Herziene Statenvertaling (HSV)
6

Voorzegging van de zondvloed

61En het gebeurde, toen de mensen zich op de aardbodem begonnen te vermenigvuldigen en er dochters bij hen geboren werden,

2dat Gods zonen de dochters van de mensen zagen dat zij mooi waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die zij uitgekozen hadden.

3Toen zei de HEERE: Mijn Geest zal niet voor eeuwig met de mens twisten, omdat ook hij vlees is, maar zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn.

4In die dagen, en ook daarna, waren er reuzen op de aarde, toen Gods zonen bij de dochters van de mensen waren gekomen en die kinderen voor hen baarden; dit zijn de geweldenaars van oude tijden af, mannen van naam.

5En de HEERE zag dat de slechtheid van de mens op de aarde groot was, en dat

6:5
Gen. 8:21
Job 15:16
Spr. 6:14
Jer. 17:9
Matt. 15:19
Rom. 3:10,11,12
8:6
al de gedachtespinsels van zijn hart elke dag alleen maar slecht waren.

6Toen kreeg de HEERE er berouw over dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het bedroefde Hem in Zijn hart.

7En de HEERE zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem verdelgen, van de mens tot het vee, tot de kruipende dieren en tot de vogels in de lucht toe, want Ik heb er berouw over dat Ik hen gemaakt heb.

8Maar Noach vond genade in de ogen van de HEERE.

Opdracht tot de bouw van de ark

9Dit zijn de afstammelingen van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man onder zijn tijdgenoten.

6:9
Gen. 5:22
Noach wandelde met God.

10En Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.

11Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht en de aarde was vol met geweld.

12Toen zag God de aarde, en zie, zij was verdorven; want alle vlees had een verdorven levenswandel6:12 had een verdorven levenswandel - Letterlijk: had zijn weg verdorven. op de aarde.

13Daarom zei God tegen Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen, want de aarde is door hen vervuld met geweld; en zie, Ik ga hen met de aarde te gronde richten.

14Maak voor uzelf een ark van goferhout. In vakken ingedeeld moet u deze ark maken en hem vanbinnen en vanbuiten met pek bestrijken.

15Zo moet u hem maken: driehonderd el moet de lengte van de ark zijn, vijftig el zijn breedte en dertig el zijn hoogte.

16U moet een lichtopening in de ark maken, en de ark afwerken tot op een el van boven; en de deur van de ark moet u aan de zijkant plaatsen. U moet er een onderste, een tweede en een derde verdieping in maken.

17En Ik, zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen om alle vlees waarin een levensgeest is, van onder de hemel te gronde te richten; alles wat op de aarde is, zal de geest geven.

18Maar met u zal Ik Mijn verbond maken; en

6:18
1 Petr. 3:20
2 Petr. 2:5
u moet in de ark gaan, u, uw zonen, uw vrouw en de vrouwen van uw zonen met u.

19En u moet van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk in de ark laten komen om ze met u in leven te houden: een mannetje en een vrouwtje moeten het zijn.

20Van de vogels naar hun soort, van het vee naar zijn soort, en van de kruipende dieren van de aardbodem naar hun soort, zullen er twee naar u toe komen, om ze in leven te houden.

21En u, neem voor uzelf van al het voedsel dat gegeten wordt, en verzamel dat bij u, zodat het voor u en voor hen tot voedsel zal zijn.

22En Noach deed het;

6:22
Gen. 7:5
Hebr. 11:7
overeenkomstig alles wat God hem geboden had, zo deed hij.

7

De zondvloed

71Daarna zei de HEERE tegen

7:1
2 Petr. 2:5
Noach: Ga in de ark, u en heel uw gezin, want Ik heb gezien dat
7:1
Gen. 6:9
u te midden van uw tijdgenoten voor Mijn aangezicht rechtvaardig bent.

2

7:2
Lev. 11
U moet voor uzelf van alle reine dieren zeven paar7:2 zeven paar - Letterlijk: zeven zeven; zie ook vers 3. nemen, een mannetje en zijn vrouwtje; maar van de dieren die niet rein zijn, één paar, een mannetje en zijn vrouwtje;

3ook van de vogels in de lucht zeven paar, mannelijk en vrouwelijk, om de soort7:3 soort - Letterlijk: zaad of nageslacht. op heel de aarde in leven te houden.

4Want over nog zeven dagen zal Ik het op de aarde veertig dagen en veertig nachten laten regenen; en Ik zal al wat bestaat, wat Ik gemaakt heb, van de aardbodem verdelgen.

5

7:5
Gen. 6:22
En Noach deed overeenkomstig alles wat de HEERE hem geboden had.

6Noach was zeshonderd jaar oud toen de watervloed over de aarde kwam.

7Toen

7:7
Matt. 24:38
Luk. 17:27
1 Petr. 3:20
ging Noach met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen met hem in de ark, vanwege het water van de vloed.

8Van de reine dieren, van de dieren die niet rein waren, van de vogels en van alles wat over de aardbodem kruipt,

9kwamen er twee aan twee naar Noach in de ark, mannelijk en vrouwelijk, zoals God aan Noach geboden had.

10En het gebeurde na die zeven dagen dat het water van de vloed over de aarde kwam.

11In het zeshonderdste levensjaar van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, op die dag zijn alle bronnen van de grote watervloed opengebarsten en de sluizen van de hemel opengezet.

12En er was regen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten.

13Op diezelfde dag gingen Noach en Sem, Cham en Jafeth, de zonen van Noach, en ook Noachs vrouw en de drie vrouwen van zijn zonen met hen in de ark,

14zij, en al de wilde dieren naar hun soort, al het vee naar zijn soort, alle kruipende dieren, die over de aarde kruipen, naar hun soort, en alle vogels naar hun soort, al wat gevleugeld is.

15En van alle vlees waar een levensgeest in was, kwamen ze naar Noach in de ark, twee aan twee.

16En die kwamen, kwamen als mannelijk en vrouwelijk, van alle vlees, zoals God hem geboden had. En de HEERE sloot de deur achter hem toe.

17En de vloed was veertig dagen op de aarde, en het water nam toe en hief de ark omhoog, zodat hij van de aarde oprees.

18En het water steeg en nam sterk toe op de aarde; en de ark dreef op het water.

19Het water steeg meer en meer op de aarde, zodat alle hoge bergen die onder heel de hemel zijn, bedekt werden.

20Nog vijftien el daarboven steeg het water, en de bergen werden bedekt.

21

7:21
Luk. 17:27
En alle vlees dat zich op de aarde bewoog, gaf de geest: de vogels, het vee, de wilde dieren en alle kruipende dieren, die over de aarde kropen, en alle mensen.

22Alles met levensadem7:22 levensadem - Letterlijk: adem van levensgeest. in zijn neusgaten van alles wat op het droge leefde, stierf.

23Zo verdelgde Hij alles wat bestond, wat op de aardbodem was, van mens tot dier, tot kruipende dieren en vogels in de lucht; verdelgd werden zij van de aarde.

7:23
2 Petr. 2:5
Alleen Noach bleef over, en wat met hem in de ark was.

24En het water had honderdvijftig dagen lang de overhand op de aarde.

8

Einde van de zondvloed

81En God dacht aan Noach en aan al de wilde dieren en al het vee dat bij hem in de ark was; en God liet wind over de aarde gaan, zodat het water bedaarde.

2Ook werden de bronnen van de watervloed en de sluizen van de hemel gesloten, en de regen uit de hemel werd gestopt.

3Vervolgens vloeide het water van boven de aarde terug, gaandeweg vloeide het terug. Na verloop van honderdvijftig dagen werd het water minder.

4En de ark bleef in de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, vastzitten op het gebergte van Ararat.

5En gaandeweg werd het water minder, tot aan de tiende maand. In de tiende maand, op de eerste dag van de maand, werden de toppen van de bergen zichtbaar.

6En het gebeurde na verloop van veertig dagen dat Noach het venster van de ark, dat hij gemaakt had, opendeed.

7En hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen totdat het water van boven de aarde opgedroogd was.

8Daarna liet hij een duif van bij zich los om te zien of het water op de aardbodem afgenomen was.

9Maar de duif vond geen rustplaats voor de holte van haar voet; daarom keerde zij naar hem terug in de ark, want het water stond nog boven heel de aarde. Hij stak zijn hand uit, pakte haar en bracht haar bij zich in de ark.

10En hij wachtte nog eens zeven dagen; toen liet hij de duif weer los uit de ark.

11En de duif kwam naar hem toe tegen de avond; en zie, er was een afgebroken olijfblad in haar snavel; daaraan merkte Noach dat het water op de aarde afgenomen was.

12Toen wachtte hij nog eens zeven dagen. Hij liet de duif los, maar zij keerde niet meer naar hem terug.

13En het was in het zeshonderdeerste jaar, in de eerste maand, op de eerste dag van die maand, dat het water van boven de aarde opgedroogd was. Toen nam Noach het luik van de ark weg en keek naar buiten, en zie, de aardbodem was opgedroogd.

14In de tweede maand, op de zevenentwintigste dag van de maand, was de aarde droog geworden.

15Toen sprak God tot Noach:

16Ga de ark uit, u, uw vrouw, uw zonen en de vrouwen van uw zonen met u.

17Laat al de dieren die bij u zijn van alle vlees, de vogels, het vee en alle kruipende dieren, die over de aarde kruipen, met u naar buiten gaan, zodat

8:17
Gen. 1:22,28
9:1
zij zich overvloedig uitbreiden op de aarde en vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde.

18Toen ging Noach naar buiten, en zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen met hem.

19Alle dieren, alle kruipende dieren en alle vogels, alles wat zich op de aarde beweegt, overeenkomstig hun soorten, gingen de ark uit.

Offer van Noach

20En Noach bouwde een altaar voor de HEERE; en hij nam van al het

8:20
Lev. 11
reine vee en van alle reine vogels, en bracht brandoffers op dat altaar.

21En de HEERE rook die aangename geur, en de HEERE zei in Zijn hart: Ik zal de aardbodem voortaan niet meer vervloeken vanwege de mens;

8:21
Gen. 6:5
Spr. 22:15
Matt. 15:19
de gedachtespinsels van het hart van de mens zijn immers slecht, van zijn jeugd
8:21
Spr. 22:15
af; en Ik zal voortaan niet al het levende meer doden, zoals Ik gedaan heb.

22

8:22
Jer. 33:20,25
Voortaan, al de dagen van de aarde,

zullen zaaitijd en oogsttijd, koude en hitte,

zomer en winter, dag en nacht niet ophouden.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]