Herziene Statenvertaling (HSV)
42

Jozefs broers gaan naar Egypte

421Toen Jakob zag dat er koren in Egypte was, zei Jakob tegen zijn zonen: Waarom kijken jullie elkaar aan?

2Verder zei hij: Zie,

42:2
Hand. 7:12
ik heb gehoord dat er koren in Egypte is; trek erheen en koop daar koren voor ons, zodat wij in leven blijven en niet sterven.

3Toen vertrokken tien broers van Jozef om koren uit Egypte te kopen.

4Maar Benjamin, de broer van Jozef, stuurde Jakob niet met zijn broers mee, want hij zei: Anders zou hem een ongeluk kunnen overkomen!

5Zo kwamen de zonen van Israël daar aan om koren te kopen, te midden van anderen die kwamen, want er was hongersnood in het land Kanaän.

6En Jozef, hij was de machthebber over dat land; hij verkocht koren aan de hele bevolking van het land. De broers van Jozef kwamen

42:6
Gen. 37:7
en bogen zich voor hem neer met het gezicht ter aarde.

7Toen Jozef zijn broers zag, herkende hij hen, maar hij deed zich tegenover hen voor als een vreemde en sprak harde woorden tot hen. Hij zei tegen hen: Waar komt u vandaan? Zij zeiden: Uit het land Kanaän, om voedsel te kopen.

8Jozef herkende zijn broers, maar zij herkenden hem niet.

9Toen dacht Jozef

42:9
Gen. 37:5
aan de dromen die hij over hen gekregen had, en hij zei tegen hen: U bent spionnen, u bent gekomen om de onbeschermde plekken van het land te bekijken.

10Zij zeiden tegen hem: Nee, mijn heer, uw dienaren zijn gekomen om voedsel te kopen.

11Wij zijn allemaal zonen van één man; wij zijn eerlijke mensen, uw dienaren zijn geen spionnen.

12Maar hij zei tegen hen: Nee, u bent wél gekomen om de onbeschermde plekken van het land te bekijken.

13Zij zeiden: Wij, uw dienaren, waren twaalf broers, zonen van één man in het land Kanaän; en zie,

42:13
Gen. 43:29
de jongste is heden nog bij onze vader, en een is er niet meer.

14Maar Jozef zei tegen hen: Het is zoals ik tot u gesproken heb: U bent spionnen!

15Hiermee zult u beproefd worden: Zo waar de farao leeft, u zult niet vanhier vertrekken, tenzij dat uw jongste broer hier komt!

16Stuur er een van u terug om uw broer te halen, terwijl u gevangen blijft. Zo zullen uw woorden beproefd worden, om te zien of u de waarheid spreekt. Zo niet, zo waar de farao leeft, dan bent u spionnen!

17En hij hield hen gezamenlijk drie dagen in hechtenis.

18Op de derde dag zei Jozef tegen hen: Doe dit, zodat u in leven blijft, want ik vrees God.

19Als u eerlijke mensen bent, laat dan een van uw broers gevangen blijven in het huis waar u in hechtenis bent. U echter, ga koren brengen om de honger van uw gezinnen te stillen.

20En

42:20
Gen. 43:5
44:23
breng uw jongste broer naar mij toe; dan zullen uw woorden bewaarheid worden, en zult u niet sterven. En zij deden zo.

21Toen zeiden zij tegen elkaar: Werkelijk, wij zijn schuldig vanwege onze broer. Wij zagen zijn zielsbenauwdheid toen hij ons om genade smeekte, maar wij luisterden niet! Daarom komt deze benauwdheid over ons.

22Ruben antwoordde hun:

42:22
Gen. 37:21,22
Heb ik het jullie niet gezegd: Bezondig je niet aan deze jongen! Maar jullie luisterden niet; zie, nu wordt er vergelding geëist voor zijn bloed!

23Zij wisten echter niet dat Jozef het verstond, want er was een tolk tussen hen.

24Toen wendde hij zich van hen af en huilde. Daarna keerde hij naar hen terug en sprak met hen; hij nam Simeon uit hun midden en liet hem voor hun ogen vastbinden.

25Jozef gaf opdracht hun zakken met koren te vullen, bij ieder het geld in zijn zak terug te leggen en hun proviand voor onderweg te geven; en zo deed men voor hen.

26Zij laadden hun koren op hun ezels en gingen vandaar op weg.

27Toen een van hen zijn zak opendeed om in de herberg zijn ezel voer te geven, zag hij zijn geld; zie, het lag boven in42:27 boven in - Letterlijk: in de mond van. zijn zak!

28Hij zei tegen zijn broers: Mijn geld is teruggelegd! Zie toch, het zit in mijn zak! Toen ontzonk hun de moed,42:28 de moed - Letterlijk: het hart. en bevend zeiden zij tegen elkaar: Wat is dit dat God ons heeft aangedaan?

29En zij kwamen in het land Kanaän bij hun vader Jakob, en zij vertelden hem al wat hun overkomen was:

30Die man, de heer van dat land, sprak harde woorden tegen ons en hield ons voor spionnen van het land.

31Maar wij zeiden tegen hem: Wij zijn eerlijke mensen, wij zijn geen spionnen.

32Wij waren twaalf broers, zonen van onze vader; een is er niet meer, en de jongste is heden nog bij onze vader in het land Kanaän.

33Toen zei die man, de heer van dat land, tegen ons: Hierdoor zal ik te weten komen dat u eerlijke mensen bent: laat een van uw broers bij mij, neem koren mee om de honger van uw gezinnen te stillen, en ga op weg.

34Breng uw jongste broer naar mij toe; dan zal ik weten dat u geen spionnen bent, maar eerlijke mensen. Uw broer zal ik aan u teruggeven, en u kunt vrij in dit land rondtrekken.

35En het gebeurde, toen zij hun

42:35
Vers
zakken leegmaakten, zie, ieders geldbuidel zat in zijn zak! Zij zagen hun geldbuidels, zij en hun vader, en zij werden bevreesd.

36Toen zei Jakob, hun vader, tegen hen: Jullie beroven mij van kinderen! Jozef is er niet meer, en Simeon is er niet; nu willen jullie Benjamin ook nog meenemen! Al deze dingen zijn tegen mij!

37Toen zei Ruben tegen zijn vader: U mag mijn twee zonen doden, als ik hem niet bij u terugbreng! Geef hem in mijn hand en ik zal hem bij u terugbrengen!

38Maar hij zei: Mijn zoon zal niet met jullie meetrekken, want zijn broer is dood en alleen hij is overgebleven. Als hem een ongeluk overkomt op de weg die jullie zullen gaan, dan zullen jullie mijn grijze haar met verdriet in het graf laten neerdalen.

43

De tweede reis van Jozefs broers naar Egypte

431Maar de honger bleef zwaar in het land.

2En het gebeurde, toen zij het koren dat zij uit Egypte meegebracht hadden, opgegeten hadden, dat hun vader tegen hen zei: Keer terug en koop voor ons wat voedsel.

3Toen zei Juda tegen hem: Die man heeft ons nadrukkelijk verzekerd: U zult mij niet meer onder ogen komen,43:3 mij … onder ogen komen - Letterlijk: mijn gezicht zien; zie ook vers 5. tenzij uw broer bij u is.

4Als u onze broer met ons meestuurt, zullen wij vertrekken en voedsel voor u kopen.

5Maar

43:5
Gen. 42:20
als u hem niet meestuurt, zullen wij niet gaan, want die man heeft tegen ons gezegd:
43:5
Gen. 44:23
U zult mij niet meer onder ogen komen, tenzij uw broer bij u is.

6Toen zei Israël: Waarom hebben jullie mij kwaad gedaan door die man te vertellen dat jullie nog een broer hebben?

7Daarop zeiden zij: Die man vroeg nadrukkelijk naar ons en onze familiekring: Leeft uw vader nog? Hebt u nog een broer? En daarom hebben wij het hem overeenkomstig43:7 overeenkomstig - Letterlijk: naar de mond. die woorden verteld. Konden wij soms weten dat hij zou zeggen: Breng uw broer mee?

8Toen zei Juda tegen Israël, zijn vader: Stuur de jongen met mij mee; dan zullen wij opstaan en op weg gaan, zodat wij in leven zullen blijven en niet zullen sterven: wij niet, u niet en onze kleine kinderen niet.

9Ikzelf zal borg voor hem staan;

43:9
Gen. 44:32
van mij43:9 van mij - Letterlijk: uit mijn hand. mag u hem opeisen – als ik hem niet bij u terugbreng en hem voor u plaats, dan sta ik alle dagen schuldig tegenover u.

10Want als wij niet geaarzeld hadden, dan waren we zeker al twee keer terug geweest.

11Toen zei Israël, hun vader, tegen hen: Als het zo gesteld is, doe dan dit. Neem van het beste van dit land in jullie zakken mee en geef dat die man als geschenk: wat balsem, wat honing, specerijen, mirre, pistachenoten en amandelen.

12En neem een dubbel bedrag aan geld met jullie mee, en neem ook het geld dat boven in43:12 boven in - Letterlijk: in de mond van; zie ook vers 21. jullie zakken teruggekomen is, weer met jullie mee terug; misschien was het een vergissing.

13Neem ook jullie broer mee, sta op en ga terug naar die man.

14God, de Almachtige, geve jullie barmhartigheid in de ogen van die man, zodat hij jullie andere broer en Benjamin met jullie terug laat gaan. En wat mij betreft, als ik van kinderen beroofd word, dan word ik maar van kinderen beroofd.

15De mannen namen dat geschenk en een dubbel bedrag aan geld met zich mee,43:15 met zich mee - Letterlijk: in hun hand; de verzen 21, 22 en 26 bevatten een soortgelijke constructie. en Benjamin. Zij stonden op, trokken naar Egypte en stonden voor Jozef.

16Toen Jozef Benjamin bij hen zag, zei hij tegen degene die over zijn huis ging: Breng deze mannen naar mijn huis, slacht vee43:16 slacht vee - Letterlijk: slacht een slachting. en bereid het, want deze mannen zullen vanmiddag met mij eten.

17De man deed zoals Jozef gezegd had; en de man bracht deze mannen naar het huis van Jozef.

18Toen werden de mannen bevreesd, omdat ze naar het huis van Jozef gebracht werden. Ze zeiden: Wij worden hier binnengebracht vanwege het geld dat de eerste keer in onze zakken teruggelegd is, zodat hij ons kan overrompelen, ons kan overvallen en ons tot slaven kan nemen, en ook onze ezels.

19Daarom benaderden zij de man die over het huis van Jozef ging, en zij spraken hem aan bij de deur van het huis.

20Ze zeiden: Och, mijn heer,

43:20
Gen. 42:3
wij zijn de eerste keer alleen maar gekomen om voedsel te kopen.

21

43:21
Gen. 42:27,35
En het gebeurde, toen wij in de herberg gekomen waren en onze zakken openden, zie, ieders geld zat boven in zijn zak, ons geld in zijn volle gewicht, en dat hebben we nu weer mee teruggebracht.

22Wij hebben ook ander geld met ons meegebracht om voedsel te kopen. Wij weten niet wie ons geld in onze zakken gedaan heeft.

23Hij zei: Vrede zij u, wees niet bevreesd. Uw God en de God van uw vader heeft u een schat in uw zakken gegeven; uw geld heeft mij bereikt. Toen liet hij Simeon naar buiten brengen, naar hen toe.

24Daarna bracht de man deze mannen in het huis van Jozef;

43:24
Gen. 18:4
hij gaf water en zij wasten hun voeten. Hij gaf ook hun ezels voer.

25Zij maakten het geschenk gereed tot Jozef 's middags zou komen, want zij hadden gehoord dat zij daar de maaltijd zouden gebruiken.43:25 de maaltijd … gebruiken - Letterlijk: brood … eten; zie ook vers 32.

26Toen Jozef thuisgekomen was, brachten zij het geschenk dat zij voor hem bij zich hadden, het huis binnen en zij

43:26
Gen. 37:10
42:6
bogen zich voor hem ter aarde.

27Hij vroeg hun naar hun welstand en zei: Gaat het goed met uw vader, de oude man, over wie u gesproken hebt? Leeft hij nog?

28En zij zeiden: Het gaat goed met uw dienaar, onze vader; hij leeft nog. Toen knielden zij en bogen zich neer.

29Hij sloeg zijn ogen op en zag Benjamin, zijn broer, de zoon van zijn moeder, en zei: Is dit uw jongste broer,

43:29
Gen. 42:13
over wie u met mij gesproken hebt? Daarna zei hij: Mijn zoon, God zij u genadig.

30Jozef haastte zich, want zijn medelijden werd opgewekt vanwege zijn broer. Hij wilde huilen, en daarom ging hij een kamer binnen

43:30
Gen. 45:2
en huilde daar.

31Daarna waste hij zijn gezicht en kwam naar buiten. Hij bedwong zich en zei: Dien het voedsel op.

32Zij dienden op: voor hem apart, voor hen apart en voor de Egyptenaren die met hem aten apart. De Egyptenaren mogen namelijk niet samen met de Hebreeën de maaltijd gebruiken, omdat dat voor de Egyptenaren een gruwel is.

33Zij zaten vóór hem: de eerstgeborene overeenkomstig zijn eerstgeboorterecht en de jongste overeenkomstig zijn jeugd, zodat de mannen onder elkaar verbijsterd waren.

34En hij liet hun van de gerechten brengen die vóór hem stonden, maar het gerecht van Benjamin was vijf keer groter dan dat van hen allen. Zij dronken en werden dronken met hem.

44

Jozef beproeft zijn broers

441Hij gebood degene die over zijn huis ging: Vul de zakken van deze mannen met voedsel, zoveel als ze kunnen dragen, en stop ieders geld boven in44:1 boven in - Letterlijk: in de mond van; zie ook vers 2 en 8. zijn zak.

2En mijn beker, de zilveren beker, moet u boven in de zak van de jongste leggen, samen met het geld voor zijn koren. Hij handelde in overeenstemming met de woorden van Jozef, die hij gesproken had.

3's Morgens, toen het licht werd, liet men de mannen gaan, hen en hun ezels.

4Zij waren de stad uitgegaan en nog niet ver gekomen, toen Jozef tegen hem die over zijn huis ging, zei: Sta op en achtervolg die mannen. Als u ze ingehaald hebt, moet u tegen hen zeggen: Waarom hebt u kwaad voor goed vergolden?

5Is dit niet de beker waaruit mijn heer drinkt en waarmee hij dingen met zekerheid kan waarnemen? U hebt slecht gehandeld met wat u gedaan hebt.

6En hij haalde hen in en sprak deze woorden tot hen.

7Zij zeiden tegen hem: Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? Er is geen sprake van dat uw dienaren zoiets zouden doen!

8Zie, het geld dat wij boven in onze zakken vonden, hebben wij uit het land Kanaän naar u teruggebracht! Waarom zouden wij dan zilver of goud stelen uit het huis van uw heer?

9Degene van uw dienaren bij wie de beker gevonden wordt, moet sterven; bovendien zullen wij dan zelf slaven van mijn heer worden.

10Daarop zei hij: Welnu dan, overeenkomstig uw woorden, zo zal het zijn. Degene bij wie hij gevonden wordt, zal mijn slaaf zijn, terwijl ú onschuldig zult zijn.

11Zij haastten zich en ieder zette zijn zak op de grond, en ieder opende zijn zak.

12En hij doorzocht ze, beginnend bij de oudste en eindigend bij de jongste; en de beker werd gevonden in de zak van Benjamin.

13Toen scheurden zij hun kleren. Ieder laadde alles weer op zijn ezel en zij keerden terug naar de stad.

14En Juda kwam met zijn broers in het huis van Jozef, die daar nog aanwezig was, en zij wierpen zich voor hem op de grond.

15Jozef zei tegen hen: Wat is dit voor een daad die u verricht hebt? Weet u niet dat een man als ik zoiets met zekerheid kan waarnemen?

16Toen zei Juda: Wat zullen wij tegen mijn heer zeggen? Wat zullen wij spreken? Waarmee kunnen wij ons rechtvaardigen? God heeft de misdaad van uw dienaren aan het licht gebracht. Zie, wij zullen slaven van mijn heer zijn, zowel wij als hij bij wie44:16 bij wie - Letterlijk: in wiens hand; zie ook vers 17. de beker gevonden is.

17Maar hij zei: Er is geen sprake van dat ik zoiets zou doen! De man bij wie de beker gevonden is, zal mijn slaaf zijn, maar u, trek in vrede naar uw vader.

Juda pleit voor Benjamin

18Toen trad Juda op hem toe en zei: Och, mijn heer, laat uw dienaar toch een woord ten aanhoren van mijn heer mogen spreken, en ontsteek niet in woede tegen uw dienaar, want u bent als de farao.

19Mijn heer heeft aan zijn dienaren gevraagd: Hebt u nog een vader of een broer?

20Toen hebben wij tegen mijn heer gezegd: Wij hebben een oude vader, en die heeft een kind van zijn ouderdom, de jongste. Zijn broer is dood, en hij is als enig kind van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.

21Toen hebt u tegen uw dienaren gezegd:

44:21
Gen. 42:15
Breng hem naar mij toe, zodat ik mijn oog op hem kan slaan.

22Wij zeiden toen tegen mijn heer: De jongen kan zijn vader niet verlaten, want als hij zijn vader verlaat, zal deze sterven.

23Toen zei u tegen uw dienaren:

44:23
Gen. 43:3,5
Als uw jongste broer niet met u meetrekt, mag u mij niet meer onder ogen komen.44:23 mij … onder ogen komen - Letterlijk: mijn gezicht zien; zie ook vers 26.

24En het gebeurde, toen wij naar uw dienaar, mijn vader, getrokken waren en wij hem de woorden van mijn heer verteld hadden,

25en onze vader zei: Keer terug, koop wat voedsel voor ons,

26dat wij zeiden: Wij kunnen daar niet heentrekken. Alleen als onze jongste broer bij ons is, zullen wij gaan, want wij mogen die man niet meer onder ogen komen als onze jongste broer niet bij ons is.

27Toen zei uw dienaar, mijn vader, tegen ons: Jullie weten dat mijn vrouw mij twee zonen gebaard heeft.

28De ene is bij mij weggegaan,

44:28
Gen. 37:33
en ik heb gezegd: Hij is vast en zeker verscheurd; ik heb hem tot nu toe niet teruggezien.

29Als jullie nu ook deze zoon van mij afnemen en hem een ongeluk overkomt,

44:29
Gen. 42:38
dan zullen jullie mijn grijze haar van ellende in het graf laten neerdalen.

30En nu, als ik bij uw dienaar, mijn vader, terugkom zonder dat de jongen bij ons is – want hij is met hart en ziel aan hem verbonden44:30 want hij is met hart en ziel aan hem verbonden - Letterlijk: zijn ziel is aan zijn ziel verbonden.

31dan zal het gebeuren dat hij zal sterven als hij ziet dat de jongen er niet bij is. Dan zullen uw dienaren het grijze haar van uw dienaar, onze vader, met verdriet in het graf doen neerdalen.

32Uw dienaar heeft zich namelijk bij mijn vader borg gesteld voor de jongen, door te zeggen:

44:32
Gen. 43:9
Als ik hem niet bij u terugbreng, dan sta ik alle dagen bij mijn vader in de schuld.

33En nu, laat uw dienaar toch in plaats van deze jongen de slaaf van mijn heer blijven, en laat de jongen met zijn broers gaan.

34Hoe zou ik immers bij mijn vader terug kunnen keren, als de jongen niet bij mij is? Anders zou ik de ellende moeten zien die mijn vader zal treffen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]