Herziene Statenvertaling (HSV)
4

Kaïn en Abel

41En Adam had gemeenschap met Eva,4:1 had gemeenschap met Eva - Letterlijk: hij kende Eva; zie ook de verzen 17 en 25. zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Kaïn,4:1 Kaïn betekent: gekregen. en zei: Ik heb een man van de HEERE gekregen!

2En zij baarde opnieuw: zijn broer Abel. Abel werd herder van kleinvee en Kaïn werd bewerker van de aardbodem.

3En het gebeurde na verloop van dagen dat Kaïn van de opbrengst van de aardbodem aan de HEERE een offer bracht.

4Ook Abel bracht een offer, van de eerstgeborenen van zijn kleinvee en van hun vet.

4:4
Hebr. 11:4
De HEERE nu sloeg acht op Abel en op zijn offer,

5maar op Kaïn en op zijn offer sloeg Hij geen acht. Toen ontstak Kaïn in grote woede en liet hij zijn hoofd4:5 Letterlijk: gezicht, zie ook vers 6. zakken.

6En de HEERE zei tegen Kaïn: Waarom bent u in woede ontstoken en waarom heeft u uw hoofd laten zakken?

7Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen? Maar als u niet het goede doet, ligt de zonde aan de deur. Naar u gaat zijn begeerte uit, maar ú moet over hem heersen.

8En Kaïn sprak met zijn broer Abel. En het gebeurde, toen zij op het veld waren, dat Kaïn zijn broer Abel aanviel

4:8
Matt. 23:35
1 Joh. 3:12
en hem doodde.

9En de HEERE zei tegen Kaïn: Waar is Abel, uw broer? En hij zei: Ik weet het niet; ben ik de hoeder van mijn broer?

10En Hij zei: Wat hebt u gedaan!

4:10
Hebr. 12:24
Er is een stem van het bloed van uw broer, dat van de aardbodem tot Mij roept.

11Nu dan, u bent vervloekt, weg van de aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan om het bloed van uw broer uit uw hand op te nemen.

12Als u de aardbodem bewerkt, zal die u zijn volle opbrengst niet meer geven;

4:12
Spr. 28:17
u zult dolend en dwalend over de aarde gaan.

13En Kaïn zei tegen de HEERE: Mijn misdaad is te groot om vergeven te worden.4:13 Mijn misdaad … te worden - Of: mijn schuld is te groot om te dragen.

14Zie, U verdrijft mij heden van het aangezicht van de aardbodem en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn en dolend en dwalend over de aarde gaan;

4:14
Job 15:20,21
en het zal zo zijn dat al wie mij tegenkomt, mij zal doden.

15Maar de HEERE zei tegen hem: Daarom zal al wie Kaïn doodt zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE merkte Kaïn met een teken, zodat niemand die hem tegenkwam, hem zou doden.

16Toen ging Kaïn weg van het aangezicht van de HEERE; en hij woonde in het land Nod,4:16 Nod betekent: dwalen. ten oosten van Eden.

Nageslacht van Kaïn

17En Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Henoch. Kaïn was een stad aan het bouwen, en hij noemde de naam van die stad naar de naam van zijn zoon, Henoch.

18En bij Henoch werd Hirad geboren; en Hirad verwekte Mechujaël; en Mechujaël verwekte Methusaël; en Methusaël verwekte Lamech.

19Lamech nam voor zichzelf twee vrouwen; de naam van de ene was Ada, en de naam van de andere Zilla.

20Ada baarde Jabal; die werd de vader van wie tenten bewonen en vee houden.

21En de naam van zijn broer was Jubal. Deze werd de vader van allen die harp en fluit kunnen bespelen.

22Ook Zilla baarde: Tubal Kaïn, een smid, vader van alle koper- en ijzerbewerkers; en de zuster van Tubal Kaïn was Naëma.

23En Lamech zei tegen zijn vrouwen:

Ada en Zilla, luister naar mijn stem,

vrouwen van Lamech, hoor mijn woorden aan:

Voorzeker! Ik doodde een man om mijn wond

en een jongen om mijn striem!

24Want Kaïn wordt

4:24
Vers
zevenvoudig gewroken,

maar Lamech zeventig maal zevenmaal.

Nageslacht van Seth

25En Adam had opnieuw gemeenschap met zijn vrouw en zij baarde een zoon, en zij gaf hem de naam Seth.4:25 Seth betekent: zetting. Want, zei ze, God heeft mij ander nageslacht gegeven4:25 gegeven - Letterlijk: gezet. in de plaats van Abel; Kaïn heeft hem immers gedood.

26En ook bij Seth werd een zoon geboren, en hij gaf hem de naam Enos. Toen begon men de Naam van de HEERE aan te roepen.

5

Geslachtsregister van Adam tot Noach

51Dit is het boek van de afstammelingen van Adam. Op de dag dat God Adam schiep, maakte Hij hem

5:1
Gen. 1:26
9:6
1 Kor. 11:7
naar de gelijkenis van God.

2

5:2
Gen. 1:26
Matt. 19:4
Mark. 10:6
Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen, en Hij zegende hen en gaf hun de naam mens, op de dag dat ze geschapen werden.

3Adam leefde honderddertig jaar, en verwekte een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn beeld; en hij gaf hem de naam Seth.

4Adams dagen waren,

5:4
1 Kron. 1:1
nadat hij Seth verwekt had, achthonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

5Al de dagen dat Adam leefde, waren negenhonderddertig jaar; en hij stierf.

6Seth leefde honderdvijf jaar,

5:6
Gen. 4:26
en verwekte Enos.

7En Seth leefde, nadat hij Enos verwekt had, achthonderdzeven jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

8Al de dagen van Seth waren negenhonderdtwaalf jaar; en hij stierf.

9Enos leefde negentig jaar, en verwekte

5:9
1 Kron. 1:2
Kenan.

10En Enos leefde, nadat hij Kenan verwekt had, achthonderdvijftien jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

11Al de dagen van Enos waren negenhonderdvijf jaar; en hij stierf.

12Kenan leefde zeventig jaar, en verwekte Mahalaleël.

13En Kenan leefde, nadat hij Mahalaleël verwekt had, achthonderdveertig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

14Al de dagen van Kenan waren negenhonderdtien jaar; en hij stierf.

15Mahalaleël leefde vijfenzestig jaar, en verwekte Jered.

16En Mahalaleël leefde, nadat hij Jered verwekt had, achthonderddertig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

17Al de dagen van Mahalaleël waren achthonderdvijfennegentig jaar; en hij stierf.

18Jered leefde honderdtweeënzestig jaar, en verwekte

5:18
1 Kron. 1:3
Henoch.

19En Jered leefde, nadat hij Henoch verwekt had, achthonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

20Al de dagen van Jered waren negenhonderdtweeënzestig jaar; en hij stierf.

21

5:21
Judas vs.
Henoch leefde vijfenzestig jaar, en verwekte Methusalach.

22En Henoch

5:22
Hebr. 11:5
wandelde met God, nadat hij Methusalach verwekt had, driehonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

23Al de dagen van Henoch waren driehonderdvijfenzestig jaar.

24Henoch wandelde met God, en hij was niet meer,

5:24
2 Kon. 2:11
Hebr. 11:5
want God nam hem weg.

25Methusalach leefde honderdzevenentachtig jaar, en verwekte Lamech.

26En Methusalach leefde, nadat hij Lamech verwekt had, zevenhonderdtweeëntachtig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

27Al de dagen van Methusalach waren negenhonderdnegenenzestig jaar; en hij stierf.

28Lamech leefde honderdtweeëntachtig jaar, en verwekte een zoon.

29En hij gaf hem de naam Noach,5:29 Noach - Er is een woordspel tussen de naam Noach ‘rust’ en het Hebreeuwse woord voor ‘troosten’. en zei: Deze zal ons troosten over ons werk en over het zwoegen van onze handen, vanwege de aardbodem, die door de HEERE vervloekt is.

30En Lamech leefde, nadat hij Noach verwekt had, vijfhonderdvijfennegentig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

31Al de dagen van Lamech waren zevenhonderdzevenenzeventig jaar; en hij stierf.

32Toen Noach vijfhonderd jaar oud was, verwekte Noach Sem, Cham en Jafeth.

6

Voorzegging van de zondvloed

61En het gebeurde, toen de mensen zich op de aardbodem begonnen te vermenigvuldigen en er dochters bij hen geboren werden,

2dat Gods zonen de dochters van de mensen zagen dat zij mooi waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die zij uitgekozen hadden.

3Toen zei de HEERE: Mijn Geest zal niet voor eeuwig met de mens twisten, omdat ook hij vlees is, maar zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn.

4In die dagen, en ook daarna, waren er reuzen op de aarde, toen Gods zonen bij de dochters van de mensen waren gekomen en die kinderen voor hen baarden; dit zijn de geweldenaars van oude tijden af, mannen van naam.

5En de HEERE zag dat de slechtheid van de mens op de aarde groot was, en dat

6:5
Gen. 8:21
Job 15:16
Spr. 6:14
Jer. 17:9
Matt. 15:19
Rom. 3:10,11,12
8:6
al de gedachtespinsels van zijn hart elke dag alleen maar slecht waren.

6Toen kreeg de HEERE er berouw over dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het bedroefde Hem in Zijn hart.

7En de HEERE zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem verdelgen, van de mens tot het vee, tot de kruipende dieren en tot de vogels in de lucht toe, want Ik heb er berouw over dat Ik hen gemaakt heb.

8Maar Noach vond genade in de ogen van de HEERE.

Opdracht tot de bouw van de ark

9Dit zijn de afstammelingen van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man onder zijn tijdgenoten.

6:9
Gen. 5:22
Noach wandelde met God.

10En Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.

11Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht en de aarde was vol met geweld.

12Toen zag God de aarde, en zie, zij was verdorven; want alle vlees had een verdorven levenswandel6:12 had een verdorven levenswandel - Letterlijk: had zijn weg verdorven. op de aarde.

13Daarom zei God tegen Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen, want de aarde is door hen vervuld met geweld; en zie, Ik ga hen met de aarde te gronde richten.

14Maak voor uzelf een ark van goferhout. In vakken ingedeeld moet u deze ark maken en hem vanbinnen en vanbuiten met pek bestrijken.

15Zo moet u hem maken: driehonderd el moet de lengte van de ark zijn, vijftig el zijn breedte en dertig el zijn hoogte.

16U moet een lichtopening in de ark maken, en de ark afwerken tot op een el van boven; en de deur van de ark moet u aan de zijkant plaatsen. U moet er een onderste, een tweede en een derde verdieping in maken.

17En Ik, zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen om alle vlees waarin een levensgeest is, van onder de hemel te gronde te richten; alles wat op de aarde is, zal de geest geven.

18Maar met u zal Ik Mijn verbond maken; en

6:18
1 Petr. 3:20
2 Petr. 2:5
u moet in de ark gaan, u, uw zonen, uw vrouw en de vrouwen van uw zonen met u.

19En u moet van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk in de ark laten komen om ze met u in leven te houden: een mannetje en een vrouwtje moeten het zijn.

20Van de vogels naar hun soort, van het vee naar zijn soort, en van de kruipende dieren van de aardbodem naar hun soort, zullen er twee naar u toe komen, om ze in leven te houden.

21En u, neem voor uzelf van al het voedsel dat gegeten wordt, en verzamel dat bij u, zodat het voor u en voor hen tot voedsel zal zijn.

22En Noach deed het;

6:22
Gen. 7:5
Hebr. 11:7
overeenkomstig alles wat God hem geboden had, zo deed hij.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]