Herziene Statenvertaling (HSV)
5

Geslachtsregister van Adam tot Noach

51Dit is het boek van de afstammelingen van Adam. Op de dag dat God Adam schiep, maakte Hij hem

5:1
Gen. 1:26
9:6
1 Kor. 11:7
naar de gelijkenis van God.

2

5:2
Gen. 1:26
Matt. 19:4
Mark. 10:6
Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen, en Hij zegende hen en gaf hun de naam mens, op de dag dat ze geschapen werden.

3Adam leefde honderddertig jaar, en verwekte een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn beeld; en hij gaf hem de naam Seth.

4Adams dagen waren,

5:4
1 Kron. 1:1
nadat hij Seth verwekt had, achthonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

5Al de dagen dat Adam leefde, waren negenhonderddertig jaar; en hij stierf.

6Seth leefde honderdvijf jaar,

5:6
Gen. 4:26
en verwekte Enos.

7En Seth leefde, nadat hij Enos verwekt had, achthonderdzeven jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

8Al de dagen van Seth waren negenhonderdtwaalf jaar; en hij stierf.

9Enos leefde negentig jaar, en verwekte

5:9
1 Kron. 1:2
Kenan.

10En Enos leefde, nadat hij Kenan verwekt had, achthonderdvijftien jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

11Al de dagen van Enos waren negenhonderdvijf jaar; en hij stierf.

12Kenan leefde zeventig jaar, en verwekte Mahalaleël.

13En Kenan leefde, nadat hij Mahalaleël verwekt had, achthonderdveertig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

14Al de dagen van Kenan waren negenhonderdtien jaar; en hij stierf.

15Mahalaleël leefde vijfenzestig jaar, en verwekte Jered.

16En Mahalaleël leefde, nadat hij Jered verwekt had, achthonderddertig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

17Al de dagen van Mahalaleël waren achthonderdvijfennegentig jaar; en hij stierf.

18Jered leefde honderdtweeënzestig jaar, en verwekte

5:18
1 Kron. 1:3
Henoch.

19En Jered leefde, nadat hij Henoch verwekt had, achthonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

20Al de dagen van Jered waren negenhonderdtweeënzestig jaar; en hij stierf.

21

5:21
Judas vs.
Henoch leefde vijfenzestig jaar, en verwekte Methusalach.

22En Henoch

5:22
Hebr. 11:5
wandelde met God, nadat hij Methusalach verwekt had, driehonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

23Al de dagen van Henoch waren driehonderdvijfenzestig jaar.

24Henoch wandelde met God, en hij was niet meer,

5:24
2 Kon. 2:11
Hebr. 11:5
want God nam hem weg.

25Methusalach leefde honderdzevenentachtig jaar, en verwekte Lamech.

26En Methusalach leefde, nadat hij Lamech verwekt had, zevenhonderdtweeëntachtig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

27Al de dagen van Methusalach waren negenhonderdnegenenzestig jaar; en hij stierf.

28Lamech leefde honderdtweeëntachtig jaar, en verwekte een zoon.

29En hij gaf hem de naam Noach,5:29 Noach - Er is een woordspel tussen de naam Noach ‘rust’ en het Hebreeuwse woord voor ‘troosten’. en zei: Deze zal ons troosten over ons werk en over het zwoegen van onze handen, vanwege de aardbodem, die door de HEERE vervloekt is.

30En Lamech leefde, nadat hij Noach verwekt had, vijfhonderdvijfennegentig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

31Al de dagen van Lamech waren zevenhonderdzevenenzeventig jaar; en hij stierf.

32Toen Noach vijfhonderd jaar oud was, verwekte Noach Sem, Cham en Jafeth.

6

Voorzegging van de zondvloed

61En het gebeurde, toen de mensen zich op de aardbodem begonnen te vermenigvuldigen en er dochters bij hen geboren werden,

2dat Gods zonen de dochters van de mensen zagen dat zij mooi waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die zij uitgekozen hadden.

3Toen zei de HEERE: Mijn Geest zal niet voor eeuwig met de mens twisten, omdat ook hij vlees is, maar zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn.

4In die dagen, en ook daarna, waren er reuzen op de aarde, toen Gods zonen bij de dochters van de mensen waren gekomen en die kinderen voor hen baarden; dit zijn de geweldenaars van oude tijden af, mannen van naam.

5En de HEERE zag dat de slechtheid van de mens op de aarde groot was, en dat

6:5
Gen. 8:21
Job 15:16
Spr. 6:14
Jer. 17:9
Matt. 15:19
Rom. 3:10,11,12
8:6
al de gedachtespinsels van zijn hart elke dag alleen maar slecht waren.

6Toen kreeg de HEERE er berouw over dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het bedroefde Hem in Zijn hart.

7En de HEERE zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem verdelgen, van de mens tot het vee, tot de kruipende dieren en tot de vogels in de lucht toe, want Ik heb er berouw over dat Ik hen gemaakt heb.

8Maar Noach vond genade in de ogen van de HEERE.

Opdracht tot de bouw van de ark

9Dit zijn de afstammelingen van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man onder zijn tijdgenoten.

6:9
Gen. 5:22
Noach wandelde met God.

10En Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.

11Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht en de aarde was vol met geweld.

12Toen zag God de aarde, en zie, zij was verdorven; want alle vlees had een verdorven levenswandel6:12 had een verdorven levenswandel - Letterlijk: had zijn weg verdorven. op de aarde.

13Daarom zei God tegen Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen, want de aarde is door hen vervuld met geweld; en zie, Ik ga hen met de aarde te gronde richten.

14Maak voor uzelf een ark van goferhout. In vakken ingedeeld moet u deze ark maken en hem vanbinnen en vanbuiten met pek bestrijken.

15Zo moet u hem maken: driehonderd el moet de lengte van de ark zijn, vijftig el zijn breedte en dertig el zijn hoogte.

16U moet een lichtopening in de ark maken, en de ark afwerken tot op een el van boven; en de deur van de ark moet u aan de zijkant plaatsen. U moet er een onderste, een tweede en een derde verdieping in maken.

17En Ik, zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen om alle vlees waarin een levensgeest is, van onder de hemel te gronde te richten; alles wat op de aarde is, zal de geest geven.

18Maar met u zal Ik Mijn verbond maken; en

6:18
1 Petr. 3:20
2 Petr. 2:5
u moet in de ark gaan, u, uw zonen, uw vrouw en de vrouwen van uw zonen met u.

19En u moet van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk in de ark laten komen om ze met u in leven te houden: een mannetje en een vrouwtje moeten het zijn.

20Van de vogels naar hun soort, van het vee naar zijn soort, en van de kruipende dieren van de aardbodem naar hun soort, zullen er twee naar u toe komen, om ze in leven te houden.

21En u, neem voor uzelf van al het voedsel dat gegeten wordt, en verzamel dat bij u, zodat het voor u en voor hen tot voedsel zal zijn.

22En Noach deed het;

6:22
Gen. 7:5
Hebr. 11:7
overeenkomstig alles wat God hem geboden had, zo deed hij.

7

De zondvloed

71Daarna zei de HEERE tegen

7:1
2 Petr. 2:5
Noach: Ga in de ark, u en heel uw gezin, want Ik heb gezien dat
7:1
Gen. 6:9
u te midden van uw tijdgenoten voor Mijn aangezicht rechtvaardig bent.

2

7:2
Lev. 11
U moet voor uzelf van alle reine dieren zeven paar7:2 zeven paar - Letterlijk: zeven zeven; zie ook vers 3. nemen, een mannetje en zijn vrouwtje; maar van de dieren die niet rein zijn, één paar, een mannetje en zijn vrouwtje;

3ook van de vogels in de lucht zeven paar, mannelijk en vrouwelijk, om de soort7:3 soort - Letterlijk: zaad of nageslacht. op heel de aarde in leven te houden.

4Want over nog zeven dagen zal Ik het op de aarde veertig dagen en veertig nachten laten regenen; en Ik zal al wat bestaat, wat Ik gemaakt heb, van de aardbodem verdelgen.

5

7:5
Gen. 6:22
En Noach deed overeenkomstig alles wat de HEERE hem geboden had.

6Noach was zeshonderd jaar oud toen de watervloed over de aarde kwam.

7Toen

7:7
Matt. 24:38
Luk. 17:27
1 Petr. 3:20
ging Noach met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen met hem in de ark, vanwege het water van de vloed.

8Van de reine dieren, van de dieren die niet rein waren, van de vogels en van alles wat over de aardbodem kruipt,

9kwamen er twee aan twee naar Noach in de ark, mannelijk en vrouwelijk, zoals God aan Noach geboden had.

10En het gebeurde na die zeven dagen dat het water van de vloed over de aarde kwam.

11In het zeshonderdste levensjaar van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, op die dag zijn alle bronnen van de grote watervloed opengebarsten en de sluizen van de hemel opengezet.

12En er was regen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten.

13Op diezelfde dag gingen Noach en Sem, Cham en Jafeth, de zonen van Noach, en ook Noachs vrouw en de drie vrouwen van zijn zonen met hen in de ark,

14zij, en al de wilde dieren naar hun soort, al het vee naar zijn soort, alle kruipende dieren, die over de aarde kruipen, naar hun soort, en alle vogels naar hun soort, al wat gevleugeld is.

15En van alle vlees waar een levensgeest in was, kwamen ze naar Noach in de ark, twee aan twee.

16En die kwamen, kwamen als mannelijk en vrouwelijk, van alle vlees, zoals God hem geboden had. En de HEERE sloot de deur achter hem toe.

17En de vloed was veertig dagen op de aarde, en het water nam toe en hief de ark omhoog, zodat hij van de aarde oprees.

18En het water steeg en nam sterk toe op de aarde; en de ark dreef op het water.

19Het water steeg meer en meer op de aarde, zodat alle hoge bergen die onder heel de hemel zijn, bedekt werden.

20Nog vijftien el daarboven steeg het water, en de bergen werden bedekt.

21

7:21
Luk. 17:27
En alle vlees dat zich op de aarde bewoog, gaf de geest: de vogels, het vee, de wilde dieren en alle kruipende dieren, die over de aarde kropen, en alle mensen.

22Alles met levensadem7:22 levensadem - Letterlijk: adem van levensgeest. in zijn neusgaten van alles wat op het droge leefde, stierf.

23Zo verdelgde Hij alles wat bestond, wat op de aardbodem was, van mens tot dier, tot kruipende dieren en vogels in de lucht; verdelgd werden zij van de aarde.

7:23
2 Petr. 2:5
Alleen Noach bleef over, en wat met hem in de ark was.

24En het water had honderdvijftig dagen lang de overhand op de aarde.