Herziene Statenvertaling (HSV)
8

Einde van de zondvloed

81En God dacht aan Noach en aan al de wilde dieren en al het vee dat bij hem in de ark was; en God liet wind over de aarde gaan, zodat het water bedaarde.

2Ook werden de bronnen van de watervloed en de sluizen van de hemel gesloten, en de regen uit de hemel werd gestopt.

3Vervolgens vloeide het water van boven de aarde terug, gaandeweg vloeide het terug. Na verloop van honderdvijftig dagen werd het water minder.

4En de ark bleef in de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, vastzitten op het gebergte van Ararat.

5En gaandeweg werd het water minder, tot aan de tiende maand. In de tiende maand, op de eerste dag van de maand, werden de toppen van de bergen zichtbaar.

6En het gebeurde na verloop van veertig dagen dat Noach het venster van de ark, dat hij gemaakt had, opendeed.

7En hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen totdat het water van boven de aarde opgedroogd was.

8Daarna liet hij een duif van bij zich los om te zien of het water op de aardbodem afgenomen was.

9Maar de duif vond geen rustplaats voor de holte van haar voet; daarom keerde zij naar hem terug in de ark, want het water stond nog boven heel de aarde. Hij stak zijn hand uit, pakte haar en bracht haar bij zich in de ark.

10En hij wachtte nog eens zeven dagen; toen liet hij de duif weer los uit de ark.

11En de duif kwam naar hem toe tegen de avond; en zie, er was een afgebroken olijfblad in haar snavel; daaraan merkte Noach dat het water op de aarde afgenomen was.

12Toen wachtte hij nog eens zeven dagen. Hij liet de duif los, maar zij keerde niet meer naar hem terug.

13En het was in het zeshonderdeerste jaar, in de eerste maand, op de eerste dag van die maand, dat het water van boven de aarde opgedroogd was. Toen nam Noach het luik van de ark weg en keek naar buiten, en zie, de aardbodem was opgedroogd.

14In de tweede maand, op de zevenentwintigste dag van de maand, was de aarde droog geworden.

15Toen sprak God tot Noach:

16Ga de ark uit, u, uw vrouw, uw zonen en de vrouwen van uw zonen met u.

17Laat al de dieren die bij u zijn van alle vlees, de vogels, het vee en alle kruipende dieren, die over de aarde kruipen, met u naar buiten gaan, zodat

8:17
Gen. 1:22,28
9:1
zij zich overvloedig uitbreiden op de aarde en vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde.

18Toen ging Noach naar buiten, en zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen met hem.

19Alle dieren, alle kruipende dieren en alle vogels, alles wat zich op de aarde beweegt, overeenkomstig hun soorten, gingen de ark uit.

Offer van Noach

20En Noach bouwde een altaar voor de HEERE; en hij nam van al het

8:20
Lev. 11
reine vee en van alle reine vogels, en bracht brandoffers op dat altaar.

21En de HEERE rook die aangename geur, en de HEERE zei in Zijn hart: Ik zal de aardbodem voortaan niet meer vervloeken vanwege de mens;

8:21
Gen. 6:5
Spr. 22:15
Matt. 15:19
de gedachtespinsels van het hart van de mens zijn immers slecht, van zijn jeugd
8:21
Spr. 22:15
af; en Ik zal voortaan niet al het levende meer doden, zoals Ik gedaan heb.

22

8:22
Jer. 33:20,25
Voortaan, al de dagen van de aarde,

zullen zaaitijd en oogsttijd, koude en hitte,

zomer en winter, dag en nacht niet ophouden.

9

Gods verbond met Noach

91Toen zegende God Noach en zijn zonen en Hij zei tegen hen:

9:1
Gen. 1:28
8:17
Wees vruchtbaar, word talrijk en vervul de aarde!

2Vrees en schrik voor u zal er zijn bij alle dieren van de aarde en bij alle vogels in de lucht, bij alles wat over de aardbodem kruipt en bij alle vissen in de zee; zij zijn in uw hand gegeven.

3Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals

9:3
Gen. 1:29
het groene gewas.

4

9:4
Lev. 3:17
7:26
17:14
19:26
Deut. 12:23
Maar vlees met zijn leven, zijn bloed, er nog in mag u niet eten.

5

9:5
Ex. 21:12,28
Voorzeker, Ik zal vergelding eisen voor uw bloed, voor uw levens. Van de hand van alle dieren zal Ik vergelding eisen; ook van de hand van de mens, van de hand van ieders broeder, zal Ik vergelding eisen voor het leven van de mens.

6

9:6
Klaagl. 4:13
Matt. 26:52
Openb. 13:10
Vergiet iemand het bloed van de mens,

door de mens zal diens bloed vergoten worden;

want

9:6
Gen. 1:27
naar het beeld van God

heeft Hij de mens gemaakt.

7Wat

9:7
Gen. 1:28
8:17
u betreft, wees vruchtbaar en word talrijk;

breid u overvloedig uit op de aarde, en word talrijk daarop.

8En God zei tegen Noach en zijn zonen met hem:

9

9:9
Jes. 54:9
En Ik, zie, Ik maak Mijn verbond met u, met uw nageslacht na u,

10en met alle levende wezens die bij u zijn: de vogels, het vee en alle dieren van de aarde met u; van alles wat uit de ark is gegaan, tot alle dieren van de aarde toe.

11Ik maak Mijn verbond met u, dat niet meer alle vlees door het water van een vloed zal worden uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te gronde te richten.

12En God zei: Dit is het teken van het verbond dat Ik geef tussen Mij en u, en alle levende wezens die bij u zijn, alle generaties door tot in eeuwigheid:

13Mijn boog heb Ik in de wolken gegeven; die zal dienen als teken van het verbond tussen Mij en de aarde.

14Het zal gebeuren, als Ik wolken boven de aarde breng en de boog in de wolken gezien wordt,

15dat Ik aan Mijn verbond zal denken, dat er is tussen Mij en u en alle levende wezens van alle vlees. Het water zal niet meer tot een vloed worden om alle vlees te gronde te richten.

16Als deze boog in de wolken is, zal Ik hem zien, en denken aan het eeuwig verbond tussen God en alle levende wezens van alle vlees dat op de aarde is.

17God zei dus tegen Noach: Dit is het teken van het verbond dat Ik gemaakt heb tussen Mij en alle vlees dat op de aarde is.

De zonen van Noach

18En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren

9:18
Gen. 6:10
Sem, Cham en Jafeth; Cham is de vader van Kanaän.

19Deze drie waren de zonen van Noach; en uit hen is heel de aarde bevolkt.9:19 bevolkt - Letterlijk: overspreid.

20En Noach werd landbouwer en plantte een wijngaard.

21Hij dronk van de wijn en werd dronken; en hij ontkleedde zich midden in zijn tent.

22En Cham, de vader van Kanaän, zag de naaktheid van zijn vader en vertelde het aan zijn beide broers buiten.

23Toen namen Sem en Jafeth een kleed, legden het op hun beider schouders, liepen achteruit en bedekten de naaktheid van hun vader, met het gezicht afgewend, zodat zij de naaktheid van hun vader niet zagen.

24Toen ontwaakte Noach uit zijn roes en kwam hij te weten wat zijn jongste zoon hem aangedaan had.

25Hij zei:

Vervloekt is Kanaän!

Laat hij voor zijn broers een dienaar van dienaren zijn!

26Ook zei hij:

Gezegend is de HEERE, de God van Sem!

Laat Kanaän een dienaar voor hem zijn!

27Laat God Jafeth uitbreiden en laat hij in de tenten van Sem wonen!

En laat Kanaän voor hem een dienaar zijn!

28En Noach leefde na de vloed driehonderdvijftig jaar.

29Zo waren al de dagen van Noach negenhonderdvijftig jaar; en hij stierf.

10

Nakomelingschap van Noachs zonen

101Dit zijn de afstammelingen van

10:1
1 Kron. 1:4
de zonen van Noach, Sem, Cham en Jafeth. Bij hen werden na de vloed zonen geboren.

2De

10:2
1 Kron. 1:5
zonen van Jafeth zijn: Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras.

3De zonen van Gomer zijn: Askenaz, Rifath en Togarma.

4De zonen van Javan zijn: Elisa en Tarsis, de Kittiërs en de Dodanieten.

5Van hen stammen de mensen af die zich over de kustlanden van de volken verspreid hebben, in hun landen, elk overeenkomstig zijn taal, overeenkomstig hun geslachten, onder hun volken.

6De zonen van

10:6
1 Kron. 1:8
Cham zijn: Cusj, Mizraïm, Put en Kanaän.

7De zonen van Cusj zijn: Seba, Havila, Sabta, Raëma en Sabtecha. De zonen van Raëma zijn: Sjeba en Dedan.

8En

10:8
1 Kron. 1:10
Cusj verwekte Nimrod; die begon een geweldenaar op de aarde te worden.

9Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE; daarom wordt gezegd: Als Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE.

10Het begin van zijn koninkrijk bestond uit Babel, Erech, Akkad en Kalne in het land Sinear.

11Uit dit land is Assur weggegaan en hij bouwde Ninevé, Rehoboth-Ir, Kalach

12en Resen, tussen Ninevé en Kalach; dat is de grote stad.

13Mizraïm verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten,

14de Pathrusieten, de Kasluchieten – uit wie de Filistijnen voortgekomen zijn – en de Kaftorieten.

15Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, Heth,

16en de Jebusiet, de Amoriet, de Girgasiet,

17de Heviet, de Arkiet, de Siniet,

18de Arvadiet, de Zemariet en de Hamathiet; daarna zijn de geslachten van de Kanaänieten verspreid.

19En de grens van de Kanaänieten reikte van Sidon in de richting van Gerar tot aan Gaza, en in de richting van Sodom, Gomorra, Adama en Zeboïm, tot aan Lasa.

20Dit waren de zonen van Cham, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun talen, met hun landen en hun volken.

21Ook bij Sem zijn zonen geboren; hij is de voorvader van alle zonen van Heber, en de broer van Jafeth, de oudste.

22

10:22
1 Kron. 1:17
Sems zonen waren: Elam, Assur,
10:22
Gen. 11:10
Arfachsad, Lud en Aram.

23De zonen van Aram waren: Uz, Hul, Gether en Mas.

24

10:24
1 Kron. 1:18
Arfachsad verwekte Selah, en Selah verwekte Heber.

25Bij Heber werden twee zonen geboren; de naam van de ene was Peleg,10:25 Peleg kan vertaald worden met: verdeling. omdat in zijn dagen de aarde verdeeld is, en de naam van zijn broer was Joktan.

26Joktan verwekte Almodad, Selef, Hazarmavet, Jerah,

27Hadoram, Uzal, Dikla,

28Obal, Abimaël, Sjeba,

29Ofir, Havila en Jobab. Zij allen waren zonen van Joktan.

30Hun woongebied reikte van Mesja tot in de richting van Sefar, het bergland in het oosten.

31Dit waren de zonen van Sem, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun talen, met hun landen en hun volken.

32Dit waren de geslachten van de zonen van Noach, ingedeeld naar hun afstamming, met hun volken; van hen stammen de volken af die zich na de vloed over de aarde hebben verspreid.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]