Herziene Statenvertaling (HSV)
44

Jozef beproeft zijn broers

441Hij gebood degene die over zijn huis ging: Vul de zakken van deze mannen met voedsel, zoveel als ze kunnen dragen, en stop ieders geld boven in44:1 boven in - Letterlijk: in de mond van; zie ook vers 2 en 8. zijn zak.

2En mijn beker, de zilveren beker, moet u boven in de zak van de jongste leggen, samen met het geld voor zijn koren. Hij handelde in overeenstemming met de woorden van Jozef, die hij gesproken had.

3's Morgens, toen het licht werd, liet men de mannen gaan, hen en hun ezels.

4Zij waren de stad uitgegaan en nog niet ver gekomen, toen Jozef tegen hem die over zijn huis ging, zei: Sta op en achtervolg die mannen. Als u ze ingehaald hebt, moet u tegen hen zeggen: Waarom hebt u kwaad voor goed vergolden?

5Is dit niet de beker waaruit mijn heer drinkt en waarmee hij dingen met zekerheid kan waarnemen? U hebt slecht gehandeld met wat u gedaan hebt.

6En hij haalde hen in en sprak deze woorden tot hen.

7Zij zeiden tegen hem: Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? Er is geen sprake van dat uw dienaren zoiets zouden doen!

8Zie, het geld dat wij boven in onze zakken vonden, hebben wij uit het land Kanaän naar u teruggebracht! Waarom zouden wij dan zilver of goud stelen uit het huis van uw heer?

9Degene van uw dienaren bij wie de beker gevonden wordt, moet sterven; bovendien zullen wij dan zelf slaven van mijn heer worden.

10Daarop zei hij: Welnu dan, overeenkomstig uw woorden, zo zal het zijn. Degene bij wie hij gevonden wordt, zal mijn slaaf zijn, terwijl ú onschuldig zult zijn.

11Zij haastten zich en ieder zette zijn zak op de grond, en ieder opende zijn zak.

12En hij doorzocht ze, beginnend bij de oudste en eindigend bij de jongste; en de beker werd gevonden in de zak van Benjamin.

13Toen scheurden zij hun kleren. Ieder laadde alles weer op zijn ezel en zij keerden terug naar de stad.

14En Juda kwam met zijn broers in het huis van Jozef, die daar nog aanwezig was, en zij wierpen zich voor hem op de grond.

15Jozef zei tegen hen: Wat is dit voor een daad die u verricht hebt? Weet u niet dat een man als ik zoiets met zekerheid kan waarnemen?

16Toen zei Juda: Wat zullen wij tegen mijn heer zeggen? Wat zullen wij spreken? Waarmee kunnen wij ons rechtvaardigen? God heeft de misdaad van uw dienaren aan het licht gebracht. Zie, wij zullen slaven van mijn heer zijn, zowel wij als hij bij wie44:16 bij wie - Letterlijk: in wiens hand; zie ook vers 17. de beker gevonden is.

17Maar hij zei: Er is geen sprake van dat ik zoiets zou doen! De man bij wie de beker gevonden is, zal mijn slaaf zijn, maar u, trek in vrede naar uw vader.

Juda pleit voor Benjamin

18Toen trad Juda op hem toe en zei: Och, mijn heer, laat uw dienaar toch een woord ten aanhoren van mijn heer mogen spreken, en ontsteek niet in woede tegen uw dienaar, want u bent als de farao.

19Mijn heer heeft aan zijn dienaren gevraagd: Hebt u nog een vader of een broer?

20Toen hebben wij tegen mijn heer gezegd: Wij hebben een oude vader, en die heeft een kind van zijn ouderdom, de jongste. Zijn broer is dood, en hij is als enig kind van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.

21Toen hebt u tegen uw dienaren gezegd:

44:21
Gen. 42:15
Breng hem naar mij toe, zodat ik mijn oog op hem kan slaan.

22Wij zeiden toen tegen mijn heer: De jongen kan zijn vader niet verlaten, want als hij zijn vader verlaat, zal deze sterven.

23Toen zei u tegen uw dienaren:

44:23
Gen. 43:3,5
Als uw jongste broer niet met u meetrekt, mag u mij niet meer onder ogen komen.44:23 mij … onder ogen komen - Letterlijk: mijn gezicht zien; zie ook vers 26.

24En het gebeurde, toen wij naar uw dienaar, mijn vader, getrokken waren en wij hem de woorden van mijn heer verteld hadden,

25en onze vader zei: Keer terug, koop wat voedsel voor ons,

26dat wij zeiden: Wij kunnen daar niet heentrekken. Alleen als onze jongste broer bij ons is, zullen wij gaan, want wij mogen die man niet meer onder ogen komen als onze jongste broer niet bij ons is.

27Toen zei uw dienaar, mijn vader, tegen ons: Jullie weten dat mijn vrouw mij twee zonen gebaard heeft.

28De ene is bij mij weggegaan,

44:28
Gen. 37:33
en ik heb gezegd: Hij is vast en zeker verscheurd; ik heb hem tot nu toe niet teruggezien.

29Als jullie nu ook deze zoon van mij afnemen en hem een ongeluk overkomt,

44:29
Gen. 42:38
dan zullen jullie mijn grijze haar van ellende in het graf laten neerdalen.

30En nu, als ik bij uw dienaar, mijn vader, terugkom zonder dat de jongen bij ons is – want hij is met hart en ziel aan hem verbonden44:30 want hij is met hart en ziel aan hem verbonden - Letterlijk: zijn ziel is aan zijn ziel verbonden.

31dan zal het gebeuren dat hij zal sterven als hij ziet dat de jongen er niet bij is. Dan zullen uw dienaren het grijze haar van uw dienaar, onze vader, met verdriet in het graf doen neerdalen.

32Uw dienaar heeft zich namelijk bij mijn vader borg gesteld voor de jongen, door te zeggen:

44:32
Gen. 43:9
Als ik hem niet bij u terugbreng, dan sta ik alle dagen bij mijn vader in de schuld.

33En nu, laat uw dienaar toch in plaats van deze jongen de slaaf van mijn heer blijven, en laat de jongen met zijn broers gaan.

34Hoe zou ik immers bij mijn vader terug kunnen keren, als de jongen niet bij mij is? Anders zou ik de ellende moeten zien die mijn vader zal treffen.

45

Jozef maakt zich bekend

451Toen kon Jozef zich niet meer bedwingen voor allen die bij hem stonden, en hij riep: Laat iedereen van mij weggaan. Er stond niemand bij hem, toen Jozef zich aan zijn broers bekendmaakte.

2Hij huilde zo luid45:2 Hij huilde … luid - Letterlijk: Hij gaf zijn stem in gehuil. dat de Egyptenaren en het huis van de farao het hoorden.

3Jozef zei tegen zijn broers: Ik ben Jozef! Leeft mijn vader nog? Maar zijn broers waren niet in staat om hem antwoord te geven, want zij waren door schrik voor hem overmand.

4Jozef zei tegen zijn broers: Kom toch dichter bij me! En zij kwamen dichterbij. Toen zei hij:

45:4
Hand. 7:13
Ik ben Jozef, jullie broer,
45:4
Gen. 37:28
Ps. 105:17
Hand. 7:9
die jullie naar Egypte verkocht hebben.

5Maar nu,

45:5
Gen. 50:19,20,21
wees niet bedroefd en laat jullie ogen niet in toorn ontvlammen omdat jullie mij hiernaartoe hebben verkocht, want God heeft mij vóór jullie uit gezonden tot behoud van jullie leven.

6Deze twee jaren is er immers honger geweest in het midden van het land, en er komen nog vijf jaren waarin er geen ploegen of oogsten zal zijn.

7God heeft mij vóór jullie uit gezonden, om voor jullie een overblijfsel veilig te stellen op aarde, en jullie door een grote uitredding in leven te houden.

8Nu dan, niet jullie hebben mij hiernaartoe gestuurd, maar God. Hij heeft mij aangesteld als een vader voor de farao, als heer over heel zijn huis en als heerser over heel het land Egypte.

9Maak haast, ga naar mijn vader en zeg tegen hem: Dit zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot heer over heel Egypte aangesteld; kom naar mij toe, wacht er niet mee.45:9 wacht er niet mee - Letterlijk: blijf niet staan.

10U kunt in het land Gosen wonen. Dan zult u dicht bij mij zijn, u, uw kinderen en kleinkinderen, uw kleinvee, uw runderen en alles wat u hebt.

11Ik zal u daar onderhouden – want er zal nog vijf jaar honger zijn – zodat u niet verarmt, u, uw huis en alles wat u hebt.

12Zie, jullie ogen zien het, en de ogen van mijn broer Benjamin zien het, dat mijn mond tot jullie spreekt.

13Vertel mijn vader over al mijn eer in Egypte en over alles wat jullie gezien hebben. Haast je en

45:13
Hand. 7:14
breng mijn vader hierheen.

14Toen viel hij zijn broer Benjamin om de hals en huilde, en ook Benjamin huilde terwijl hij hem omhelsde.45:14 terwijl hij hem omhelsde - Letterlijk: aan zijn hals.

15Vervolgens kuste hij al zijn broers en hij huilde met hen; daarna durfden zijn broers met hem te spreken.

16Toen het gerucht dat de broers van Jozef gekomen waren, in het huis van de farao gehoord werd, was het goed in de ogen van de farao en in de ogen van zijn dienaren.

17En de farao zei tegen Jozef: Zeg tegen uw broers: Doe dit: bepak uw dieren en ga op weg45:17 en ga op weg - Letterlijk: en ga, kom. naar het land Kanaän,

18haal uw vader en uw gezinnen op en kom naar mij toe. Ik zal u het beste deel van het land Egypte geven en u zult het voortreffelijkste van het land eten.

19En u hebt de bevoegdheid;45:19 En u hebt de bevoegdheid - Letterlijk: En u bent bevolen. doe dit: Neem uit het land Egypte wagens mee voor uw kleine kinderen en voor uw vrouwen. Vervoer ook uw vader ermee en kom.

20Laat uw oog uw huisraad niet ontzien, want het beste van heel het land Egypte, dat is voor u.

21Zo deden de zonen van Israël. En Jozef gaf hun wagens, naar het bevel van de farao; ook gaf hij hun proviand voor onderweg.

22Hij gaf hun allen, iedereen, een stel kleren; Benjamin gaf hij echter driehonderd zilverstukken en vijf stel kleren.

23En aan zijn vader stuurde hij evenzo tien ezels, die van het beste van Egypte droegen, en tien ezelinnen, die koren en brood droegen, en proviand voor zijn vader voor onderweg.

24En hij stuurde zijn broers op weg, en zij gingen; en hij zei tegen hen: Maak onderweg geen ruzie.

25Zij trokken weg uit Egypte en kwamen weer bij hun vader Jakob in het land Kanaän.

26Toen vertelden zij hem: Jozef leeft nog! Hij is zelfs heerser over heel het land Egypte! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet.

27Maar toen zij hem alle woorden overgebracht hadden die Jozef tot hen gesproken had, en toen hij de wagens zag die Jozef gestuurd had om hem te vervoeren, leefde de geest van hun vader Jakob op.

28En Israël zei: Genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog! Ik zal gaan, ik wil hem zien voordat ik sterf.

46

Jakob gaat naar Egypte

461Israël brak op met alles wat hij had, en hij kwam in Berseba; daar bracht hij offers aan de God van zijn vader Izak.

2En God sprak tot Israël door nachtelijke visioenen en zei: Jakob! Jakob! En hij zei: Zie, hier ben ik.

3En Hij zei:

46:3
Gen. 26:24
28:13
32:9
Ik ben God, de God van uw vader; wees niet bevreesd om naar Egypte te trekken,
46:3
Gen. 13:16
16:10
17:2
22:17
26:24
35:11
48:4
want Ik zal u daar tot een groot volk maken.

4

46:4
Num. 20:15
Deut. 10:22
Joz. 24:4,5,6
Ps. 105:23,24Jes. 52:4
Hos. 11:1
Ik zal met u meetrekken naar Egypte en Ik zal u ook zeker doen terugkeren; en Jozef zal uw ogen sluiten.46:4 uw ogen sluiten - Letterlijk: zijn hand op uw ogen leggen.

5

46:5
Hand. 7:15
Toen stond Jakob op en vertrok uit Berseba, en de zonen van Israël vervoerden hun vader Jakob, hun kleine kinderen en hun vrouwen op de wagens die de farao gestuurd had om hem te vervoeren.

6Hun vee en hun bezittingen die zij in het land Kanaän verworven hadden, namen zij mee; en zij kwamen in Egypte aan, Jakob en heel zijn nageslacht met hem.

7Zijn zonen en zijn kleinzonen met hem, zijn dochters, zijn kleindochters en heel zijn nageslacht bracht hij met zich mee naar Egypte.

8

46:8
Ex. 1:2
6:13
Num. 26:5
1 Kron. 5:16:17:18:1
Dit zijn de namen van de zonen van Israël die naar Egypte kwamen, Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben.

9De zonen van Ruben: Hanoch, Pallu, Hezron en Charmi.

10

46:10
Ex. 6:14
1 Kron. 4:24
De zonen van Simeon: Jemuel, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar en Saul, de zoon van een Kanaänitische vrouw.

11

46:11
1 Kron. 6:1
De zonen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.

12

46:12
Gen. 38:3,4,5
De zonen van Juda: Er, Onan, Sela, Perez en Zerah. Er en Onan waren echter in het land Kanaän gestorven.
46:12
1 Kron. 2:5
De zonen van Perez waren Hezron en Hamul.

13De zonen van Issaschar: Tola, Pua, Job en Simron.

14De zonen van Zebulon: Sered, Elon en Jahleël.

15Dit waren de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-Aram, met Dina, zijn dochter. Het totale aantal zielen van zijn zonen en dochters was drieëndertig.

16

46:16
1 Kron. 5:11
De zonen van Gad: Zifjon, Haggi, Suni, Ezbon, Eri, Arodi en Areli.

17

46:17
1 Kron. 7:30
De zonen van Aser: Jimna, Jisva, Jisvi, Beria, en Serah, hun zuster. De zonen van Beria: Heber en Malchiël.

18Dit waren de zonen van Zilpa.

46:18
Gen. 29:24
Haar had Laban aan zijn dochter Lea gegeven. Zij baarde hen bij Jakob: zestien zielen.

19De zonen van Rachel, de vrouw van Jakob: Jozef en Benjamin.

20In het land Egypte werden bij

46:20
Gen. 41:50
48:5
Jozef Manasse en Efraïm geboren, die Asnath, de dochter van Potifera, een priester uit On, hem baarde.

21

46:21
1 Kron. 7:6
8:1
De zonen van Benjamin: Bela, Becher, Asbel, Gera, Naäman, Echi, Ros, Muppim, Huppim en Ard.

22Dit waren de zonen van Rachel, die bij Jakob geboren zijn, bij elkaar veertien zielen.

23De zonen van Dan: Husim.

24

46:24
1 Kron. 7:13
De zonen van Naftali: Jahzeël, Guni, Jezer en Sillem.

25Dit waren de zonen van Bilha.

46:25
Gen. 29:29
Haar had Laban aan zijn dochter Rachel gegeven. Zij baarde hen bij Jakob: bij elkaar zeven zielen.

26Het totale aantal zielen die met Jakob naar Egypte kwamen en die van hem afstamden,46:26 die van hem afstamden - Letterlijk: die uit zijn heup waren gekomen. afgezien van de vrouwen van de zonen van Jakob, was bij elkaar zesenzestig zielen.

27De zonen van Jozef, die bij hem in Egypte geboren waren: twee zielen.

46:27
Deut. 10:22
Hand. 7:14
Het totale aantal zielen die tot het huis van Jakob behoorden en die naar Egypte kwamen, was zeventig.

Jakob ziet Jozef terug

28Jakob stuurde Juda vóór zich uit naar Jozef om hem de weg te laten wijzen naar Gosen. Toen zij in het land Gosen aangekomen waren,

29spande Jozef zijn wagen in en ging naar Gosen, zijn vader Israël tegemoet. Toen hij voor hem verscheen, viel hij hem om de hals en huilde hij lange tijd aan zijn hals.

30Toen zei Israël tegen Jozef: Nu kan ik sterven, nu ik jouw gezicht weer gezien heb, want je leeft nog.

31Daarop zei Jozef tegen zijn broers en tegen het huis van zijn vader: Ik ga het aan de farao vertellen. Ik zal tegen hem zeggen: Mijn broers en het huis van mijn vader, die in het land Kanaän woonden, zijn naar mij toe gekomen.

32De mannen zijn herders van kleinvee, want zij zijn altijd veehouders geweest. Zij hebben hun kleinvee en hun runderen, en alles wat zij hebben, meegebracht.

33Wanneer het zal gebeuren dat de farao u roept en vraagt: Wat is uw beroep?

34dan moet u zeggen: Uw dienaren zijn altijd veehouders geweest, van onze jeugd af aan tot nu toe, zowel wij als onze vaderen. Dan zult u in de landstreek Gosen mogen wonen,

46:34
Gen. 43:32
Ex. 8:26
want elke herder van kleinvee is voor de Egyptenaren een gruwel.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]