Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Opschrift

11De last1:1 De last - Dat wil zeggen: een woord van God dat de profeet als een last is opgelegd. die de profeet Habakuk gezien heeft.

Strafgericht door de Chaldeeën over Juda

2HEERE, hoelang roep ik om hulp en luistert U niet,

roep ik tot U: Geweld! en verlost U niet?

3Waarom doet U mij onrecht zien en aanschouwt U de moeite?

Ja, verwoesting en geweld zijn tegenover mij,

er ontstaat onenigheid, ruzie verheft zich.

4Daarom verliest de wet zijn kracht

en komt het recht nooit meer tevoorschijn;

want de goddeloze omsingelt de rechtvaardige,

daarom komt het recht verdraaid tevoorschijn.

5Zie rond onder de heidenvolken en aanschouw,

verbijster u, sta verbijsterd,

want

1:5
Hand. 13:41
Ik breng in uw dagen een werk tot stand

dat u niet zult geloven wanneer het verteld wordt.

6Want zie, Ik doe de Chaldeeën opstaan,

dat grimmige1:6 grimmige - Letterlijk: bittere. en onstuimige volk,

dat de breedten van de aarde doorkruist

om woningen in bezit te nemen die niet van hem zijn.

7Schrikwekkend en ontzagwekkend is het.

Zijn recht en zijn hoogheid gaan van hem uit.

8Zijn paarden zijn sneller dan luipaarden,

feller dan avondwolven.

Zijn ruiters komen eraan in galop,

zijn ruiters komen van ver aangevlogen

als een arend die toeschiet om te verslinden.

9Ieder van hen komt om geweld te bedrijven,

hun gezichten oostwaarts gericht,

en men verzamelt gevangenen als zand.

10Ja, zelf drijft hij de spot met de koningen,

vorsten zijn hem een bespotting.

Zelf lacht hij om elke vesting,

hij hoopt er aarde tegen op en neemt hem in.

11Dan zal hij als de wind veranderen en verdertrekken.

Zo maakt hij zich schuldig die van zijn kracht zijn god maakt.

Gebed en klacht van de profeet

12Bent U niet van oudsher

de HEERE, mijn God, mijn Heilige?

Wij zullen niet sterven.

HEERE, U hebt hem gesteld tot een oordeel.

Rots, U hebt hem gegrondvest om te straffen.

13U bent te rein van ogen om het kwade aan te zien,

moeite kunt U niet aanschouwen.

Waarom aanschouwt U wie trouweloos handelen,

zwijgt U, wanneer een goddeloze hem verslindt die rechtvaardiger is dan hijzelf?

14U maakt de mensen als vissen in de zee,

als kruipende dieren, die geen heerser hebben.

15Hij haalt ze alle met een vishaak op,

brengt ze bijeen met zijn sleepnet,

en verzamelt ze met zijn werpnet.

Daarom verblijdt en verheugt hij zich.

16Daarom offert hij aan zijn sleepnet,

brengt hij een reukoffer aan zijn werpnet,

want daardoor is zijn vangst groot1:16 zijn vangst groot - Letterlijk: zijn deel vet.

en zijn voedsel overvloedig.

17Mag hij daarom zijn sleepnet blijven leegmaken,

volken zonder medelijden blijven doden?

2

Het antwoord van God aan Habakuk

21Ik

2:1
Jes. 21:8
ging op mijn wachtpost staan,

nam mijn plaats in op de vestingwal,

en keek uit om te zien wat Hij in mij spreken zou

en wat ik antwoorden zou op mijn aanklacht.

2Toen antwoordde de HEERE mij en zei:

2:2
Jes. 30:8
Schrijf het visioen op,

grif het duidelijk in tafelen,

zodat het in het snel voorbijlopen te lezen is.

3Voorzeker, het visioen wacht nog op de vastgestelde tijd,

aan het einde zal Hij het werkelijkheid maken.2:3 werkelijkheid maken - Letterlijk: wegblazen. Hij liegt niet.

Als Hij uitblijft, verwacht Hem,

want Hij komt zeker, Hij zal niet wegblijven.2:3 Als … wegblijven - Of: Als het uitblijft, verwacht het, want het komt zeker, het zal niet uitblijven.

4Zie, zijn ziel is hoogmoedig,

niet oprecht in hem,

maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.

5En ook omdat hij trouweloos handelt bij de wijn,

en een trots man is, maar hij zal niet slagen;

hij die zijn keel wijd openspert als het graf,

en net als de dood is, die niet verzadigd wordt,

hij die alle heidenvolken bij zich verzameld heeft,

en alle volken bij zich bijeengebracht heeft.

6Zullen dan die allen niet een spreuk en een spotlied, vol raadsels, over hem aanheffen?

Men zal zeggen:

Wee hem die vermeerdert wat niet van hem is

– hoelang nog? – die gepand goed op zich laadt!

7Zullen niet, opeens, zij die u bijten, opstaan,

ontwaken wie u doen beven,

zodat u hun tot buit wordt?

8Omdat ú vele heidenvolken beroofd hebt,

zullen alle overgebleven volken u beroven,

vanwege het vergoten bloed van de mensen

en het geweld tegen het land,

de stad en al zijn inwoners.

9Wee hem die op winstbejag uit is voor zijn huis,

om zijn nest in de hoogte te bouwen,

om zich te redden uit de greep van het kwaad!

10U hebt schande voor uw huis beraamd.

Door vele volken uit te roeien,

hebt u tegen uw leven gezondigd,

11want de steen schreeuwt vanuit de muur,

en de balk antwoordt erop vanuit het houtwerk.

12Wee hem die een stad met vergoten bloed bouwt,

die een stad op onrecht grondvest!

13Zie, is het niet

van de HEERE van de legermachten

dat volken zich inspannen voor het vuur

en natiën zich voor niets afmatten?

14Want de aarde zal vol worden

met de kennis van de heerlijkheid van de HEERE,

zoals het water de bodem van de zee bedekt.

15Wee hem die zijn naaste te drinken geeft,

u die uw vergif daaraan toevoegt, en hem ook dronken maakt

om hun naaktheid te aanschouwen.

16U bent eerder met schande verzadigd dan met eer.

Drink ook zelf en laat uw voorhuid zien.

De beker in de rechterhand van de HEERE zal op u overgaan:

schandelijk braaksel over uw eer.

17Want het geweld tegen de Libanon zal u bedekken

en de verwoesting onder de dieren zal ontsteltenis teweegbrengen,

vanwege het vergoten bloed van de mensen, en het geweld aan het land,

de stad en al zijn inwoners.

18Wat is het nut van een gesneden beeld, wanneer zijn maker het gesneden heeft,

of van een gegoten beeld dat leugens onderwijst,

wanneer de maker op zijn maaksel vertrouwt

terwijl het stomme afgoden zijn die hij maakt?

19Wee hem die tegen het stuk hout zegt: Word wakker!

en: Ontwaak! tegen een zwijgende steen.

Zouden zij iemand kunnen onderwijzen?

Zie, het is met goud en zilver overtrokken,

maar er zit volstrekt geen levensgeest in hem.

20Maar de HEERE is in Zijn heilige tempel.

Wees stil voor Zijn aangezicht, heel de aarde!

3

Gebed van Habakuk

31Een gebed van Habakuk, de profeet. Op Sjigjonot.

2HEERE, toen ik Uw tijding hoorde,

heb ik gevreesd.

HEERE, Uw werk, behoud het in het leven in het midden van de jaren,

maak het bekend in het midden van de jaren.

Denk in Uw toorn aan ontferming!

3God kwam van Teman,

de Heilige van het gebergte Paran. Sela

Zijn majesteit bedekte de hemel,

de aarde was vol van Zijn lof.

4Er was een glans als van het zonlicht;

lichtstralen kwamen uit Zijn hand,

daarin ging Zijn macht schuil.

5Voor Hem uit ging de pest,

de gloed ervan volgde Hem op de voet.

6Hij stond en deed de aarde schudden,

Hij keek en liet heidenvolken opspringen.

De aloude bergen werden verpletterd,

de eeuwige heuvels hebben zich neergebogen.

De eeuwige wegen zijn van Hem.

7Ik zag de tenten van Kusjan gebogen onder het onrecht,

de tentkleden van het land Midian sidderden.

8Was de HEERE tegen de rivieren ontbrand?

Woedde Uw toorn tegen de rivieren,

of was Uw verbolgenheid tegen de zee,

dat U op Uw paarden reed?

Uw wagens brachten heil.

9U haalde Uw boog tevoorschijn3:9 U haalde Uw boog tevoorschijn - Letterlijk: U ontblootte Uw boog naakt.

om de eden, aan de stammen gedaan door het woord. Sela

Met rivieren spleet U de aarde.

10De bergen zagen U, zij beefden van angst.

Een vloed van water stroomde voorbij,

de watervloed liet zijn stem klinken,

hoog hief hij zijn handen op.

11Zon en maan stonden stil in hun woning;

met het licht bewogen Uw pijlen zich voort,

met de gloed Uw glinsterende speer.

12In gramschap schreed U voort over de aarde,

in toorn vertrapte U de heidenvolken.

13U bent uitgetrokken tot heil van Uw volk,

tot heil van Uw Gezalfde.

U hebt het dak van het huis van de goddeloze verbrijzeld,

U legt het fundament bloot tot de hals toe. Sela

14U doorboorde met zijn eigen pijlen het hoofd van zijn strijders.

Zij stormden aan om mij te verspreiden,

zij die zich verheugden

alsof zij de ellendige in een verborgen plaats wilden verslinden.

15U betrad met Uw paarden de zee,

de schuimkoppen van grote wateren.

16Ik hoorde het en mijn buik sidderde.

Bij het geluid trilden mijn lippen.

Verrotting tastte mijn beenderen aan.

Ik sidderde op de plaats waar ik stond.

Zeker, ik zal rustig wachten op de dag van de benauwdheid,

als die aanbreekt voor het volk dat ons zal aanvallen.

17Al zal de vijgenboom niet in bloei staan

en er geen vrucht aan de wijnstok zijn,

al zal de opbrengst van de olijfboom tegenvallen

en zullen de velden geen voedsel voortbrengen,

al zal het kleinvee uit de kooi verdwenen zijn

en er geen rund in de stallen over zijn –

18ik zal dan toch in de HEERE van vreugde opspringen,

mij verheugen in de God van mijn heil.

19De HEERE Heere is mijn kracht,

Hij maakt mijn voeten als die van de hinden,

en Hij doet mij treden op mijn hoogten.

Voor de koorleider, bij mijn snarenspel.