Herziene Statenvertaling (HSV)
10

101Want

10:1
Kol. 2:17
Hebr. 8:5
de wet, die slechts een schaduw heeft van de toekomstige heilsgoederen en niet het wezen van de dingen zelf, kan nooit met dezelfde offers, die zij jaar in jaar uit ononderbroken brengen, hen die naderen tot volmaaktheid brengen.

2Zou er anders niet een einde gekomen zijn aan het offeren? Want zij die de dienst verrichtten, zouden zich dan in geen enkel opzicht meer bewust zijn van zonden, wanneer zij eens en voor altijd gereinigd waren.

3Maar nu wordt men door deze offers elk jaar opnieuw aan de zonden herinnerd.

4

10:4
Lev. 16:14
Num. 19:4
Hebr. 9:13
Want het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt.

5Daarom zegt Hij bij Zijn komst in de wereld:

10:5
Ps. 40:7
Jes. 1:11
Jer. 6:20
Amos 5:21
Slachtoffer en graanoffer hebt U niet gewild, maar U hebt voor Mij een lichaam gereedgemaakt.

6Brandoffers en offers voor de zonde hebben U niet behaagd.

7Toen zei Ik: Zie, Ik kom – in de boekrol is over Mij geschreven – om Uw wil te doen, o God.

8Daarvoor had Hij gezegd: Slachtoffer en graanoffer en brandoffers en offers voor de zonde hebt U niet gewild en zij hebben U niet behaagd, hoewel zij overeenkomstig de wet worden gebracht.

9Daarna sprak Hij: Zie, Ik kom om Uw wil te doen, o God. Hij neemt het eerste weg om het tweede daarvoor in de plaats te zetten.

10Op grond van die wil zijn wij geheiligd

10:10
Hebr. 9:12
door het offer van het lichaam van Jezus Christus, eens en voor altijd gebracht.

11En iedere priester stond wel dagelijks te dienen en bracht vaak dezelfde slachtoffers, die de zonden toch nooit zouden kunnen wegnemen,

12maar deze Priester is, nadat Hij één slachtoffer voor de zonden geofferd had,

10:12
Ps. 110:1
Hand. 2:34
1 Kor. 15:25
Efez. 1:20
Kol. 3:1
Hebr. 1:13
tot in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God.

13Verder wacht Hij op het tijdstip dat Zijn vijanden tot een voetbank voor Zijn voeten gemaakt worden.

14Want met één offer heeft Hij hen die geheiligd worden, tot in eeuwigheid volmaakt.

15En de Heilige Geest getuigt het ons ook.

16Want na eerst gezegd te hebben:

10:16
Jer. 31:31,32,33,34
Rom. 11:27
Hebr. 8:8
Dit is het verbond, dat Ik met hen na die dagen zal sluiten, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun hart geven en Ik zal die in hun verstand schrijven,

17en aan hun zonden en hun wetteloze daden zal Ik beslist niet meer denken.

18Waar er nu vergeving voor is, is er geen offer voor de zonde meer nodig.

De belijdenis vasthouden

19Omdat wij nu, broeders, vrijmoedigheid hebben

10:19
Joh. 10:9
14:6
Rom. 5:2
Efez. 2:13
3:12
om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,

20langs een nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees,

21en omdat wij een grote Priester hebben over het huis van God,

22laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is

10:22
Ezech. 36:25
met rein water.

23Laten wij de belijdenis van de hoop onwrikbaar vasthouden, want Hij Die het beloofd heeft, is getrouw.

24En laten wij op elkaar letten door elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken.

25Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporen, en dat zoveel te meer als u de grote dag ziet naderen.

26

10:26
Num. 15:30
Matt. 12:31
Hebr. 6:4
2 Petr. 2:20
1 Joh. 5:16
Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor de zonden meer over,

27maar slechts een verschrikkelijke verwachting van oordeel en verzengend vuur, dat de tegenstanders zal verslinden.

28Als iemand de wet van Mozes tenietgedaan heeft, moet hij sterven zonder barmhartigheid,

10:28
Num. 35:30
Deut. 17:6
19:15
Matt. 18:16
Joh. 8:17
2 Kor. 13:1
op het woord van twee of drie getuigen.

29Hoeveel te zwaarder straf, denkt u, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God vertrapt heeft en het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht heeft en de Geest van de genade gesmaad heeft?

30Wij kennen immers Hem Die gezegd heeft:

10:30
Deut. 32:35
Rom. 12:19
Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En verder:
10:30
Deut. 32:36
De Heere zal Zijn volk oordelen.

31Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God.

32Maar herinner u de dagen van weleer, waarin u, nadat u verlicht was, veel strijd in het lijden hebt verdragen.

33Nu eens werd u zelf door smaad en verdrukkingen tot een schouwspel gemaakt, dan weer deelde u het lot van hen die zo behandeld werden.

34Want u hebt ook medelijden gehad met mij, in

10:34
Hand. 21:33
mijn boeien, en de beroving van uw eigendommen met blijdschap aanvaard, in de wetenschap dat u voor uzelf
10:34
Matt. 5:12
een beter en blijvend bezit in de hemelen hebt.

35Werp dan uw vrijmoedigheid niet weg, die een grote beloning met zich meebrengt.

36

10:36
Luk. 21:19
Want u hebt volharding nodig, opdat u, na het volbrengen van de wil van God, de vervulling van de belofte zult verkrijgen.

37

10:37
Hab. 2:3
Haggaï 2:7
1 Petr. 1:6
5:10
Want: Nog een heel korte tijd en Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven.

38

10:38
Hab. 2:4
Rom. 1:17
Gal. 3:11
Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven, en als iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen.

39Wij zijn echter geen mensen die zich onttrekken en daardoor naar het verderf gaan, maar mensen die geloven, tot behoud van hun ziel.

11

Geloofsgetuigen

111Het geloof nu is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet.

2Hierdoor immers hebben de ouden een goed getuigenis gekregen.

3Door het geloof zien wij in

11:3
Gen. 1:1
Ps. 33:6
Joh. 1:10
Efez. 3:9
Kol. 1:16
dat de wereld tot stand gebracht is door het Woord van God,
11:3
Rom. 4:17
Kol. 1:16
en wel zo dat de dingen die men ziet, niet ontstaan zijn uit wat zichtbaar is.

4Door het geloof

11:4
Gen. 4:4
heeft Abel God een beter offer gebracht dan Kaïn. Daardoor
11:4
Matt. 23:35
kreeg hij getuigenis dat hij rechtvaardig was; dit heeft God met het oog op zijn gaven getuigd. En door dit geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.

5Door het geloof werd

11:5
Gen. 5:24
Henoch weggenomen, opdat hij de dood niet zou zien. En hij werd niet gevonden, omdat God hem weggenomen had. Vóór zijn wegneming kreeg hij namelijk het getuigenis dat hij God behaagde.

6Zonder geloof is het echter onmogelijk God te behagen. Want wie tot God komt, moet geloven dat Hij is, en dat Hij beloont wie Hem zoeken.

7Door het geloof heeft

11:7
Gen. 6:13
Noach, toen hij een aanwijzing van God ontvangen had van de dingen die nog niet te zien waren, uit ontzag voor God de ark gebouwd, tot redding van zijn gezin. Daardoor heeft hij de wereld veroordeeld en is hij een erfgenaam geworden van de rechtvaardigheid die overeenkomstig het geloof is.

8Door het geloof is

11:8
Gen. 12:4
Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam geweest om weg te gaan naar de plaats die hij tot een erfdeel ontvangen zou. En hij is weggegaan zonder te weten waar hij komen zou.

9Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte als in een vreemd land en heeft hij in tenten gewoond, met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte.

10Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, waarvan God de Ontwerper en Bouwer is.

11Door het geloof heeft ook

11:11
Gen. 17:19
21:2
Sara zelf kracht ontvangen om zwanger te worden11:11 om zwanger te worden - Letterlijk: tot grondlegging van zaad. en een kind te baren,
11:11
Luk. 1:36
ondanks haar hoge ouderdom, omdat zij Hem getrouw heeft geacht Die het beloofd had.

12Daarom zijn er zelfs uit één man en dat uit iemand wiens kracht al gestorven was, zovelen geboren

11:12
Gen. 15:5
22:17
Rom. 4:18
als de sterren van de hemel in menigte en als het zand op het strand van de zee, dat niet te tellen is.

13

11:13
Joh. 8:53
Deze allen zijn in het geloof gestorven. Zij hebben de vervulling van de beloften niet verkregen, maar hebben die vanuit de verte gezien en geloofd en begroet, en zij hebben beleden
11:13
Gen. 23:4
47:9
dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren.

14Want wie zulke dingen zeggen, laten duidelijk blijken dat zij een vaderland zoeken.

15En als zij aan het vaderland gedacht hadden vanwaaruit zij weggegaan waren, zouden zij gelegenheid gehad hebben om terug te keren.

16Maar nu verlangen zij naar een beter, dat is naar een hemels vaderland. Daarom schaamt God Zich niet voor hen

11:16
Ex. 3:6
Matt. 22:32
Hand. 7:32
om hun God genoemd te worden. Want Hij had voor hen een stad gereedgemaakt.

17

11:17
Gen. 22:10
Door het geloof heeft Abraham, toen hij door God op de proef gesteld werd, Izak geofferd. En hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd.

18Tegen hem was gezegd:

11:18
Gen. 21:12
Rom. 9:7
Gal. 3:29
Dat van Izak11:18 Dat van Izak - Letterlijk: In Izak. zal uw nageslacht genoemd worden. Hij overlegde bij zichzelf dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken.

19En hij kreeg hem als het ware daaruit ook terug.

20

11:20
Gen. 27:28,39
Door het geloof heeft Izak zijn zonen Jakob en Ezau gezegend, met betrekking tot toekomstige dingen.

21

11:21
Gen. 48:15
Door het geloof heeft Jakob bij zijn sterven ieder van de zonen van Jozef gezegend
11:21
Gen. 47:31
en hij boog zich in aanbidding neer, terwijl hij leunde op het uiteinde van zijn staf.

22

11:22
Gen. 50:24
Door het geloof heeft Jozef bij zijn sterven melding gemaakt van de uittocht van de Israëlieten en heeft hij een opdracht gegeven in verband met zijn gebeente.

23

11:23
Ex. 2:2
Hand. 7:20
Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang door zijn ouders verborgen, omdat zij zagen dat het een heel bijzonder kind was. En zij waren niet bevreesd voor het bevel van de koning.

24Door het geloof heeft Mozes, toen hij groot geworden was, geweigerd een zoon van de dochter van de farao genoemd te worden.

25

11:25
Ps. 84:11
Hij koos ervoor liever met het volk van God slecht behandeld te worden dan voor een ogenblik het genot van de zonde te hebben.

26Hij beschouwde de smaad van Christus als grotere rijkdom dan de schatten in Egypte, want hij had het loon voor ogen.

27Door het geloof heeft hij Egypte verlaten zonder bevreesd te zijn voor de toorn van de koning. Want hij bleef standvastig, als zag hij de Onzichtbare.

28

11:28
Ex. 12:21
Door het geloof heeft hij het Pascha ingesteld en het besprenkelen met het bloed, opdat de verderver van de eerstgeborenen hen niet zou treffen.

29

11:29
Ex. 14:22
Door het geloof zijn zij door de Rode Zee gegaan als over het droge. Toen de Egyptenaren dat ook probeerden te doen, zijn ze verdronken.

30

11:30
Joz. 6:20
Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, nadat ze tot zeven dagen toe omringd waren geweest.

31

11:31
Joz. 6:23
Jak. 2:25
Door het geloof is Rachab, de hoer, niet omgekomen met de ongehoorzamen,
11:31
Joz. 2:1
omdat zij de verkenners met vrede had ontvangen.

32En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd ontbreekt mij om te vertellen over

11:32
Richt. 6:11
Gideon,
11:32
Richt. 4:6
Barak,
11:32
Richt. 13:24
Simson,
11:32
Richt. 11:1
12:7
Jefta,
11:32
1 Sam. 17:45
David en
11:32
1 Sam. 12:20
Samuel en de profeten.

33Zij hebben door het geloof koninkrijken overwonnen, gerechtigheid in praktijk gebracht, beloften verkregen,

11:33
Richt. 14:6
1 Sam. 17:34
Dan. 6:23
muilen van leeuwen gesloten.

34

11:34
Dan. 3:25
Zij hebben de kracht van het vuur geblust, zij zijn aan
11:34
1 Sam. 20:1
1 Kon. 19:3
2 Kon. 6:16
de scherpte van het zwaard ontkomen,
11:34
Job 42:10
Ps. 6:9
Jes. 38:21
zij hebben in zwakheid kracht ontvangen, zij zijn machtig geworden in de oorlog, legers van vreemden hebben zij op de vlucht gejaagd.

35

11:35
1 Kon. 17:23
2 Kon. 4:36
Vrouwen hebben hun doden teruggekregen door opstanding uit de dood.
11:35
Hand. 22:25
Maar anderen zijn gefolterd en namen de aangeboden verlossing niet aan, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden.

36En weer anderen hebben spot en geselslagen verdragen, ja zelfs

11:36
Jer. 20:2
boeien en gevangenis.

37

11:37
1 Kon. 21:13
Zij zijn gestenigd, in stukken gezaagd, in verzoeking gebracht, met het zwaard ter dood gebracht. Zij hebben rondgelopen
11:37
2 Kon. 1:8
Matt. 3:4
in schapenvachten en geitenvellen. Zij leden gebrek, werden verdrukt en mishandeld.

38De wereld was hen niet waard. Zij dwaalden rond in afgelegen plaatsen en verbleven op bergen, in grotten en in holen in de aarde.

39En deze allen hebben, hoewel zij door het geloof een goed getuigenis van God gekregen hebben, de vervulling van de belofte niet verkregen,

40daar God met het oog op ons iets beters voorzien had, opdat zij zonder ons niet tot de volmaaktheid zouden komen.

12

Met volharding lopen

121Welnu dan, laten ook wij, nu wij door zo'n menigte12:1 menigte - Letterlijk: wolk. van getuigen omringd worden,

12:1
Rom. 6:4
Efez. 4:22
Kol. 3:8
1 Petr. 2:1,2
afleggen alle last en de zonde, die ons zo gemakkelijk verstrikt. En laten wij
12:1
Rom. 12:12
Hebr. 10:36
met volharding
12:1
1 Kor. 9:24
de wedloop lopen die voor ons ligt,

2terwijl wij het oog gericht houden op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof.

12:2
Luk. 24:26
Filipp. 2:8,91 Petr. 1:11
Hij heeft om de vreugde die Hem in het vooruitzicht was gesteld, het kruis verdragen en de schande veracht en zit nu aan de rechterhand
12:2
Hebr. 1:3
8:1
van de troon van God.

3Want let toch scherp op Hem Die zo'n tegenspraak van de zondaars tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet verzwakt en bezwijkt in uw zielen.

4

12:4
1 Kor. 10:13
U hebt nog niet tot bloedens toe weerstand geboden in uw strijd tegen de zonde.

5En u bent de vermaning vergeten waarmee u als kinderen wordt aangesproken:

12:5
Job 5:17
Spr. 3:11
Openb. 3:19
Mijn zoon, acht de bestraffing van de Heere niet gering en bezwijk niet, als u door Hem terechtgewezen wordt.

6Want de Heere bestraft wie Hij liefheeft, en Hij geselt iedere zoon die Hij aanneemt.

7Als u bestraffing verdraagt, behandelt God u als kinderen. Want welk kind is er dat niet door zijn vader bestraft wordt?

8Maar als u zonder bestraffing bent, waar allen deel aan hebben gekregen, bent u bastaarden en geen kinderen.

9En verder hadden wij onze aardse vaders12:9 aardse vaders - Letterlijk: vaders van ons vlees. als opvoeders, en wij hadden ontzag voor hen. Zullen wij ons dan niet veel meer onderwerpen aan de Vader van de geesten, en leven?

10Want zij hebben ons wel voor een korte tijd naar het hun goeddacht bestraft, maar Hij doet dat tot ons nut, opdat wij deel krijgen aan Zijn heiligheid.

11En elke bestraffing schijnt op het moment zelf wel geen reden tot blijdschap te zijn, maar tot droefheid. Maar later geeft zij hun die erdoor geoefend zijn een vreedzame vrucht van gerechtigheid.

12

12:12
Jes. 35:3
Hef daarom de slappe handen op en strek de knikkende knieën,

13en maak rechte sporen voor uw voeten, opdat wat kreupel is, niet wordt ontwricht, maar veeleer genezen wordt.

14

12:14
Rom. 12:18
2 Tim. 2:22
Jaag de vrede na met allen, en
12:14
Matt. 5:8
de heiliging, zonder welke niemand de Heere zal zien.

15

12:15
2 Kor. 6:1
Zie erop toe dat niemand achteropraakt in de genade van God, en dat er
12:15
Deut. 29:18
geen enkele wortel van bitterheid opschiet
12:15
Hand. 17:13
Gal. 5:12
en onrust veroorzaakt zodat daardoor velen bezoedeld worden.

16

12:16
Efez. 5:3
Kol. 3:5
1 Thess. 4:3
Laat niemand een ontuchtpleger zijn of een onheilige,
12:16
Gen. 25:33
zoals Ezau, die voor één enkele maaltijd zijn eerstgeboorterecht verkocht.

17

12:17
Gen. 27:38
Want u weet dat hij ook daarna, toen hij de zegen wilde erven, verworpen werd, want hij vond geen plaats van berouw, hoewel hij de zegen vurig en met tranen zocht.

Onze God is een verterend vuur

18Want u bent niet

12:18
Ex. 19:1020:21
tot een tastbare berg genaderd,
12:18
Ex. 19:16
Deut. 5:22
en tot een brandend vuur, tot donkerheid, duisternis en stormwind,

19tot bazuingeschal en het geluid van woorden. Zij die dat hoorden,

12:19
Ex. 20:19
Deut. 5:25
18:16
smeekten dat het woord niet meer tot hen gericht zou worden,

20want zij konden wat hun bevolen werd niet verdragen:

12:20
Ex. 19:13
zelfs als een dier de berg aanraakt, zal het gestenigd of met een pijl doorschoten worden.

21En wat zij zagen was zo verschrikkelijk, dat Mozes zei: Ik ben zeer bevreesd en sta te beven.

22Maar u bent genaderd tot de berg Sion en tot de stad van de levende God, tot

12:22
Gal. 4:26
Openb. 3:12
21:10
het hemelse Jeruzalem en tot tienduizendtallen van engelen,

23tot een feestelijke vergadering en de gemeente van de eerstgeborenen, die

12:23
Luk. 10:20
in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid zijn gekomen,

24en tot de Middelaar van het nieuwe verbond, Jezus, en tot het bloed

12:24
Hebr. 10:22
1 Petr. 1:2
van de besprenkeling, dat van betere dingen spreekt dan dat van
12:24
Gen. 4:10
Hebr. 11:4
Abel.

25

12:25
Hebr. 2:3
Let er dan op dat u Hem Die spreekt, niet verwerpt. Want als zij niet zijn ontkomen die hem verwierpen die op aarde aanwijzingen van God deed horen, veelmeer zullen wij niet ontkomen, als wij ons afkeren van Hem Die vanuit de hemelen spreekt.

26Zijn stem bracht indertijd de aarde aan het wankelen. Nu echter heeft Hij openlijk verkondigd:

12:26
Haggaï 2:7
Nog eenmaal zal Ik niet alleen de aarde, maar ook de hemel doen beven.

27Dit ‘nog eenmaal’ duidt op de verandering van de dingen die kunnen wankelen als van dingen die gemaakt zijn, opdat de dingen die onwankelbaar zijn, zouden blijven.

28Laten wij daarom, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen, aan de genade vasthouden en

12:28
1 Petr. 2:5
daardoor God dienen op een Hem welgevallige wijze, met ontzag en eerbied.

29

12:29
Deut. 4:24
Want onze God is een verterend vuur.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]