Herziene Statenvertaling (HSV)
45

Jozef maakt zich bekend

451Toen kon Jozef zich niet meer bedwingen voor allen die bij hem stonden, en hij riep: Laat iedereen van mij weggaan. Er stond niemand bij hem, toen Jozef zich aan zijn broers bekendmaakte.

2Hij huilde zo luid45:2 Hij huilde … luid - Letterlijk: Hij gaf zijn stem in gehuil. dat de Egyptenaren en het huis van de farao het hoorden.

3Jozef zei tegen zijn broers: Ik ben Jozef! Leeft mijn vader nog? Maar zijn broers waren niet in staat om hem antwoord te geven, want zij waren door schrik voor hem overmand.

4Jozef zei tegen zijn broers: Kom toch dichter bij me! En zij kwamen dichterbij. Toen zei hij:

45:4
Hand. 7:13
Ik ben Jozef, jullie broer,
45:4
Gen. 37:28
Ps. 105:17
Hand. 7:9
die jullie naar Egypte verkocht hebben.

5Maar nu,

45:5
Gen. 50:19,20,21
wees niet bedroefd en laat jullie ogen niet in toorn ontvlammen omdat jullie mij hiernaartoe hebben verkocht, want God heeft mij vóór jullie uit gezonden tot behoud van jullie leven.

6Deze twee jaren is er immers honger geweest in het midden van het land, en er komen nog vijf jaren waarin er geen ploegen of oogsten zal zijn.

7God heeft mij vóór jullie uit gezonden, om voor jullie een overblijfsel veilig te stellen op aarde, en jullie door een grote uitredding in leven te houden.

8Nu dan, niet jullie hebben mij hiernaartoe gestuurd, maar God. Hij heeft mij aangesteld als een vader voor de farao, als heer over heel zijn huis en als heerser over heel het land Egypte.

9Maak haast, ga naar mijn vader en zeg tegen hem: Dit zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot heer over heel Egypte aangesteld; kom naar mij toe, wacht er niet mee.45:9 wacht er niet mee - Letterlijk: blijf niet staan.

10U kunt in het land Gosen wonen. Dan zult u dicht bij mij zijn, u, uw kinderen en kleinkinderen, uw kleinvee, uw runderen en alles wat u hebt.

11Ik zal u daar onderhouden – want er zal nog vijf jaar honger zijn – zodat u niet verarmt, u, uw huis en alles wat u hebt.

12Zie, jullie ogen zien het, en de ogen van mijn broer Benjamin zien het, dat mijn mond tot jullie spreekt.

13Vertel mijn vader over al mijn eer in Egypte en over alles wat jullie gezien hebben. Haast je en

45:13
Hand. 7:14
breng mijn vader hierheen.

14Toen viel hij zijn broer Benjamin om de hals en huilde, en ook Benjamin huilde terwijl hij hem omhelsde.45:14 terwijl hij hem omhelsde - Letterlijk: aan zijn hals.

15Vervolgens kuste hij al zijn broers en hij huilde met hen; daarna durfden zijn broers met hem te spreken.

16Toen het gerucht dat de broers van Jozef gekomen waren, in het huis van de farao gehoord werd, was het goed in de ogen van de farao en in de ogen van zijn dienaren.

17En de farao zei tegen Jozef: Zeg tegen uw broers: Doe dit: bepak uw dieren en ga op weg45:17 en ga op weg - Letterlijk: en ga, kom. naar het land Kanaän,

18haal uw vader en uw gezinnen op en kom naar mij toe. Ik zal u het beste deel van het land Egypte geven en u zult het voortreffelijkste van het land eten.

19En u hebt de bevoegdheid;45:19 En u hebt de bevoegdheid - Letterlijk: En u bent bevolen. doe dit: Neem uit het land Egypte wagens mee voor uw kleine kinderen en voor uw vrouwen. Vervoer ook uw vader ermee en kom.

20Laat uw oog uw huisraad niet ontzien, want het beste van heel het land Egypte, dat is voor u.

21Zo deden de zonen van Israël. En Jozef gaf hun wagens, naar het bevel van de farao; ook gaf hij hun proviand voor onderweg.

22Hij gaf hun allen, iedereen, een stel kleren; Benjamin gaf hij echter driehonderd zilverstukken en vijf stel kleren.

23En aan zijn vader stuurde hij evenzo tien ezels, die van het beste van Egypte droegen, en tien ezelinnen, die koren en brood droegen, en proviand voor zijn vader voor onderweg.

24En hij stuurde zijn broers op weg, en zij gingen; en hij zei tegen hen: Maak onderweg geen ruzie.

25Zij trokken weg uit Egypte en kwamen weer bij hun vader Jakob in het land Kanaän.

26Toen vertelden zij hem: Jozef leeft nog! Hij is zelfs heerser over heel het land Egypte! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet.

27Maar toen zij hem alle woorden overgebracht hadden die Jozef tot hen gesproken had, en toen hij de wagens zag die Jozef gestuurd had om hem te vervoeren, leefde de geest van hun vader Jakob op.

28En Israël zei: Genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog! Ik zal gaan, ik wil hem zien voordat ik sterf.

46

Jakob gaat naar Egypte

461Israël brak op met alles wat hij had, en hij kwam in Berseba; daar bracht hij offers aan de God van zijn vader Izak.

2En God sprak tot Israël door nachtelijke visioenen en zei: Jakob! Jakob! En hij zei: Zie, hier ben ik.

3En Hij zei:

46:3
Gen. 26:24
28:13
32:9
Ik ben God, de God van uw vader; wees niet bevreesd om naar Egypte te trekken,
46:3
Gen. 13:16
16:10
17:2
22:17
26:24
35:11
48:4
want Ik zal u daar tot een groot volk maken.

4

46:4
Num. 20:15
Deut. 10:22
Joz. 24:4,5,6
Ps. 105:23,24Jes. 52:4
Hos. 11:1
Ik zal met u meetrekken naar Egypte en Ik zal u ook zeker doen terugkeren; en Jozef zal uw ogen sluiten.46:4 uw ogen sluiten - Letterlijk: zijn hand op uw ogen leggen.

5

46:5
Hand. 7:15
Toen stond Jakob op en vertrok uit Berseba, en de zonen van Israël vervoerden hun vader Jakob, hun kleine kinderen en hun vrouwen op de wagens die de farao gestuurd had om hem te vervoeren.

6Hun vee en hun bezittingen die zij in het land Kanaän verworven hadden, namen zij mee; en zij kwamen in Egypte aan, Jakob en heel zijn nageslacht met hem.

7Zijn zonen en zijn kleinzonen met hem, zijn dochters, zijn kleindochters en heel zijn nageslacht bracht hij met zich mee naar Egypte.

8

46:8
Ex. 1:2
6:13
Num. 26:5
1 Kron. 5:16:17:18:1
Dit zijn de namen van de zonen van Israël die naar Egypte kwamen, Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben.

9De zonen van Ruben: Hanoch, Pallu, Hezron en Charmi.

10

46:10
Ex. 6:14
1 Kron. 4:24
De zonen van Simeon: Jemuel, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar en Saul, de zoon van een Kanaänitische vrouw.

11

46:11
1 Kron. 6:1
De zonen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.

12

46:12
Gen. 38:3,4,5
De zonen van Juda: Er, Onan, Sela, Perez en Zerah. Er en Onan waren echter in het land Kanaän gestorven.
46:12
1 Kron. 2:5
De zonen van Perez waren Hezron en Hamul.

13De zonen van Issaschar: Tola, Pua, Job en Simron.

14De zonen van Zebulon: Sered, Elon en Jahleël.

15Dit waren de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-Aram, met Dina, zijn dochter. Het totale aantal zielen van zijn zonen en dochters was drieëndertig.

16

46:16
1 Kron. 5:11
De zonen van Gad: Zifjon, Haggi, Suni, Ezbon, Eri, Arodi en Areli.

17

46:17
1 Kron. 7:30
De zonen van Aser: Jimna, Jisva, Jisvi, Beria, en Serah, hun zuster. De zonen van Beria: Heber en Malchiël.

18Dit waren de zonen van Zilpa.

46:18
Gen. 29:24
Haar had Laban aan zijn dochter Lea gegeven. Zij baarde hen bij Jakob: zestien zielen.

19De zonen van Rachel, de vrouw van Jakob: Jozef en Benjamin.

20In het land Egypte werden bij

46:20
Gen. 41:50
48:5
Jozef Manasse en Efraïm geboren, die Asnath, de dochter van Potifera, een priester uit On, hem baarde.

21

46:21
1 Kron. 7:6
8:1
De zonen van Benjamin: Bela, Becher, Asbel, Gera, Naäman, Echi, Ros, Muppim, Huppim en Ard.

22Dit waren de zonen van Rachel, die bij Jakob geboren zijn, bij elkaar veertien zielen.

23De zonen van Dan: Husim.

24

46:24
1 Kron. 7:13
De zonen van Naftali: Jahzeël, Guni, Jezer en Sillem.

25Dit waren de zonen van Bilha.

46:25
Gen. 29:29
Haar had Laban aan zijn dochter Rachel gegeven. Zij baarde hen bij Jakob: bij elkaar zeven zielen.

26Het totale aantal zielen die met Jakob naar Egypte kwamen en die van hem afstamden,46:26 die van hem afstamden - Letterlijk: die uit zijn heup waren gekomen. afgezien van de vrouwen van de zonen van Jakob, was bij elkaar zesenzestig zielen.

27De zonen van Jozef, die bij hem in Egypte geboren waren: twee zielen.

46:27
Deut. 10:22
Hand. 7:14
Het totale aantal zielen die tot het huis van Jakob behoorden en die naar Egypte kwamen, was zeventig.

Jakob ziet Jozef terug

28Jakob stuurde Juda vóór zich uit naar Jozef om hem de weg te laten wijzen naar Gosen. Toen zij in het land Gosen aangekomen waren,

29spande Jozef zijn wagen in en ging naar Gosen, zijn vader Israël tegemoet. Toen hij voor hem verscheen, viel hij hem om de hals en huilde hij lange tijd aan zijn hals.

30Toen zei Israël tegen Jozef: Nu kan ik sterven, nu ik jouw gezicht weer gezien heb, want je leeft nog.

31Daarop zei Jozef tegen zijn broers en tegen het huis van zijn vader: Ik ga het aan de farao vertellen. Ik zal tegen hem zeggen: Mijn broers en het huis van mijn vader, die in het land Kanaän woonden, zijn naar mij toe gekomen.

32De mannen zijn herders van kleinvee, want zij zijn altijd veehouders geweest. Zij hebben hun kleinvee en hun runderen, en alles wat zij hebben, meegebracht.

33Wanneer het zal gebeuren dat de farao u roept en vraagt: Wat is uw beroep?

34dan moet u zeggen: Uw dienaren zijn altijd veehouders geweest, van onze jeugd af aan tot nu toe, zowel wij als onze vaderen. Dan zult u in de landstreek Gosen mogen wonen,

46:34
Gen. 43:32
Ex. 8:26
want elke herder van kleinvee is voor de Egyptenaren een gruwel.

47

Jakob ontmoet de farao

471Toen kwam Jozef en vertelde de farao, en zei: Mijn vader en mijn broers zijn met hun kleinvee, hun runderen en alles wat zij hebben, uit het land Kanaän gekomen;

47:1
Gen. 45:10
zie, zij zijn nu in de landstreek Gosen.

2Hij had een deel van zijn broers meegenomen, te weten vijf man, en stelde hen aan de farao voor.

3Toen zei de farao tegen zijn broers: Wat is uw beroep? Zij zeiden tegen de farao:

47:3
Gen. 46:34
Uw dienaren zijn herders van kleinvee, zowel wij als onze vaderen.

4Verder zeiden ze tegen de farao: Wij zijn gekomen om als vreemdeling in dit land te wonen, want er is geen weidegrond meer voor het kleinvee dat aan uw dienaren toebehoort, omdat de honger zwaar is in het land Kanaän. Nu dan, laat uw dienaren toch in de landstreek Gosen wonen.

5Toen zei de farao tegen Jozef: Uw vader en uw broers zijn naar u toe gekomen.

6Het land Egypte, dat ligt voor u open. Laat uw vader en uw broers in het beste deel van het land wonen; ze mogen in de landstreek Gosen wonen. En als u merkt dat er onder hen bekwame mannen47:6 bekwame mannen - Letterlijk: mannen van vermogen. zijn, stel die dan aan tot opzichters over het vee dat mij toebehoort.

7Jozef bracht zijn vader Jakob mee en stelde hem aan de farao voor; en Jakob zegende de farao.

8De farao zei tegen Jakob: Hoe groot is het aantal van uw levensjaren?47:8 is het aantal van uw levensjaren? - Letterlijk: … zijn de dagen van de jaren van uw leven? Zie ook vers 9.

9Jakob zei tegen de farao: Het aantal van de jaren

47:9
Ps. 119:19
Hebr. 11:9,13
van mijn vreemdelingschap is honderddertig jaar. Weinig in getal en vol kwaad zijn mijn levensjaren geweest, en zij hebben het aantal van de levensjaren van mijn vaderen in de dagen van hun vreemdelingschap niet bereikt.

10En Jakob zegende de farao en ging weer bij de farao weg.

11Jozef zorgde voor woonplaatsen voor zijn vader en zijn broers en gaf hun grondbezit in het land Egypte, in het beste deel van het land, namelijk in de landstreek Rameses, zoals de farao geboden had.

12Jozef onderhield zijn vader, zijn broers en heel het huis van zijn vader met voedsel, tot de mond van de kleine kinderen toe.

Jozef houdt het volk in leven

13Er was in heel het land geen brood meer, want de honger was zeer zwaar, en het land Egypte en het land Kanaän raakten uitgeput door de honger.

14In ruil voor het koren dat men kocht, zamelde Jozef al het geld in dat in het land Egypte en in het land Kanaän te vinden was. Jozef bracht dat geld naar het huis van de farao.

15Toen nu het geld uit het land Egypte en uit het land Kanaän op was, kwamen alle Egyptenaren naar Jozef en zeiden: Geef ons brood! Waarom zouden we in uw aanwezigheid moeten sterven? Het geld is immers op!

16Jozef zei: Geef uw vee; ik zal u brood geven in ruil voor vee, als uw geld op is.

17Toen brachten zij hun vee naar Jozef, en Jozef gaf hun brood in ruil voor paarden, kleinvee, runderen47:17 kleinvee, runderen - Letterlijk: vee van kleinvee en vee van runderen. en ezels. In dat jaar voorzag hij hen van brood in ruil voor al hun vee.

18Toen dat jaar voorbij was, kwamen zij in het tweede jaar naar hem toe en zeiden tegen hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verbergen dat, nu het geld op is en nu de veestapel aan mijn heer is toegekomen, er voor mijn heer niets anders overgebleven is dan ons lichaam en onze grond.

19Waarom zouden wij voor uw ogen sterven, zowel wij als onze grond? Koop ons en onze grond in ruil voor brood, dan zullen wij en onze grond de farao dienstbaar zijn. Geef ons ook zaad, zodat wij in leven kunnen blijven en niet sterven, en de grond niet woest wordt.

20Zo kocht Jozef voor de farao al de grond in Egypte, want de Egyptenaren verkochten allen hun akker, omdat de honger hun te sterk was geworden. Zo werd het land het eigendom van de farao.

21En wat het volk betreft, dat liet hij overbrengen naar de steden, van het ene einde van het gebied van Egypte tot het andere einde ervan.

22Alleen de grond van de priesters kocht hij niet, want de priesters kregen een vaste toelage van de farao. Zij aten van hun vaste toelage, die de farao hun gaf. Daarom hoefden zij hun grond niet te verkopen.

23Toen zei Jozef tegen het volk: Zie, ik heb heden u en uw grond voor de farao gekocht. Zie, hier is zaad voor u, zodat u de grond kunt bezaaien.

24Maar met de opbrengsten zal het zo zijn, dat u het vijfde deel aan de farao zult geven, en dat de vier andere delen voor u zullen dienen tot zaad voor de akker, tot voedsel voor u en voor hen die in uw huizen zijn, en tot voedsel voor uw kleine kinderen.

25Zij zeiden toen: U hebt ons in leven gehouden. Laat ons genade vinden in de ogen van mijn heer, en wij zullen slaven van de farao zijn.

26En Jozef maakte dit tot een verordening ten aanzien van de grond in Egypte, tot op deze dag, dat de farao een vijfde deel van de opbrengst kreeg; behalve dat alleen de grond van de priesters niet aan de farao toebehoorde.

27Zo woonde Israël in het land Egypte, in de landstreek Gosen. Daar verwierven zij bezit. Zij waren vruchtbaar en werden zeer talrijk.

Het levenseinde van Jakob nadert

28Jakob leefde nog zeventien jaar in het land Egypte, zodat de dagen van Jakob, de jaren van zijn leven, honderdzevenenveertig jaar waren.

29Toen de dagen voor Israël naderbij kwamen dat hij zou sterven, riep hij zijn zoon Jozef en zei tegen hem: Als ik toch genade in jouw ogen gevonden heb,

47:29
Gen. 24:2
leg dan toch je hand onder mijn heup47:29 leg … je hand onder mijn heup - Dit is een plechtige wijze van eedzweren. en zweer dat je mij goedertierenheid en trouw zult bewijzen. Begraaf mij toch niet in Egypte,

30maar laat mij bij mijn vaderen liggen. Daarom moet je mij uit Egypte vervoeren en mij in hun graf begraven. Hij zei: Ík zal overeenkomstig uw woorden handelen.

31Hij zei: Zweer het mij. En hij zwoer het hem.

47:31
Hebr. 11:21
Toen boog Israël zich neer aan het hoofdeinde van het bed.