Herziene Statenvertaling (HSV)
36

Het nageslacht van Ezau

361

36:1
1 Kron. 1:35
Dit zijn de afstammelingen van Ezau, dat is Edom.

2Ezau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän: Ada, de dochter van Elon, de Hethiet; en Oholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, de Heviet;

3en Basmath, de dochter van Ismaël, zuster van Nebajoth.

4Ada baarde Elifaz aan Ezau, en Basmath baarde Rehuel.

5Oholibama baarde Jeüs, Jaëlam en Korach. Dit waren de zonen van Ezau die hem geboren zijn in het land Kanaän.

6Ezau nam zijn vrouwen, zijn zonen en zijn dochters, en alle personen die tot zijn huis behoorden, zijn vee en al zijn dieren, en al zijn bezit, dat hij in het land Kanaän verworven had, en ging naar een ander land, weg van zijn broer Jakob,

7want hun

36:7
Gen. 13:6
bezittingen waren te groot dat zij bij elkaar zouden kunnen wonen; het land waar zij vreemdeling waren,36:7 het land … waren - Letterlijk: het land van hun vreemdelingschap. kon hen niet onderhouden vanwege hun vee.

8Daarom

36:8
Joz. 24:4
ging Ezau in het Seïrgebergte wonen. Ezau, dat is Edom.

9Dit zijn de afstammelingen van Ezau, de vader van Edom, in het Seïrgebergte.

10Dit zijn de namen van de zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, de vrouw van Ezau; Rehuel, de zoon van Basmath, de vrouw van Ezau.

11En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, Gaëtam en Kenaz.

12Timna was een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Ezau, en zij baarde Amalek aan Elifaz. Dit waren de zonen van Ada, de vrouw van Ezau.

13Dit zijn de zonen van Rehuel: Nahath, Zerah, Samma en Mizza. Dat waren de zonen van Basmath, de vrouw van Ezau.

14Dit waren de zonen van Oholibama, dochter van Ana, dochter van Zibeon, de vrouw van Ezau: zij baarde aan Ezau Jeüs, Jaëlam en Korach.

15Dit zijn de stamhoofden van de zonen van Ezau. De zonen van Elifaz, de eerstgeborene van Ezau, waren: het stamhoofd Teman, het stamhoofd Omar, het stamhoofd Zefo, het stamhoofd Kenaz,

16het stamhoofd Korach, het stamhoofd Gaëtam, het stamhoofd Amalek. Dit waren de stamhoofden van Elifaz in het land Edom; dit waren de zonen van Ada.

17Dit zijn de zonen van Rehuel, de zoon van Ezau: het stamhoofd Nahath, het stamhoofd Zerah, het stamhoofd Samma, het stamhoofd Mizza; dit zijn de stamhoofden van Rehuel in het land Edom; dit zijn de zonen van Basmath, de vrouw van Ezau.

18Dit zijn de zonen van Oholibama, de vrouw van Ezau: het stamhoofd Jeüs, het stamhoofd Jaëlam, het stamhoofd Korach; dit waren de stamhoofden van Oholibama, de dochter van Ana, de vrouw van Ezau.

19Dit waren de zonen van Ezau, en dit waren hun stamhoofden; hij is Edom.

De zonen van Seïr

20

36:20
1 Kron. 1:38
Dit zijn de zonen van Seïr, de Horiet, de inwoners van dat land: Lotan, Sobal, Zibeon, Ana,

21Dison, Ezer en Disan; dit waren de stamhoofden van de Horieten, zonen van Seïr, in het land Edom.

22De zonen van Lotan waren Hori en Hemam, en de zuster van Lotan was Timna.

23Dit zijn de zonen van Sobal: Alvan, Manahath, Ebal, Sefo en Onam.

24Dit zijn de zonen van Zibeon: Aja en Ana; hij is die Ana die de warmwaterbronnen in de woestijn ontdekt heeft, toen hij de ezels van zijn vader Zibeon hoedde.

25Dit is de zoon van Ana: Dison; en Oholibama was de dochter van Ana.

26Dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, Esban, Jithran en Cheran.

27Dit zijn de zonen van Ezer: Bilhan, Zaävan en Akan.

28Dit zijn de zonen van Disan: Uz en Aran.

29Dit zijn de stamhoofden van de Horieten: het stamhoofd Lotan, het stamhoofd Sobal, het stamhoofd Zibeon, het stamhoofd Ana,

30het stamhoofd Dison, het stamhoofd Ezer, het stamhoofd Disan; dit waren de stamhoofden van de Horieten, ingedeeld naar hun stamhoofden in het land Seïr.

De koningen van Edom

31

36:31
1 Kron. 1:43
Dit zijn de koningen die in het land Edom geregeerd hebben, voordat er een koning over de Israëlieten regeerde:

32Bela, de zoon van Beor, regeerde in Edom, en de naam van zijn stad was Dinhaba.

33Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.

34Jobab stierf, en Husam, uit het land van de Temanieten, regeerde in zijn plaats.

35Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in de vlakte van Moab versloeg; en de naam van zijn stad was Avith.

36Hadad stierf en Samla, uit Masreka, regeerde in zijn plaats.

37Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats.

38Saul stierf en Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.

39Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats. De naam van zijn stad was Pahu, en de naam van zijn vrouw was Mehetabeël, een dochter van Matred, dochter van Mezahab.

40

36:40
1 Kron. 1:51
Dit zijn de namen van de stamhoofden van Ezau, ingedeeld naar hun geslachten, ingedeeld naar hun woonplaatsen, met hun namen: het stamhoofd Timna, het stamhoofd Alva, het stamhoofd Jetheth,

41het stamhoofd Oholibama, het stamhoofd Ela, het stamhoofd Pinon,

42het stamhoofd Kenaz, het stamhoofd Teman, het stamhoofd Mibzar,

43het stamhoofd Magdiël, en het stamhoofd Iram. Dit waren de stamhoofden van Edom, volgens hun woongebieden in het land dat zij in bezit hadden. Dit was Ezau, de vader van Edom.

37

Jozef en zijn broers

371Jakob woonde in het

37:1
Gen. 36:7
Hebr. 11:9
land waar zijn vader als vreemdeling gewoond had,37:1 het land … gewoond had - - Letterlijk: het land van de vreemdelingschap van zijn vader in het land Kanaän.

2Dit zijn de afstammelingen van Jakob. Jozef, zeventien jaar oud, hoedde gewoonlijk het kleinvee met zijn broers – hij was een jonge man – met de zonen van Bilha en met de zonen van Zilpa, de vrouwen van zijn vader. En Jozef bracht het kwade gerucht over hen aan hun vader over.

3Israël had Jozef meer lief dan al zijn andere zonen, want hij was voor hem een zoon van zijn ouderdom. Ook liet hij een veelkleurig gewaad voor hem maken.

4Toen zijn broers zagen dat hun vader hem meer liefhad dan al zijn broers,

37:4
Gen. 49:23
haatten zij hem en konden niet vriendelijk37:4 vriendelijk - Letterlijk: tot vrede. meer tot hem spreken.

5Ook had Jozef een droom, die hij aan zijn broers vertelde; daarom haatten zij hem nog meer.

6Hij zei tegen hen: Luister toch naar deze droom die ik gehad heb.

7Zie, wij waren midden op de akker schoven aan het binden; en zie, mijn schoof stond op en bleef ook overeind staan. En zie, jullie schoven kwamen om hem heen staan en bogen zich voor mijn schoof neer.

8Toen zeiden zijn broers tegen hem: Wil je dan soms over ons regeren? Wil je dan soms over ons heersen? Daarom haatten zij hem nog meer, vanwege zijn dromen en vanwege zijn woorden.

9Hij kreeg nog een andere droom, en vertelde ook die aan zijn broers. Hij zei: Zie, ik heb weer een droom gehad; en zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer.

10Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, bestrafte zijn vader hem en zei tegen hem: Wat is dat voor een droom die je gehad hebt? Moeten wij, namelijk ik, je moeder en je broers, soms naar je toe komen om ons voor jou ter aarde neer te buigen?

11Zijn broers

37:11
Hand. 7:9
waren jaloers op hem, maar zijn vader hield de zaak in gedachten.

Jozef verkocht naar Egypte

12Eens gingen zijn broers weg om het kleinvee van hun vader te hoeden bij Sichem.

13Toen zei Israël tegen Jozef: Weiden je broers het vee niet bij Sichem? Ga, ik stuur je naar hen toe. Hij zei tegen hem: Zie, hier ben ik.

14En hij zei tegen hem: Ga toch en zie de welstand van je broers en de welstand van de kudde en breng verslag aan mij uit. Zo stuurde hij hem het dal van Hebron uit, en hij kwam naar Sichem.

15Een man trof hem aan, want zie, hij was aan het ronddwalen op het veld, en de man vroeg hem: Wat zoek je?

16Hij zei: Ik ben op zoek naar mijn broers; vertel mij toch waar zij aan het weiden zijn.

17Toen zei die man: Zij zijn vanhier opgebroken, want ik hoorde hen zeggen: Laten we naar Dothan gaan. Jozef ging zijn broers achterna en trof hen aan bij Dothan.

18Zij zagen hem al van ver; en nog voor hij in hun nabijheid gekomen was, beraamden zij een listig plan tegen hem om hem te doden.

19Zij zeiden tegen elkaar: Zie, daar komt die meesterdromer aan.

20Nu dan, kom, laten we hem doodslaan en hem in een van deze putten gooien, en wij zullen zeggen: Een wild dier heeft hem opgegeten. Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen terechtkomt.

21Ruben hoorde dat en wilde hem uit hun hand redden.

37:21
Gen. 42:22
Hij zei: Laten wij hem niet om het leven brengen.

22Ruben zei ook tegen hen: Vergiet geen bloed; gooi hem in deze put die in de woestijn is, en sla niet de hand aan hem. Hij zei dit om hem uit hun hand te redden en hem naar zijn vader terug te brengen.

23En het gebeurde, toen Jozef bij zijn broers was gekomen, dat zij Jozef zijn gewaad uittrokken, het veelkleurige gewaad dat hij droeg,

24en zij namen hem en gooiden hem in de put. De put nu was leeg, er stond geen water in.

25Vervolgens gingen zij zitten om de maaltijd te gebruiken.37:25 de maaltijd te gebruiken - Letterlijk: brood te eten. Toen ze hun ogen opsloegen, zagen zij, zie, een karavaan van Ismaëlieten uit Gilead aankomen. En hun kamelen droegen specerijen, balsem en mirre, en zij waren op weg om dat naar Egypte te brengen.

26Toen zei Juda tegen zijn broers: Wat hebben wij er voor baat bij, als wij onze broer doden en zijn bloed verbergen?

27Kom, laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen; laten wij niet onze hand aan hem slaan. Hij is immers onze broer, ons eigen vlees. Zijn broers luisterden naar hem.

28Toen er Midianitische kooplieden voorbijkwamen, trokken en tilden zij Jozef uit de put en

37:28
Ps. 105:17
Hand. 7:9
verkochten zij Jozef voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten. Die brachten Jozef naar Egypte.

29Ruben kwam terug bij de put en zie, Jozef was niet in de put! Toen scheurde hij zijn kleren.

30Hij keerde terug naar zijn broers en zei: De jongen is er niet. En ik, waar moet ik naartoe?

31Toen namen zij het gewaad van Jozef, slachtten een geitenbok en dompelden het gewaad in het bloed.

32Zij stuurden het veelkleurige gewaad naar hun vader en zeiden: Dit hebben wij gevonden. Kijk toch eens of dit het gewaad van uw zoon is of niet.

33Hij herkende het en zei: Het is het gewaad van mijn zoon.

37:33
Gen. 44:28
Een wild dier heeft hem opgegeten. Jozef is ongetwijfeld verscheurd.

34Toen scheurde Jakob zijn kleren, deed een rouwgewaad om zijn middel en rouwde vele dagen om zijn zoon.

35Al zijn zonen en al zijn dochters stonden op om hem te troosten, maar hij weigerde zich te laten troosten en zei: Voorzeker,

37:35
Gen. 42:38
44:29,31
ik zal treurend naar mijn zoon in het graf afdalen. Zo beweende zijn vader hem.

36

37:36
Gen. 39:1
Ps. 105:17
De Midianieten verkochten hem in Egypte aan Potifar, een hoveling van de farao en het hoofd van de lijfwacht.

38

Juda en Tamar

381Het gebeurde in die tijd dat Juda van zijn broers wegtrok en zijn intrek nam bij een man uit Adullam; zijn naam was Hira.

2

38:2
1 Kron. 2:3
Juda zag daar de dochter van een Kanaänitisch man; zijn naam was Sua. Hij nam haar tot vrouw en kwam bij haar.

3Zij werd zwanger en baarde een zoon, en hij gaf hem de naam Er.

4Daarna werd zij weer zwanger, baarde een zoon en gaf hem de naam Onan.

5En zij baarde opnieuw een zoon en gaf hem de naam

38:5
Num. 26:20
Sela. Hij was echter in Chezib, toen zij hem baarde.

6En Juda nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene; haar naam was Tamar.

7Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was slecht in de ogen van de HEERE; daarom doodde de HEERE hem.

8Toen zei Juda tegen Onan: Kom bij de vrouw van je broer, vervul je zwagerplicht tegenover haar en verwek nageslacht voor je broer.

9Onan wist echter dat dit nageslacht niet voor hem zou zijn; daarom gebeurde het, telkens wanneer hij bij de vrouw van zijn broer kwam, dat hij zijn zaad op de grond verspilde om zijn broer geen nageslacht te geven.

10Wat hij deed, was echter slecht in de ogen van de HEERE; daarom doodde Hij ook hem.

11Toen zei Juda tegen Tamar, zijn schoondochter: Ga maar zolang als weduwe in het huis van je vader wonen, totdat mijn zoon Sela groot is. Hij zei namelijk: Anders zal hij ook sterven, net zoals zijn broers! Zo ging Tamar weg en ging in het huis van haar vader wonen.

12Toen veel dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de vrouw van Juda. Daarna vond Juda troost en ging hij naar zijn schaapscheerders, naar Timna, hij en zijn vriend Hira uit Adullam.

13En men vertelde Tamar: Zie, uw schoonvader gaat naar Timna om zijn schapen te scheren.

14Toen trok zij haar weduwkleed uit, bedekte zich met een sluier, omhulde zich en ging zitten bij de ingang van Enaïm, dat op de weg naar Timna ligt. Zij had namelijk gezien dat Sela groot geworden was en zij aan hem niet tot vrouw was gegeven.

15Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar gezicht bedekt had.

16En hij ging naar haar toe langs de weg en zei: Kom toch mee, ik wil bij u komen; hij wist immers niet dat het zijn schoondochter was. En zij zei: Wat zult u mij geven, als u bij mij komt?

17Hij zei: Ik zal u een geitenbokje van mijn kudde sturen. Zij zei: Goed, als u een onderpand geeft, totdat u het bokje gestuurd hebt.

18Toen zei hij: Wat is het onderpand dat ik u zal geven? Zij zei: Uw zegelring, uw snoer en uw staf, die u in uw hand hebt. Hij gaf ze haar, kwam bij haar, en zij werd zwanger van hem.

19Daarna stond zij op, ging weg, legde haar sluier van zich af en trok haar weduwkleed weer aan.

20Juda stuurde het geitenbokje door bemiddeling van38:20 door bemiddeling van - Letterlijk: door de hand van. zijn vriend uit Adullam, om het onderpand uit de hand van de vrouw terug te krijgen; hij vond haar echter niet.

21Toen vroeg hij aan de mensen van haar woonplaats: Waar is de hoer die bij Enaïm langs de weg zat? Maar zij zeiden: Er is hier geen hoer geweest.

22Hij keerde daarop terug naar Juda en zei: Ik heb haar niet gevonden, en ook de mensen van die plaats zeiden: Er is hier geen hoer geweest.

23Toen zei Juda: Laat ze het onderpand zelf maar houden, anders zullen wij veracht worden. Zie, ik heb dit bokje willen sturen, maar u hebt haar niet gevonden.

24Het gebeurde ongeveer drie maanden later dat men Juda vertelde: Tamar, uw schoondochter, heeft hoererij bedreven en zie, ze is ook zwanger door die hoererij. Toen zei Juda: Breng haar de stad uit en laat haar verbrand worden!

25Terwijl zij de stad uit gebracht werd, stuurde ze een bode naar haar schoonvader om te zeggen: Van de man van wie deze voorwerpen zijn, ben ik zwanger. Ze zei: Kijk toch eens van wie deze zegelring, deze snoeren en deze staf zijn.

26En Juda herkende ze en zei: Zij staat in haar recht, meer dan ik, omdat ik haar niet aan mijn zoon Sela gegeven heb. En hij had voortaan geen gemeenschap meer met haar.38:26 had … gemeenschap met haar - Letterlijk: kende haar.

27En het gebeurde tegen de tijd dat zij baren zou, en zie!

38:27
1 Kron. 2:4
er bleek een tweeling in haar schoot te zijn.

28En terwijl zij baarde, gebeurde het dat de ene zijn hand naar buiten stak. De vroedvrouw pakte die, bond een scharlakenrode draad om zijn hand en zei: Deze komt er het eerst uit.

29Maar het gebeurde, toen hij zijn hand weer naar binnen trok, dat, zie, zijn broer tevoorschijn kwam. Daarop zei ze: Wat een bres heb jij voor jezelf geslagen! En men gaf hem de naam

38:29
Matt. 1:3
Perez.38:29 Perez betekent: bres.

30Daarna kwam zijn broer tevoorschijn, die de scharlakenrode draad om zijn hand had, en men gaf hém de naam Zerah.38:30 Zerah betekent: (zons)opgang.