Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Acht slaan op de grote zaligheid

21Daarom moeten wij ons te meer houden aan wat door ons gehoord is, opdat wij niet op enig moment afdrijven.

2Want als

2:2
Hand. 7:53
Gal. 3:19
het woord dat door engelen gesproken werd, al bindend was en
2:2
Gen. 19:17,26
Deut. 27:26
elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontving,

3

2:3
Hebr. 12:25
hoe zullen wij dan ontvluchten, als wij zo'n grote zaligheid veronachtzamen,
2:3
Matt. 4:17
Mark. 1:14
die in het begin door de Heere is verkondigd, en die aan ons is bevestigd door hen die Hem gehoord hebben.

4

2:4
Mark. 16:20
Hand. 14:3
19:11
God heeft er bovendien mede getuigenis aan gegeven door tekenen, wonderen en allerlei krachten, en gaven2:4 gaven - Letterlijk: uitdelingen. van de Heilige Geest, overeenkomstig Zijn wil.

Wij zien Jezus

5Want Hij heeft de komende wereld, waarover wij spreken, niet onderworpen aan de engelen,

6maar iemand heeft ergens getuigd:

2:6
Ps. 8:5
Wat is de mens, dat U aan hem denkt, of de mensenzoon, dat U naar hem omziet?

7U hebt hem voor korte tijd minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond. U hebt hem gesteld over de werken van Uw handen;

8

2:8
Ps. 8:7
Matt. 28:18
1 Kor. 15:27
Efez. 1:22
alle dingen hebt U onder zijn voeten onderworpen. Want bij het onderwerpen van alle dingen aan Hem heeft Hij niets uitgezonderd wat Hem niet onderworpen is. Nu zien wij echter nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn,

9maar wij zien Jezus

2:9
Hand. 2:33
met heerlijkheid en eer gekroond,
2:9
Filipp. 2:7,8
Die voor korte tijd minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor allen de dood zou proeven.

10Want het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om veel kinderen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman van hun zaligheid door lijden zou heiligen.

11Immers, zowel Hij Die heiligt als zij die geheiligd worden,

2:11
Hand. 17:26
zijn allen uit één. Daarom schaamt Hij Zich er niet voor hen broeders te noemen,

12want Hij zegt:

2:12
Ps. 22:23
Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen; te midden van de gemeente zal Ik U lofzingen.

13En verder:

2:13
Jes. 8:17
Ik zal Mijn vertrouwen op Hem stellen. En vervolgens:
2:13
Jes. 8:18
Zie, Ik en de kinderen die God Mij gegeven heeft.

14Omdat nu die kinderen van vlees en bloed zijn,

2:14
Joh. 1:14
Filipp. 2:7
heeft Hij eveneens daaraan deel gehad
2:14
Jes. 25:8
Hos. 13:14
1 Kor. 15:54
2 Tim. 1:10
om door de dood hem die de macht over de dood had – dat is de duivel – teniet te doen,

15en allen te verlossen die door angst voor de dood gedurende heel hun leven

2:15
Rom. 8:15
aan slavernij onderworpen waren.

16Want werkelijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het nageslacht van Abraham aan.

17

2:17
Filipp. 2:7
Hebr. 4:15
Daarom moest Hij in alles aan Zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn in de dingen die God betreffen, om de zonden van het volk te verzoenen.

18

2:18
Hebr. 4:15,16
Want waarin Hij Zelf geleden heeft, toen Hij verzocht werd, kan Hij hen die verzocht worden, te hulp komen.

3

Christus hoger dan Mozes

31Daarom, heilige broeders, deelgenoten aan de hemelse roeping, let op de Apostel en

3:1
Hebr. 4:14
6:20
8:1
9:11
Hogepriester van onze belijdenis: Christus Jezus.

2Hij is getrouw aan God, Die Hem aangesteld heeft,

3:2
Num. 12:7
zoals ook Mozes trouw was in heel Zijn huis.

3Want Christus is zoveel meer heerlijkheid waard geacht dan Mozes, evenals hij die het huis gebouwd heeft, meer eer ontvangt dan het huis zelf.

4Immers, elk huis wordt door iemand gebouwd,

3:4
2 Kor. 5:17,18
Efez. 2:10
maar Hij Die dit alles gebouwd heeft, is God.

5En Mozes is wel trouw geweest in heel Zijn huis, maar als dienaar,

3:5
Deut. 18:15,18
om te getuigen van wat later gesproken zou worden;

6Christus echter is getrouw over Zijn huis als Zoon.

3:6
1 Kor. 3:16
6:19
2 Kor. 6:16
1 Petr. 2:5
Zijn huis zijn wij,
3:6
Rom. 5:2
als wij tenminste de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe onwrikbaar vasthouden.

Waarschuwingen

7Daarom, zoals de Heilige Geest zegt:

3:7
Ps. 95:7
Hebr. 4:7
Heden, indien u Zijn stem hoort,

8verhard dan uw hart niet,

3:8
Ex. 17:2
zoals bij de verbittering, op de dag van de verzoeking in de woestijn.

9Daar hebben uw vaderen Mij verzocht; zij hebben Mij op de proef gesteld en Mijn werken gezien, veertig jaar lang.

10Daarom ben Ik toornig geworden op dat geslacht en heb gesproken: Altijd dwalen zij met hun hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend.

11

3:11
Num. 14:21
Deut. 1:34
Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij niet binnengaan!

12Zie erop toe, broeders, dat er nooit in iemand van u een verdorven hart zal zijn, vol ongeloof, om daardoor afvallig te worden van de levende God;

13maar vermaan elkaar elke dag, zolang men van een heden kan spreken,3:13 zolang men van een heden kan spreken - Letterlijk: zolang het heden genoemd wordt. opdat niemand van u verhard zal worden door de verleiding van de zonde.

14Want wij hebben deel aan Christus gekregen, als wij tenminste het beginsel van de vaste grond van het geloof tot het einde toe onwrikbaar vasthouden,

15terwijl er wordt gezegd:

3:15
Vers
Heden, als u Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet, zoals in de verbittering.

16Want hoewel sommigen die stem gehoord hadden, hebben zij Hem verbitterd, maar niet allen die onder leiding van Mozes uit Egypte waren getrokken.

17Op wie is Hij dan veertig jaar lang vertoornd geweest? Was het niet op hen die gezondigd hadden,

3:17
Num. 14:36
Ps. 106:26
1 Kor. 10:105
van wie de lichamen zijn gevallen in de woestijn?

18

3:18
Deut. 1:34
En aan wie heeft Hij gezworen dat zij Zijn rust niet zouden binnengaan, dan aan hen die ongehoorzaam geweest waren?

19Zo zien wij dat zij niet konden ingaan vanwege hun ongeloof.

4

De rust die God geeft

41Laten wij er dan beducht voor zijn dat iemand van u ooit schijnt achter te blijven, terwijl de belofte om in Zijn rust binnen te gaan nog van kracht is.4:1 van kracht is - Letterlijk: overgelaten is.

2Want ook aan ons is het Evangelie verkondigd, evenals aan hen. Maar het gepredikte woord bracht hun geen voordeel, omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen die het hoorden.

3Wij die tot geloof gekomen zijn, gaan immers de rust binnen, zoals Hij gezegd heeft:

4:3
Ps. 95:11
Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Mijn rust zullen zij niet binnengaan! En dat terwijl Zijn werken al sinds de grondlegging van de wereld voltooid zijn.

4Want Hij heeft ergens over de zevende dag als volgt gesproken:

4:4
Gen. 2:2
Ex. 20:11
31:17
En God heeft op de zevende dag van al Zijn werken gerust.

5En op deze plaats opnieuw: Zij zullen Mijn rust niet binnengaan!

6Omdat dus het feit blijft dat sommigen deze rust binnengaan, en dat zij aan wie het Evangelie eerst verkondigd was, niet binnengegaan zijn vanwege hun ongehoorzaamheid,

7bepaalt Hij opnieuw een zekere dag, namelijk heden, wanneer Hij zo lange tijd daarna door David zegt (zoals al eerder gezegd is):

4:7
Ps. 95:7
Hebr. 3:7
Heden, als u Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet.

8Want als Jozua hen al in de rust gebracht had, zou God daarna niet gesproken hebben over een andere dag.

9Er blijft dus nog een sabbatsrust over voor het volk van God,

10want wie Zijn rust binnengegaan is, die heeft zelf ook van zijn werken gerust, zoals God van de Zijne.

11Laten wij ons dan beijveren om die rust binnen te gaan, opdat niemand door het volgen van dit voorbeeld van ongehoorzaamheid ten val zal komen.

12Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper

4:12
Pred. 12:11
Jes. 49:2
Efez. 6:17
dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot op de scheiding van ziel en geest, van gewrichten en merg, en het oordeelt de overleggingen en gedachten van het hart.

13

4:13
Ps. 33:13
En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem, maar alles ligt naakt en ontbloot voor de ogen van Hem aan Wie wij rekenschap hebben af te leggen.

Vrijmoedig naderen

14

4:14
Hebr. 3:1
6:20
8:1
9:11
Nu wij dan een grote Hogepriester hebben, Die de hemelen is doorgegaan, namelijk Jezus, de Zoon van God, laten wij aan deze belijdenis vasthouden.

15

4:15
Hebr. 2:18
Want wij hebben geen Hogepriester Die geen medelijden kan hebben met onze zwakheden,
4:15
Filipp. 2:7
maar Een Die in alles op dezelfde wijze als wij is verzocht, maar
4:15
Jes. 53:9
2 Kor. 5:21
1 Petr. 2:22
1 Joh. 3:5
zonder zonde.

16Laten wij dan met vrijmoedigheid naderen

4:16
Rom. 3:25
tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden op het juiste tijdstip.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]