Herziene Statenvertaling (HSV)
5

Christus hoger dan Aäron

51Want elke hogepriester die uit de mensen wordt genomen, is ten dienste van mensen aangesteld met het oog op de dingen die bij God te doen zijn, om gaven en offers te brengen vanwege de zonden.

2Hij kan voluit medelijden hebben met de onwetenden en dwalenden, omdat hij ook zelf met zwakheid omvangen is.

3En daarom moet hij,

5:3
Lev. 9:7
16:6
Hebr. 7:26
evenals voor het volk, ook voor zichzelf offeren vanwege de zonden.

4

5:4
2 Kron. 26:16
En niemand neemt die eer voor zichzelf, maar men wordt er door God toe geroepen,
5:4
Ex. 28:1
1 Kron. 23:13
zoals Aäron.

5Zo heeft ook Christus Zichzelf niet de eer gegeven om Hogepriester te worden, maar Hij Die tot Hem heeft gesproken:

5:5
Ps. 2:7
Hand. 13:33
Hebr. 1:5
U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt.

6Zoals Hij ook op een andere plaats zegt:

5:6
Ps. 110:4
Hebr. 7:17
U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.

7

5:7
Matt. 26:39
27:46,50
Joh. 17:1
In de dagen dat Hij op aarde was,5:7 dat Hij op aarde was - Letterlijk: in de dagen van Zijn vlees. heeft Hij met luid geroep en onder tranen gebeden en smeekbeden geofferd aan Hem Die Hem uit de dood kon verlossen. En Hij is uit de angst verhoord.

8

5:8
Filipp. 2:6
Hoewel Hij de Zoon was, heeft Hij toch gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij heeft geleden.

9En toen Hij volmaakt was geworden, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwige zaligheid geworden.

10Door God is Hij Hogepriester genoemd naar de ordening van Melchizedek.

Geestelijke onvolwassenheid

11Over hem hebben wij veel dingen te zeggen, die moeilijk zijn om uit te leggen, omdat u traag geworden bent in het horen.

12

5:12
1 Kor. 3:1,2,3
Want hoewel u, gelet op de tijd, leraars zou moeten zijn, hebt u weer iemand nodig die u onderwijst in de grondbeginselen van de woorden van God. U bent geworden als mensen die melk nodig hebben en niet vast voedsel.

13Ieder immers die van melk leeft, is onervaren in het woord van de gerechtigheid, want hij is een kind.

14Maar voor de volwassenen5:14 volwassenen - Letterlijk: volmaakten. is er het vaste voedsel, voor hen die hun zintuigen door het gebruik ervan geoefend hebben om te kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad.

6

61Laten wij daarom het eerste onderwijs met betrekking tot Christus laten rusten, en doorgaan tot de volmaaktheid, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God,

2van de leer van de dopen, van de handoplegging, van de opstanding van de doden en van het eeuwig oordeel.

3En dat zullen wij ook doen,

6:3
Hand. 18:21
1 Kor. 4:19
Jak. 4:15
als God het toestaat.

Waarschuwing tegen afvalligheid

4

6:4
Matt. 12:31
Hebr. 10:26
1 Joh. 5:16
Want het is onmogelijk om hen die eens verlicht zijn geweest, die de hemelse gave geproefd hebben en deelgenoot zijn geworden van de Heilige Geest,

5en die het goede Woord van God geproefd hebben en de krachten van de komende wereld,

6en die daarna afvallig worden, weer opnieuw tot bekering te brengen, omdat zij voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigen en openlijk te schande maken.

7Want de aarde die de regen indrinkt, die er dikwijls op valt, en die nuttig gewas voortbrengt voor hen door wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God.

8Maar de aarde die dorens en distels voortbrengt, is verwerpelijk en de vervloeking nabij, waarvan het einde tot verbranding leidt.

Hoop die opbloeit

9Ook al spreken wij zo, geliefden, wat u betreft zijn wij echter overtuigd van betere dingen, die met de zaligheid samenhangen.

10

6:10
Spr. 14:31
Matt. 10:42
25:40
Mark. 9:41
Joh. 13:20
Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten en de liefdevolle inspanning die u Zijn Naam bewezen hebt, doordat u de heiligen gediend hebt en nog dient.

11Maar wij verlangen ernaar dat ieder van u dezelfde inzet toont, tot volle zekerheid van de hoop, tot het einde toe,

12opdat u niet traag wordt, maar navolgers bent van hen die door geloof en geduld de beloften beërven.

De belofte van God aan Abraham

13Want toen God Abraham de belofte deed, zwoer Hij bij Zichzelf, omdat Hij bij niemand die hoger was, kon zweren.

14Hij zei:

6:14
Gen. 12:3
17:4
22:16
Ps. 105:9
Luk. 1:73
Voorzeker, rijk zal Ik u zegenen6:14 rijk zal Ik u zegenen - Letterlijk: zegenende zal Ik u zegenen. en overvloedig zal Ik u in aantal doen toenemen.6:14 overvloedig zal Ik … doen toenemen - Letterlijk: vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen.

15En zo heeft hij de belofte verkregen na daar geduldig op gewacht te hebben.

16Mensen zweren immers bij Iemand die hoger is dan zijzelf, en

6:16
Ex. 22:11
de eed, die hun tot bevestiging dient, is het eind van alle tegenspraak.

17Omdat Hij aan de erfgenamen van de belofte overvloediger de onveranderlijkheid van Zijn raadsbesluit wilde bewijzen, heeft God die bekrachtigd met een eed,

18opdat wij door twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke troost zouden ontvangen, wij die bij Hem de toevlucht genomen hebben om de hoop die voor ons ligt, vast te houden.

19Deze hoop hebben wij als een anker voor de ziel, dat vast en onwrikbaar is en reikt tot in het binnenste heiligdom, achter het voorhangsel.

20Daar is de Voorloper voor ons binnengegaan, namelijk Jezus, Die naar de ordening van Melchizedek

6:20
Hebr. 3:1
4:14
8:1
9:11
Hogepriester geworden is tot in eeuwigheid.

7

Christus en Melchizedek

71

7:1
Gen. 14:18
Deze Melchizedek was namelijk koning van Salem, een priester van de allerhoogste God. Hij ging Abraham tegemoet, toen die terugkeerde na het verslaan van de koningen, en zegende hem.

2Aan hem gaf Abraham ook van alles het tiende deel. In de eerste plaats was hij – aldus de vertaling van zijn naam – koning van de gerechtigheid en verder was hij ook koning van Salem, dat is koning van de vrede.

3Zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom kent hij geen begin van dagen en ook geen levenseinde, maar aan de Zoon van God gelijkgemaakt, blijft hij in eeuwigheid priester.

4Merk nu op hoe groot hij geweest is, iemand aan wie de aartsvader Abraham zelfs een tiende deel van de buit gegeven heeft.

5Diegenen uit de zonen van Levi die het priesterschap ontvangen,

7:5
Num. 18:21
Deut. 18:1
Joz. 14:4
2 Kron. 31:5
hebben wel volgens de wet de opdracht om tienden te nemen van het volk, dat is van hun broeders, hoewel die ook uit het lichaam7:5 lichaam - Letterlijk: lendenen; zie ook vers 10. van Abraham voortgekomen zijn.

6Hij echter, die niet van hen afstamt, heeft

7:6
Gen. 14:20
van Abraham tienden genomen, en hij heeft hem gezegend die de beloften gekregen had.

7Nu is het ontegenzeglijk zo dat wat minder is, gezegend wordt door wat meer is.

8En hier nemen sterfelijke mensen tienden, maar daar nam iemand ze van wie getuigd wordt dat hij leeft.

9En – om zo te zeggen – ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven.

10Want hij was nog in het lichaam van zijn vader, toen Melchizedek hem tegemoet ging.

Christus Priester tot in eeuwigheid

11

7:11
Gal. 2:21
Als dan door het Levitische priesterschap de volmaaktheid bereikt had kunnen worden – want onder dit priesterschap had het volk de wet ontvangen – waarom was het dan nog nodig dat er een andere Priester naar de ordening van Melchizedek zou opstaan, Eén van Wie niet gezegd kan worden dat Hij naar de ordening van Aäron was?

12Als het priesterschap verandert, vindt er immers ook noodzakelijkerwijs een verandering van de wet plaats.

13Want Hij van Wie deze dingen gezegd worden, behoort tot een andere stam, waarvan niemand zich ooit tot de altaardienst begeven heeft.

14Het is immers overduidelijk

7:14
Jes. 11:1
Matt. 1:3
dat onze Heere van Juda afstamt, over welke stam Mozes niets gezegd heeft in verband met het priesterschap.

15En dit wordt nog veel duidelijker, als er naar het evenbeeld van Melchizedek een andere Priester opstaat,

16Die dat niet geworden is op grond van een wettelijk voorgeschreven afstamming,7:16 wettelijk voorgeschreven afstamming - Letterlijk: wet van het vleselijk gebod. maar uit kracht van onvergankelijk leven.

17Hij getuigt immers:

7:17
Ps. 110:4
Hebr. 5:6
U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.

18Want de terzijdestelling van het voorgaande gebod vindt plaats vanwege zijn zwakheid en nutteloosheid.

19

7:19
Hand. 13:39
Rom. 3:28
8:3
Gal. 2:16
De wet heeft namelijk niets tot volmaaktheid gebracht,
7:19
Joh. 1:17
Rom. 3:21
maar de totstandbrenging van een betere hoop, waardoor wij tot God naderen, doet dat wel.

20En in zoverre Hij geen Priester is geworden zonder het zweren van een eed – want zij zijn wel zonder het zweren van een eed priester geworden,

21maar Hij is het geworden met het zweren van een eed door God, Die tegen Hem gezegd heeft:

7:21
Ps. 110:4
De Heere heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek –

22in zoverre is Jezus Borg geworden van een zoveel beter verbond.

23En zij zijn wel in groten getale priester geworden, omdat zij door de dood verhinderd werden altijd te blijven,

24maar Hij, omdat Hij blijft tot in eeuwigheid, heeft een Priesterschap dat niet op anderen overgaat.

25Daarom kan Hij ook volkomen zalig maken wie door Hem tot God gaan, omdat Hij altijd leeft

7:25
1 Tim. 2:5
1 Joh. 2:1
om voor hen te pleiten.

26Want zo'n Hogepriester hadden wij nodig: heilig, onschuldig, onbesmet, afgescheiden van de zondaars en boven de hemelen verheven.

27Hij heeft het niet nodig, zoals de hogepriesters, elke dag

7:27
Lev. 9:7
16:6
Hebr. 5:3
eerst voor zijn eigen zonden slachtoffers te brengen en pas daarna voor die van het volk. Want dat heeft Hij eens en voor altijd gedaan, toen Hij Zichzelf offerde.

28Want de wet stelt mensen, die met zwakheid behept zijn, aan als hogepriester. Maar het woord van de eed die na de wet gezworen is, stelt de Zoon aan, Die tot in eeuwigheid volmaakt is.