Herziene Statenvertaling (HSV)
37

Jozef en zijn broers

371Jakob woonde in het

37:1
Gen. 36:7
Hebr. 11:9
land waar zijn vader als vreemdeling gewoond had,37:1 het land … gewoond had - - Letterlijk: het land van de vreemdelingschap van zijn vader in het land Kanaän.

2Dit zijn de afstammelingen van Jakob. Jozef, zeventien jaar oud, hoedde gewoonlijk het kleinvee met zijn broers – hij was een jonge man – met de zonen van Bilha en met de zonen van Zilpa, de vrouwen van zijn vader. En Jozef bracht het kwade gerucht over hen aan hun vader over.

3Israël had Jozef meer lief dan al zijn andere zonen, want hij was voor hem een zoon van zijn ouderdom. Ook liet hij een veelkleurig gewaad voor hem maken.

4Toen zijn broers zagen dat hun vader hem meer liefhad dan al zijn broers,

37:4
Gen. 49:23
haatten zij hem en konden niet vriendelijk37:4 vriendelijk - Letterlijk: tot vrede. meer tot hem spreken.

5Ook had Jozef een droom, die hij aan zijn broers vertelde; daarom haatten zij hem nog meer.

6Hij zei tegen hen: Luister toch naar deze droom die ik gehad heb.

7Zie, wij waren midden op de akker schoven aan het binden; en zie, mijn schoof stond op en bleef ook overeind staan. En zie, jullie schoven kwamen om hem heen staan en bogen zich voor mijn schoof neer.

8Toen zeiden zijn broers tegen hem: Wil je dan soms over ons regeren? Wil je dan soms over ons heersen? Daarom haatten zij hem nog meer, vanwege zijn dromen en vanwege zijn woorden.

9Hij kreeg nog een andere droom, en vertelde ook die aan zijn broers. Hij zei: Zie, ik heb weer een droom gehad; en zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer.

10Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, bestrafte zijn vader hem en zei tegen hem: Wat is dat voor een droom die je gehad hebt? Moeten wij, namelijk ik, je moeder en je broers, soms naar je toe komen om ons voor jou ter aarde neer te buigen?

11Zijn broers

37:11
Hand. 7:9
waren jaloers op hem, maar zijn vader hield de zaak in gedachten.

Jozef verkocht naar Egypte

12Eens gingen zijn broers weg om het kleinvee van hun vader te hoeden bij Sichem.

13Toen zei Israël tegen Jozef: Weiden je broers het vee niet bij Sichem? Ga, ik stuur je naar hen toe. Hij zei tegen hem: Zie, hier ben ik.

14En hij zei tegen hem: Ga toch en zie de welstand van je broers en de welstand van de kudde en breng verslag aan mij uit. Zo stuurde hij hem het dal van Hebron uit, en hij kwam naar Sichem.

15Een man trof hem aan, want zie, hij was aan het ronddwalen op het veld, en de man vroeg hem: Wat zoek je?

16Hij zei: Ik ben op zoek naar mijn broers; vertel mij toch waar zij aan het weiden zijn.

17Toen zei die man: Zij zijn vanhier opgebroken, want ik hoorde hen zeggen: Laten we naar Dothan gaan. Jozef ging zijn broers achterna en trof hen aan bij Dothan.

18Zij zagen hem al van ver; en nog voor hij in hun nabijheid gekomen was, beraamden zij een listig plan tegen hem om hem te doden.

19Zij zeiden tegen elkaar: Zie, daar komt die meesterdromer aan.

20Nu dan, kom, laten we hem doodslaan en hem in een van deze putten gooien, en wij zullen zeggen: Een wild dier heeft hem opgegeten. Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen terechtkomt.

21Ruben hoorde dat en wilde hem uit hun hand redden.

37:21
Gen. 42:22
Hij zei: Laten wij hem niet om het leven brengen.

22Ruben zei ook tegen hen: Vergiet geen bloed; gooi hem in deze put die in de woestijn is, en sla niet de hand aan hem. Hij zei dit om hem uit hun hand te redden en hem naar zijn vader terug te brengen.

23En het gebeurde, toen Jozef bij zijn broers was gekomen, dat zij Jozef zijn gewaad uittrokken, het veelkleurige gewaad dat hij droeg,

24en zij namen hem en gooiden hem in de put. De put nu was leeg, er stond geen water in.

25Vervolgens gingen zij zitten om de maaltijd te gebruiken.37:25 de maaltijd te gebruiken - Letterlijk: brood te eten. Toen ze hun ogen opsloegen, zagen zij, zie, een karavaan van Ismaëlieten uit Gilead aankomen. En hun kamelen droegen specerijen, balsem en mirre, en zij waren op weg om dat naar Egypte te brengen.

26Toen zei Juda tegen zijn broers: Wat hebben wij er voor baat bij, als wij onze broer doden en zijn bloed verbergen?

27Kom, laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen; laten wij niet onze hand aan hem slaan. Hij is immers onze broer, ons eigen vlees. Zijn broers luisterden naar hem.

28Toen er Midianitische kooplieden voorbijkwamen, trokken en tilden zij Jozef uit de put en

37:28
Ps. 105:17
Hand. 7:9
verkochten zij Jozef voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten. Die brachten Jozef naar Egypte.

29Ruben kwam terug bij de put en zie, Jozef was niet in de put! Toen scheurde hij zijn kleren.

30Hij keerde terug naar zijn broers en zei: De jongen is er niet. En ik, waar moet ik naartoe?

31Toen namen zij het gewaad van Jozef, slachtten een geitenbok en dompelden het gewaad in het bloed.

32Zij stuurden het veelkleurige gewaad naar hun vader en zeiden: Dit hebben wij gevonden. Kijk toch eens of dit het gewaad van uw zoon is of niet.

33Hij herkende het en zei: Het is het gewaad van mijn zoon.

37:33
Gen. 44:28
Een wild dier heeft hem opgegeten. Jozef is ongetwijfeld verscheurd.

34Toen scheurde Jakob zijn kleren, deed een rouwgewaad om zijn middel en rouwde vele dagen om zijn zoon.

35Al zijn zonen en al zijn dochters stonden op om hem te troosten, maar hij weigerde zich te laten troosten en zei: Voorzeker,

37:35
Gen. 42:38
44:29,31
ik zal treurend naar mijn zoon in het graf afdalen. Zo beweende zijn vader hem.

36

37:36
Gen. 39:1
Ps. 105:17
De Midianieten verkochten hem in Egypte aan Potifar, een hoveling van de farao en het hoofd van de lijfwacht.

38

Juda en Tamar

381Het gebeurde in die tijd dat Juda van zijn broers wegtrok en zijn intrek nam bij een man uit Adullam; zijn naam was Hira.

2

38:2
1 Kron. 2:3
Juda zag daar de dochter van een Kanaänitisch man; zijn naam was Sua. Hij nam haar tot vrouw en kwam bij haar.

3Zij werd zwanger en baarde een zoon, en hij gaf hem de naam Er.

4Daarna werd zij weer zwanger, baarde een zoon en gaf hem de naam Onan.

5En zij baarde opnieuw een zoon en gaf hem de naam

38:5
Num. 26:20
Sela. Hij was echter in Chezib, toen zij hem baarde.

6En Juda nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene; haar naam was Tamar.

7Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was slecht in de ogen van de HEERE; daarom doodde de HEERE hem.

8Toen zei Juda tegen Onan: Kom bij de vrouw van je broer, vervul je zwagerplicht tegenover haar en verwek nageslacht voor je broer.

9Onan wist echter dat dit nageslacht niet voor hem zou zijn; daarom gebeurde het, telkens wanneer hij bij de vrouw van zijn broer kwam, dat hij zijn zaad op de grond verspilde om zijn broer geen nageslacht te geven.

10Wat hij deed, was echter slecht in de ogen van de HEERE; daarom doodde Hij ook hem.

11Toen zei Juda tegen Tamar, zijn schoondochter: Ga maar zolang als weduwe in het huis van je vader wonen, totdat mijn zoon Sela groot is. Hij zei namelijk: Anders zal hij ook sterven, net zoals zijn broers! Zo ging Tamar weg en ging in het huis van haar vader wonen.

12Toen veel dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de vrouw van Juda. Daarna vond Juda troost en ging hij naar zijn schaapscheerders, naar Timna, hij en zijn vriend Hira uit Adullam.

13En men vertelde Tamar: Zie, uw schoonvader gaat naar Timna om zijn schapen te scheren.

14Toen trok zij haar weduwkleed uit, bedekte zich met een sluier, omhulde zich en ging zitten bij de ingang van Enaïm, dat op de weg naar Timna ligt. Zij had namelijk gezien dat Sela groot geworden was en zij aan hem niet tot vrouw was gegeven.

15Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar gezicht bedekt had.

16En hij ging naar haar toe langs de weg en zei: Kom toch mee, ik wil bij u komen; hij wist immers niet dat het zijn schoondochter was. En zij zei: Wat zult u mij geven, als u bij mij komt?

17Hij zei: Ik zal u een geitenbokje van mijn kudde sturen. Zij zei: Goed, als u een onderpand geeft, totdat u het bokje gestuurd hebt.

18Toen zei hij: Wat is het onderpand dat ik u zal geven? Zij zei: Uw zegelring, uw snoer en uw staf, die u in uw hand hebt. Hij gaf ze haar, kwam bij haar, en zij werd zwanger van hem.

19Daarna stond zij op, ging weg, legde haar sluier van zich af en trok haar weduwkleed weer aan.

20Juda stuurde het geitenbokje door bemiddeling van38:20 door bemiddeling van - Letterlijk: door de hand van. zijn vriend uit Adullam, om het onderpand uit de hand van de vrouw terug te krijgen; hij vond haar echter niet.

21Toen vroeg hij aan de mensen van haar woonplaats: Waar is de hoer die bij Enaïm langs de weg zat? Maar zij zeiden: Er is hier geen hoer geweest.

22Hij keerde daarop terug naar Juda en zei: Ik heb haar niet gevonden, en ook de mensen van die plaats zeiden: Er is hier geen hoer geweest.

23Toen zei Juda: Laat ze het onderpand zelf maar houden, anders zullen wij veracht worden. Zie, ik heb dit bokje willen sturen, maar u hebt haar niet gevonden.

24Het gebeurde ongeveer drie maanden later dat men Juda vertelde: Tamar, uw schoondochter, heeft hoererij bedreven en zie, ze is ook zwanger door die hoererij. Toen zei Juda: Breng haar de stad uit en laat haar verbrand worden!

25Terwijl zij de stad uit gebracht werd, stuurde ze een bode naar haar schoonvader om te zeggen: Van de man van wie deze voorwerpen zijn, ben ik zwanger. Ze zei: Kijk toch eens van wie deze zegelring, deze snoeren en deze staf zijn.

26En Juda herkende ze en zei: Zij staat in haar recht, meer dan ik, omdat ik haar niet aan mijn zoon Sela gegeven heb. En hij had voortaan geen gemeenschap meer met haar.38:26 had … gemeenschap met haar - Letterlijk: kende haar.

27En het gebeurde tegen de tijd dat zij baren zou, en zie!

38:27
1 Kron. 2:4
er bleek een tweeling in haar schoot te zijn.

28En terwijl zij baarde, gebeurde het dat de ene zijn hand naar buiten stak. De vroedvrouw pakte die, bond een scharlakenrode draad om zijn hand en zei: Deze komt er het eerst uit.

29Maar het gebeurde, toen hij zijn hand weer naar binnen trok, dat, zie, zijn broer tevoorschijn kwam. Daarop zei ze: Wat een bres heb jij voor jezelf geslagen! En men gaf hem de naam

38:29
Matt. 1:3
Perez.38:29 Perez betekent: bres.

30Daarna kwam zijn broer tevoorschijn, die de scharlakenrode draad om zijn hand had, en men gaf hém de naam Zerah.38:30 Zerah betekent: (zons)opgang.

39

Jozef in het huis van Potifar

391Jozef was dus

39:1
Gen. 37:28
Ps. 105:17
naar Egypte gebracht. Potifar, hoveling van de farao, het hoofd van de lijfwacht, een Egyptische man, kocht hem uit de hand van de Ismaëlieten, die hem daarheen gebracht hadden.

2De HEERE

39:2
Vers
was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij bleef in het huis van zijn heer, de Egyptenaar.

3En toen zijn heer zag dat de HEERE met hem was en dat de HEERE alles wat hij deed door zijn hand voorspoedig deed verlopen,

4vond Jozef genade in zijn ogen, en mocht hij hem bedienen. Potifar stelde hem aan over zijn huis, en alles wat hij had, gaf hij in zijn hand.

5En het gebeurde vanaf het moment dat hij hem over zijn huis en alles wat hij had, had aangesteld, dat de HEERE het huis van de Egyptenaar omwille van Jozef zegende. Ja, de zegen van de HEERE rustte op alles wat hij bezat, zowel in het huis als op het land.

6Hij liet alles wat hij bezat in de hand van Jozef, zodat hij, met hem naast zich, nergens anders meer kennis van nam dan van het brood dat hij at. Jozef nu was mooi van gestalte en knap om te zien.

7En het gebeurde na deze dingen

39:7
Spr. 7:13
dat de vrouw van zijn heer haar oog op Jozef liet vallen en zei: Slaap met mij.

8Maar hij weigerde en zei tegen de vrouw van zijn heer: Zie, mijn heer neemt, met mij naast zich, geen kennis meer van wat er in dit huis gebeurt, en alles wat hij heeft, heeft hij in mijn hand gegeven.

9Niemand heeft meer aanzien in dit huis dan ik; en hij heeft mij niets onthouden dan alleen u, omdat u zijn vrouw bent. Hoe zou ik dan dit grote kwaad kunnen doen en zondigen tegen God?

10En het gebeurde, toen zij Jozef dag in dag uit aansprak en hij niet naar haar luisterde om met haar te slapen en bij haar te zijn,

11dat het op zekere dag gebeurde, toen hij het huis binnenkwam om zijn werk te doen en niemand van de mensen van het huis daar in huis was,

12dat zij hem bij zijn kleed pakte en zei: Slaap met me. Maar hij liet zijn kleed in haar hand achter, vluchtte en ging naar buiten.

13En het gebeurde, toen zij zag dat hij zijn kleed in haar hand achtergelaten had en naar buiten gevlucht was,

14dat zij de mensen van haar huis riep, en tegen hen zei: Zie, hij heeft een Hebreeuwse man bij ons in huis gebracht om de spot met ons te drijven. Hij is naar mij toe gekomen om met mij te slapen, maar ik heb met luide stem geroepen.

15En het gebeurde, toen hij hoorde dat ik luid begon te roepen,39:15 … ik luid begon te roepen - Letterlijk: … ik mijn stem verhief en riep; zie ook vers 18. dat hij zijn kleed bij mij achterliet, vluchtte en naar buiten ging.

16Zij liet zijn kleed bij zich liggen, totdat zijn heer thuiskwam,

17en zij sprak tot hem met dezelfde woorden: De Hebreeuwse slaaf die je bij ons in huis gebracht hebt, is bij mij gekomen om de spot met mij te drijven.

18En het gebeurde, toen ik luid begon te roepen, dat hij zijn kleed bij mij achterliet en naar buiten vluchtte.

19En het gebeurde, toen zijn heer de woorden hoorde die zijn vrouw tot hem sprak: Zoals ik het zeg,39:19 Zoals ik het zeg - Letterlijk: naar deze woorden. heeft jouw slaaf met mij gedaan, dat hij in woede ontstak.

20En de heer van Jozef greep hem en leverde

39:20
Ps. 105:18
hem over in de gevangenis, de plaats waar de gevangenen van de koning gevangenzaten. Zo zat hij daar in de gevangenis.

21Maar de HEERE was met Jozef en bewees hem Zijn goedertierenheid; Hij gaf hem genade in de ogen van het hoofd van de gevangenis.

22En het hoofd van de gevangenis gaf al de gevangenen die in de gevangenis waren, in de hand van Jozef; al het werk dat men daar deed, deed hij.

23Het hoofd van de gevangenis zag naar geen enkel ding meer om van wat in zijn hand was, omdat de HEERE met hem was. Alles wat hij deed, liet de HEERE voorspoedig verlopen.