Herziene Statenvertaling (HSV)
33

Ontmoeting en verzoening met Ezau

331Toen sloeg Jakob zijn ogen op en zag, en zie, daar kwam Ezau, met vierhonderd man bij zich. Hij verdeelde zijn kinderen over Lea, Rachel en zijn beide slavinnen.

2Hij zette de slavinnen en hun kinderen vooraan, Lea en haar kinderen daarachter en Rachel en Jozef daar weer achter,

3terwijl hij zelf vóór hen uit ging en zich zeven keer ter aarde neerboog, totdat hij bij zijn broer gekomen was.

4Maar Ezau snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem; en zij huilden.

5Toen sloeg hij zijn ogen op en zag de vrouwen en de kinderen. Hij vroeg: Wie heb je daar bij je? Jakob zei: Dat zijn de kinderen die God uw dienaar in Zijn genade geschonken heeft.

6Toen kwamen de slavinnen naar voren, zij en hun kinderen, en zij bogen zich neer.

7Ook Lea en haar kinderen kwamen naar voren en bogen zich neer; daarna kwamen Jozef en Rachel naar voren en zij bogen zich neer.

8Toen vroeg hij: Wat wil je met heel dat leger dieren dat ik ben tegengekomen? Hij zei: Die zijn bedoeld om genade in de ogen van mijn heer te vinden.

9Maar Ezau zei: Ik heb veel, mijn broer. Laat wat je hebt, van jou blijven.

10Jakob zei daarop: Nee toch, als ik toch genade in uw ogen gevonden heb, neem het geschenk uit mijn hand dan aan, want ik heb uw aangezicht gezien alsof ik het aangezicht van God zag, en u bent mij goedgezind geweest.

11Aanvaard toch mijn geschenk,33:11 geschenk - Letterlijk: zegen. dat u gebracht is, omdat God mij dit in Zijn genade geschonken heeft, en omdat ik alles heb. Hij drong zo aan dat hij het aanvaardde.

12Ezau zei: Laten wij opbreken en verdergaan, en ik zal met je meegaan.

13Hij zei echter tegen hem: Mijn heer weet dat de kinderen zwak zijn, en dat ik zogend kleinvee en zogende runderen bij mij heb; als men die maar één dag opjaagt, zal al het kleinvee sterven.

14Laat mijn heer toch vóór zijn dienaar uit gaan; ik wil op mijn gemak verdergaan, naar de gang van het vee33:14 het vee - Letterlijk: het werk. dat vóór mij is en naar de gang van de kinderen, totdat ik bij mijn heer in Seïr kom.

15Toen zei Ezau: Laat mij toch enkelen uit het volk dat bij mij is, bij je plaatsen. Maar hij zei: Waarom is dat nodig? Laat mij genade vinden in de ogen van mijn heer.

16Zo ging Ezau die dag zijns weegs, terug naar Seïr.

17Maar Jakob trok naar Sukkoth. En hij bouwde een huis voor zichzelf en maakte hutten voor zijn vee. Daarom gaf hij die plaats de naam Sukkoth.33:17 Sukkoth betekent: hutten.

Jakob bij Sichem

18

33:18
Joz. 24:32
Hand. 7:16
Jakob kwam veilig aan bij de stad Sichem, die in het land Kanaän ligt, nadat hij uit Paddan-Aram gekomen was; en in het zicht van die stad zette hij zijn tenten op.

19Hij kocht het stuk land waarop hij zijn tent gezet had voor honderd geldstukken van de zonen van Hemor, de vader van Sichem.

20Hij richtte daar een altaar op en gaf het de naam: De God van Israël is God.

34

Dina en de Sichemieten

341

34:1
Gen. 30:21
Dina, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had, trok eropuit om bij de meisjes van dat land te gaan kijken.

2En Sichem, de zoon van de Heviet Hemor, de vorst van het land, zag haar; hij greep haar en sliep met haar; hij verkrachtte haar.

3Maar zijn hart34:3 zijn hart - Letterlijk: zijn ziel, zie ook vers 8. raakte aan Dina, de dochter van Jakob, gehecht; hij had het meisje lief en sprak naar het hart van het meisje.

4Daarom zei Sichem tegen zijn vader Hemor: Neem dit meisje voor mij tot vrouw.

5Jakob had gehoord dat Sichem zijn dochter Dina onteerd had, maar zijn zonen waren bij het vee in het veld. Daarom zweeg Jakob totdat zij thuiskwamen.

6Hemor, de vader van Sichem, ging de stad uit naar Jakob om met hem te spreken.

7De zonen van Jakob kwamen van het veld zodra ze het hoorden. De mannen voelden zich gekwetst en ontstaken in hevige woede, omdat hij een schandelijke daad in Israël had begaan door met Jakobs dochter te slapen, want zoiets doet men niet.

8Toen sprak Hemor met hen en zei: Mijn zoon Sichem heeft met heel zijn hart liefde opgevat voor uw dochter. Geef haar toch aan hem tot vrouw.

9Ga huwelijksbanden met ons aan; dan geeft u uw dochters aan ons en kunt u onze dochters voor uzelf nemen.

10En blijf bij ons wonen. Het land ligt voor u open; woon er, trek erin rond en verwerf er bezit.

11En Sichem zei tegen haar vader en haar broers: Laat mij genade vinden in uw ogen, en ik zal geven wat u maar van mij wenst.

12Maak de bruidsschat en het huwelijksgeschenk gerust groot voor mij. Ik zal geven wat u van mij wenst; alleen: geef me het meisje tot vrouw.

13Toen antwoordden de zonen van Jakob Sichem en zijn vader Hemor op een bedrieglijke wijze, en, omdat hij hun zuster Dina onteerd had, spraken zij

14en zeiden zij tegen hen: Wij kunnen dit niet doen, onze zuster geven aan een man

34:14
Gen. 17:12,13,14
die zijn voorhuid nog heeft, want dat zou een schande voor ons zijn.

15Slechts op één voorwaarde kunnen wij u ter wille zijn: indien u wordt zoals wij, doordat al wie mannelijk is, onder u besneden wordt.

16Dan zullen wij onze dochters aan u geven, en uw dochters zullen wij voor ons nemen; wij zullen dan bij u wonen en wij zullen één volk worden.

17Maar als u niet naar ons wilt luisteren, door u niet te laten besnijden, dan zullen wij onze dochter meenemen en weggaan.

18Hun woorden waren goed in de ogen van Hemor en Sichem, Hemors zoon.

19En de jongeman aarzelde niet dit te doen, want hij verlangde naar de dochter van Jakob, en hij was de aanzienlijkste van heel zijn familie.

20Hemor en zijn zoon Sichem gingen daarom naar de poort van hun stad en spraken tot hun stadgenoten:

21Deze mannen zijn ons vredelievend gezind; laat hen daarom in dit land wonen en daarin rondtrekken. Zie, het land is naar beide kanten ruim genoeg.34:21 het land is naar beide kanten ruim genoeg - Letterlijk: het is wijd van beide handen. Wij kunnen hun dochters voor ons tot vrouw nemen en wij kunnen aan hen onze dochters geven.

22Slechts op één voorwaarde zullen deze mannen ons ter wille zijn om bij ons te wonen en één volk te worden: dat al wie mannelijk is, bij ons besneden wordt, zoals zij besneden zijn.

23Hun vee, hun bezit en al hun dieren, zullen die niet van ons zijn? Laten we hun slechts ter wille zijn; dan zullen ze bij ons blijven.

24Allen die naar de poort van zijn stad waren gegaan, luisterden naar Hemor en naar zijn zoon Sichem; en allen die mannelijk waren, allen die naar de poort van hun stad waren gegaan, werden besneden.

25Het gebeurde op de derde dag, toen zij pijn leden, dat

34:25
Gen. 49:6
twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broers van Dina, ieder hun zwaard namen, brutaalweg de stad overvielen en al wie mannelijk was, doodden.

26Zij doodden ook Hemor en zijn zoon Sichem met de scherpte van het zwaard, namen Dina uit Sichems huis mee en gingen weg.

27De zonen van Jakob kwamen op de gesneuvelden af en plunderden de stad, omdat zij hun zuster onteerd hadden.

28Hun kleinvee, hun runderen en hun ezels, en alles wat in de stad en wat op het veld was, namen zij mee.

29En al hun vermogen roofden zij, en al hun kleine kinderen en hun vrouwen voerden zij als gevangenen weg. Zij plunderden hen, en al wat in de huizen was, namen zij mee.

30Toen zei Jakob tegen Simeon en tegen Levi: Jullie hebben mij in het ongeluk gestort door mij in een kwade reuk te brengen bij de inwoners van dit land, bij de Kanaänieten en de Ferezieten, terwijl ik maar met weinig mensen ben. Als zij gezamenlijk tegen mij optrekken, zullen zij mij verslaan en zal ik weggevaagd worden, ik en mijn huis.

31Maar zij zeiden: Mocht hij dan onze zuster als een hoer behandelen?

35

Jakob komt terug in Bethel

351Daarna zei God tegen Jakob: Sta op, ga naar Bethel en ga daar wonen en maak daar een altaar voor de God

35:1
Gen. 28:12,13
Die aan u verschenen is,
35:1
Gen. 27:43
toen u vluchtte voor uw broer Ezau.

2Toen zei Jakob tegen zijn huisgezin en tegen allen die bij hem waren: Doe de vreemde goden die in uw midden zijn, van u weg. Reinig u en verwissel uw kleren.

3Laten wij opstaan en naar Bethel gaan. Ik zal daar een altaar maken voor de God Die mij antwoordde op de dag toen ik in nood was, en Die met mij geweest is op de weg die ik gegaan ben.

4Toen gaven zij Jakob al de vreemde goden die ze bij zich35:4 bij zich - Letterlijk: in hun hand. hadden, en de ringen die ze in de oren droegen. En Jakob verborg ze onder de eik die bij Sichem staat.

5Daarop braken zij op. Gods verschrikking lag over de steden die hen omringden, zodat zij de zonen van Jakob niet achtervolgden.

6Zo kwam Jakob in Luz, dat in het land Kanaän ligt – het tegenwoordige Bethel – hij en al het volk dat bij hem was.

7Hij bouwde daar een altaar en

35:7
Gen. 28:19
noemde die plaats El Bethel,35:7 El Bethel betekent: God is (in) Bethel. want God had Zich daar aan hem geopenbaard, toen hij voor zijn broer vluchtte.

8Toen stierf Debora, de voedster van Rebekka, en zij werd begraven ten zuiden van Bethel, onder die eik die hij de naam Eik van geween gaf.

9En

35:9
Hos. 12:5
God verscheen opnieuw aan Jakob, nadat hij uit Paddan-Aram gekomen was, en Hij zegende hem.

10God zei toen tegen hem: Uw naam is Jakob,

35:10
Gen. 32:28
2 Kon. 17:34
maar uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij gaf hem de naam Israël.

11Verder zei God tegen hem:

35:11
Gen. 17:1
28:3
48:3
Ik ben God, de Almachtige. Wees vruchtbaar en word talrijk.
35:11
Gen. 17:6,16
Een volk, ja, een menigte van volken zal uit u ontstaan;
35:11
Matt. 1:6
koningen zullen uit uw lichaam35:11 uit uw lichaam - Letterlijk: uit uw lendenen. voortkomen.

12Dit land, dat Ik Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik aan u geven; en aan uw nageslacht na u zal Ik dit land geven.

13Toen voer God op, bij hem vandaan, van de plaats waar Hij met hem gesproken had.

14Jakob

35:14
Gen. 28:18
richtte op de plaats waar God met hem gesproken had een gedenkteken op, een stenen gedenkteken. Hij goot er een plengoffer over uit en goot er olie over.

15En Jakob gaf de plaats waar God met hem gesproken had, de naam Bethel.35:15 Bethel betekent: huis van God.

Rachel sterft

16Zij braken op uit Bethel. Toen zij nog maar een kleine afstand af hoefden te leggen35:16 Toen … af hoefden te leggen - Letterlijk: Toen het nog een kleine streek land was. om bij Efrath te komen, baarde Rachel, en zij had het zwaar tijdens het baren.

17En het gebeurde, toen zij het zo zwaar had tijdens het baren, dat de vroedvrouw tegen haar zei: Wees niet bevreesd, want ook deze keer hebt u een zoon!

18En het gebeurde, toen haar ziel het lichaam verliet, want zij stierf, dat zij hem de naam Ben-oni35:18 Ben-oni betekent: zoon van mijn pijn. gaf. Zijn vader gaf hem echter de naam Benjamin.35:18 Benjamin betekent: zoon van de rechterhand.

19

35:19
Gen. 48:7
Zo stierf Rachel en zij werd begraven langs de weg naar Efrath, dat is het tegenwoordige Bethlehem.

20Jakob richtte toen een gedenkteken op boven haar graf. Dat gedenkteken op het graf van Rachel staat er tot op deze dag.

21Toen brak Israël op en hij zette zijn tent op voorbij Migdal-Eder.

22En het gebeurde, toen Israël in dat land woonde, dat Ruben

35:22
Gen. 49:4
eropuit ging en met Bilha sliep, de bijvrouw van zijn vader; en Israël kwam dat te weten. Jakob had twaalf zonen.

23

35:23
Gen. 46:8
Ex. 1:2
De zonen van Lea: Ruben, de eerstgeborene van Jakob, en daarna Simeon, Levi, Juda, Issaschar en Zebulon.

24De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.

25Verder de zonen van Bilha, de slavin van Rachel: Dan en Naftali.

26En de zonen van Zilpa, de slavin van Lea: Gad en Aser. Dit zijn de zonen van Jakob, die hem in Paddan-Aram geboren zijn.

Izak sterft

27Toen kwam Jakob bij Izak, zijn vader, in Mamre bij Kirjath-Arba, het tegenwoordige Hebron, waar Abraham en Izak als vreemdelingen gewoond hadden.

28De dagen van Izak waren honderdtachtig jaar.

29Toen

35:29
Gen. 25:8
gaf Izak de geest en stierf en werd met zijn voorgeslacht verenigd, oud en van dagen verzadigd. En zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem.