het priesterschap verandert, vindt er immers ook noodzakelijkerwijs een verandering van de wet plaats.

13Want Hij van Wie deze dingen gezegd worden, behoort tot een andere stam, waarvan niemand zich ooit tot de altaardienst begeven heeft.

14Het is immers overduidelijk

7:14
Jes. 11:1
Matt. 1:3
dat onze Heere van Juda afstamt, over welke stam Mozes niets gezegd heeft in verband met het priesterschap.

15En dit wordt nog veel duidelijker, als er naar het evenbeeld van Melchizedek een andere Priester opstaat,

16Die dat niet geworden is op grond van een wettelijk voorgeschreven afstamming,7:16 wettelijk voorgeschreven afstamming - Letterlijk: wet van het vleselijk gebod. maar uit kracht van onvergankelijk leven.

17Hij getuigt immers:

7:17
Ps. 110:4
Hebr. 5:6
U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.

18Want de terzijdestelling van het voorgaande gebod vindt plaats vanwege zijn zwakheid en nutteloosheid.

19

7:19
Hand. 13:39
Rom. 3:28
8:3
Gal. 2:16
De wet heeft namelijk niets tot volmaaktheid gebracht,
7:19
Joh. 1:17
Rom. 3:21
maar de totstandbrenging van een betere hoop, waardoor wij tot God naderen, doet dat wel.

20En in zoverre Hij geen Priester is geworden zonder het zweren van een eed – want zij zijn wel zonder het zweren van een eed priester geworden,

21maar Hij is het geworden met het zweren van een eed door God, Die tegen Hem gezegd heeft:

7:21
Ps. 110:4
De Heere heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek –

22in zoverre is Jezus Borg geworden van een zoveel beter verbond.

23En zij zijn wel in groten getale priester geworden, omdat zij door de dood verhinderd werden altijd te blijven,

24maar Hij, omdat Hij blijft tot in eeuwigheid, heeft een Priesterschap dat niet op anderen overgaat.

25Daarom kan Hij ook volkomen zalig maken wie door Hem tot God gaan, omdat Hij altijd leeft

7:25
1 Tim. 2:5
1 Joh. 2:1
om voor hen te pleiten.

26Want zo'n Hogepriester hadden wij nodig: heilig, onschuldig, onbesmet, afgescheiden van de zondaars en boven de hemelen verheven.

27Hij heeft het niet nodig, zoals de hogepriesters, elke dag

7:27
Lev. 9:7
16:6
Hebr. 5:3
eerst voor zijn eigen zonden slachtoffers te brengen en pas daarna voor die van het volk. Want dat heeft Hij eens en voor altijd gedaan, toen Hij Zichzelf offerde.

28Want de wet stelt mensen, die met zwakheid behept zijn, aan als hogepriester. Maar het woord van de eed die na de wet gezworen is, stelt de Zoon aan, Die tot in eeuwigheid volmaakt is.

8

Christus Hogepriester van een beter verbond

81De hoofdzaak nu van de dingen waarover wij spreken, is dit:

8:1
Hebr. 3:1
4:14
6:20
9:11
Zo'n Hogepriester hebben wij,
8:1
Efez. 1:20
Kol. 3:1
Hebr. 12:2
Eén Die Zich heeft gezet aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen.

2Hij is een Dienaar in het heiligdom en in de ware tabernakel, die de Heere heeft opgericht en niet een mens.

3Want elke hogepriester wordt aangesteld om gaven en slachtoffers te offeren.

8:3
Efez. 5:2
Daarom was het noodzakelijk dat ook Deze iets had om te offeren.

4Want als Hij op aarde zou zijn, zou Hij niet eens priester zijn, omdat er hier priesters zijn, die volgens de wet gaven offeren.

5

8:5
Kol. 2:17
Hebr. 10:1
Deze priesters doen dienst in een afbeelding en schaduw van de hemelse dingen, overeenkomstig een aanwijzing van God die Mozes ontving
8:5
Ex. 25:40
Hand. 7:44
bij het voltooien van de tabernakel. Want zie erop toe, zegt Hij, dat u alles maakt overeenkomstig het voorbeeld dat u op de berg getoond is.

6

8:6
2 Kor. 3:6
Nu heeft Hij echter een zoveel voortreffelijker bediening ontvangen, zoals Hij ook van een beter verbond Middelaar is: een verbond dat in betere beloften is vastgelegd.

7Immers, als dat eerste verbond onberispelijk geweest was, zou er voor een tweede geen plaats zijn gezocht.

8Want hen berispend zegt Hij tegen hen:

8:8
Jer. 31:31,32,33,34
Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,

9niet overeenkomstig het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb, op de dag toen Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte uit te leiden. Want zij bleven niet in Mijn verbond en Ik heb geen acht meer op hen geslagen, zegt de Heere.

10Want dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na die dagen, zegt de Heere:

8:10
Jer. 31:33
Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal die in hun hart schrijven.
8:10
Zach. 8:8
Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.

11

8:11
Joh. 6:45,65
1 Joh. 2:27
En zij zullen beslist niet ieder zijn naaste en ieder zijn broeder onderwijzen en zeggen: Ken de Heere. Want zij allen zullen Mij kennen, van klein tot groot onder hen.

12Want Ik zal wat hun ongerechtigheden betreft genadig zijn en aan hun zonden en hun wetteloos gedrag beslist niet meer denken.

13Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat oud is verklaard en wat veroudert, staat op het punt te verdwijnen.

9

De onvolmaaktheid van offers onder het Oude Testament

91Nu had ook het eerste verbond9:1 De woorden ‘testament’ en ‘verbond’ in dit hoofdstuk zijn vertalingen van een en hetzelfde grondwoord. verordeningen voor de eredienst en het aardse heiligdom.

2

9:2
Ex. 26:1
36:1
Er was immers een tabernakel ingericht en in het eerste gedeelte daarvan was de kandelaar en de tafel met
9:2
Lev. 24:5
de toonbroden. Dat werd het heilige genoemd.

3Maar achter het tweede voorhangsel was het gedeelte van de tabernakel dat het heilige der heiligen werd genoemd,

4met een gouden wierookvat en

9:4
Ex. 25:10
de ark van het verbond, die geheel met goud overtrokken was. In deze ark lagen
9:4
Ex. 16:33
de gouden kruik met het manna en
9:4
Num. 17:10
de staf van Aäron, die gebloeid had, en
9:4
Ex. 34:29
1 Kon. 8:9
2 Kron. 5:10
de stenen tafelen van het verbond.

5

9:5
Ex. 25:22
En boven op deze ark waren de cherubs van Gods heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwden. Over deze dingen zullen wij nu niet stuk voor stuk spreken.

6Dit alles was dus zo ingericht.

9:6
Num. 28:3
In het eerste deel van de tabernakel gingen de priesters voortdurend binnen om de diensten te volbrengen.

7

9:7
Vers 25;
In het tweede deel echter ging alleen de hogepriester eenmaal per jaar binnen, niet zonder bloed, dat hij voor zichzelf offerde en voor de afdwalingen van het volk.

8Daarmee maakte de Heilige Geest dit duidelijk

9:8
Joh. 14:6
dat de weg naar het heiligdom nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog in gebruik was.

9Deze was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd. In overeenstemming daarmee werden er gaven en slachtoffers geofferd die niet in staat waren om hem die de dienst verrichtte, wat zijn geweten betreft tot volmaaktheid te brengen.

10Het betrof hier alleen

9:10
Lev. 11:2
voedsel en dranken en
9:10
Num. 19:7
verscheidene wassingen, vleselijke verordeningen, die opgelegd waren tot op de tijd van de betere orde.

De volmaaktheid van het offer van Christus

11Maar toen is Christus verschenen,

9:11
Hebr. 3:1
4:14
6:20
8:1
de Hogepriester van de toekomstige heilsgoederen. Hij is door de meerdere en meer volmaakte tabernakel gegaan, die niet met handen is gemaakt, dat is: die niet van deze schepping is.

12Hij is niet door bloed van bokken en kalveren,

9:12
Hand. 20:28
Efez. 1:7
Kol. 1:14
Hebr. 10:10
1 Petr. 1:19
Openb. 1:5
5:9
maar door Zijn eigen bloed eens en voor altijd binnengegaan in het heiligdom en heeft daardoor een eeuwige verlossing teweeggebracht.

13

9:13
Lev. 16:14
Num. 19:4
Hebr. 10:4
Want als het bloed van stieren en bokken en de as van de jonge koe, op de verontreinigden gesprenkeld, hen heiligt tot reinheid van het vlees,

14hoeveel te meer zal

9:14
1 Joh. 1:7
Openb. 1:5
het bloed van Christus,
9:14
Gal. 1:4
Efez. 5:2
Tit. 2:14
Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken
9:14
Luk. 1:74
Rom. 6:13
Gal. 2:20
1 Petr. 4:2
om de levende God te dienen!

15En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe testament,9:15 testament - Het Griekse woord betekent zowel testament als verbond.

9:15
Rom. 5:6
1 Petr. 3:18
opdat, nu de dood heeft plaatsgevonden tot verzoening van de overtredingen die er onder het eerste verbond waren, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen.

16Immers, waar een testament is, daar is het noodzakelijk dat de dood van de maker van het testament vastgesteld wordt.

17

9:17
Gal. 3:15
Want een testament is bindend na iemands dood. Het wordt immers nooit van kracht zolang de maker van het testament nog leeft.

18Daarom is ook het eerste niet zonder bloed ingewijd.

19Want nadat elk gebod overeenkomstig de wet aan heel het volk door Mozes meegedeeld was, nam hij het bloed van de kalveren en van de bokken met water en scharlakenrode wol en hysop, en besprenkelde het boek zelf en heel het volk,

20terwijl hij zei:

9:20
Ex. 24:8
Matt. 26:28
Dit is het bloed van het verbond dat God u bevolen heeft te houden.

21Ook de tabernakel en ook al de voorwerpen voor de eredienst besprenkelde hij op dezelfde manier met het bloed.

22En bijna alles wordt volgens de wet door bloed gereinigd, en zonder het vergieten van bloed vindt er geen vergeving plaats.

23Het was dus noodzakelijk dat de afbeeldingen van de dingen die in de hemelen zijn, hierdoor gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelf door betere offers dan deze.

24Want Christus is niet binnengegaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is en dat een tegenbeeld is van het ware, maar in de hemel zelf, om nu voor het aangezicht van God te verschijnen voor ons,

25en dat niet om Zichzelf dikwijls te offeren,

9:25
Vers
zoals de hogepriester elk jaar in het heiligdom binnengaat met bloed dat niet van hemzelf is.9:25 bloed dat niet van hemzelf is - Letterlijk: vreemd bloed.

26Want dan had Hij vanaf de grondlegging van de wereld dikwijls moeten lijden. Maar nu is Hij bij de voleinding van de eeuwen eenmaal geopenbaard om de zonde teniet te doen door het offer van Zichzelf.

27En zoals het voor de mensen beschikt is dat zij eenmaal moeten sterven en dat daarna het oordeel volgt,

28

9:28
Rom. 5:6,8
1 Petr. 3:18
zo zal ook Christus, Die eenmaal geofferd is om de zonden van velen weg te dragen, voor de tweede keer zonder zonde gezien worden door hen die Hem verwachten tot zaligheid.