Herziene Statenvertaling (HSV)
32

Jakob is bevreesd voor Ezau

321Ook Jakob ging zijns weegs en

32:1
Gen. 48:16
engelen van God ontmoetten hem.

2Toen hij hen zag, zei Jakob: Dit is een leger van God! Daarom gaf hij die plaats de naam Mahanaïm.32:2 Mahanaïm betekent: twee kampen.

3En Jakob stuurde boden voor zich uit naar zijn broer Ezau, naar het land Seïr, het gebied van Edom.

4Hij gebood hun: Dit moet u zeggen tegen mijn heer, tegen Ezau: Dit zegt uw dienaar Jakob: Ik heb als vreemdeling bij Laban gewoond en heb mij daar tot nu toe opgehouden.

5Ik heb runderen, ezels, kleinvee, slaven en slavinnen, en ik heb iemand gestuurd om dit aan mijn heer te vertellen, opdat ik genade in uw ogen vind.

6De boden kwamen terug bij Jakob en zeiden: Wij zijn bij uw broer, bij Ezau, aangekomen, en nu komt hij u tegemoet, met vierhonderd man bij zich.

7Toen werd Jakob erg bevreesd en het benauwde hem. Hij verdeelde de mensen die bij hem waren, het kleinvee, de runderen en de kamelen in twee kampen,

8want hij zei: Als Ezau bij het ene kamp aankomt en het verslaat, dan kan het overgebleven kamp ontkomen.

9Verder zei Jakob: God van mijn vader Abraham, en God van mijn vader Izak, HEERE, Die tegen mij gezegd heeft:

32:9
Gen. 31:13
Keer terug naar uw land en uw familiekring, en Ik zal u weldoen –

10ik ben te onbeduidend voor al de blijken van goedertierenheid en al de trouw die U Uw dienaar bewezen hebt. Immers, slechts met mijn staf ben ik de Jordaan hier overgestoken en nu ben ik tot twee kampen uitgegroeid!

11Red mij toch uit de hand van mijn broer, uit de hand van Ezau; want ik ben bevreesd voor hem; anders zal hij komen en mij en de moeders samen met hun kinderen neerslaan!

12U hebt immers gezegd:

32:12
Gen. 28:13
Ik zal u zéker weldoen en Ik zal uw nageslacht maken als het zand van de zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!

13Hij overnachtte daar die nacht; en hij nam een deel van wat in zijn bezit32:13 in zijn bezit - Letterlijk: in zijn hand. gekomen was als geschenk voor zijn broer Ezau:

14tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen,

15dertig zogende kamelen met hun veulens, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezels.

16Vervolgens gaf hij ze in de hand van zijn dienaren, elke kudde apart; en hij zei tegen zijn dienaren: Steek de beek over, voor mij uit, en houd afstand tussen de kudden.

17En hij gebood de eerste: Als mijn broer Ezau u tegenkomt en u vraagt: Van wie bent u? En waar gaat u heen? En van wie is deze kudde die u voor u uit drijft?

18dan moet u zeggen: Dat is een geschenk van uw dienaar Jakob, gestuurd aan mijn heer Ezau; zie, hijzelf komt ook achter ons aan!

19En hij gebood ook de tweede, de derde en allen die achter de kudden liepen: U moet op dezelfde manier tot Ezau spreken zodra u hem aantreft.

20En u moet ook zeggen: Zie, uw dienaar Jakob komt achter ons aan! Want hij zei: Ik zal hem gunstig stemmen met dit geschenk, dat vóór mij uit gaat; daarna zal ik hem onder ogen komen.32:20 hem onder ogen komen - Letterlijk: zijn gezicht zien. Misschien zal hij mij ter wille zijn.32:20 ter wille zijn - Letterlijk: mijn gezicht verheffen.

21Zo stak het geschenk de beek over, voor hem uit; hijzelf echter overnachtte die nacht in het kamp.

22Diezelfde nacht stond hij op, nam zijn twee vrouwen, zijn twee slavinnen en zijn elf kinderen, en stak de doorwaadbare plaats van de Jabbok over.

23Hij nam hen mee en liet hen de beek oversteken. Alles wat hij had, liet hij oversteken.

Pniël

24Maar Jakob bleef alleen achter, en een Man worstelde met hem, totdat de dageraad aanbrak.

25En toen de Man zag dat Hij hem niet kon overwinnen, raakte Hij zijn heupgewricht aan, zodat het heupgewricht van Jakob ontwricht raakte toen Hij met hem worstelde.

26

32:26
Hos. 12:4
En Hij zei: Laat Mij gaan, want de dageraad is aangebroken. Maar hij zei: Ik zal U niet laten gaan, tenzij U mij zegent.

27En Hij zei tegen hem: Wat is uw naam? En hij antwoordde: Jakob.

28Toen zei Hij:

32:28
Gen. 35:10
Uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël,32:28 Israël betekent: strijder met God. want u hebt met God en met mensen gestreden, en hebt overwonnen.

29Jakob vroeg daarop: Vertel mij toch Uw Naam. En Hij zei: Waarom vraagt u naar Mijn Naam? En Hij zegende hem daar.

30En Jakob gaf die plaats de naam Pniël.32:30 Pniël betekent: aangezicht van God. Want, zei hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn leven is gered.

31En de zon ging over hem op, toen hij door Pniël gegaan was; hij ging echter mank aan zijn heup.

32Daarom eten de Israëlieten tot op deze dag de heupspier niet, die zich boven het heupgewricht bevindt, omdat Hij het heupgewricht van Jakob bij de heupspier had aangeraakt.

33

Ontmoeting en verzoening met Ezau

331Toen sloeg Jakob zijn ogen op en zag, en zie, daar kwam Ezau, met vierhonderd man bij zich. Hij verdeelde zijn kinderen over Lea, Rachel en zijn beide slavinnen.

2Hij zette de slavinnen en hun kinderen vooraan, Lea en haar kinderen daarachter en Rachel en Jozef daar weer achter,

3terwijl hij zelf vóór hen uit ging en zich zeven keer ter aarde neerboog, totdat hij bij zijn broer gekomen was.

4Maar Ezau snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem; en zij huilden.

5Toen sloeg hij zijn ogen op en zag de vrouwen en de kinderen. Hij vroeg: Wie heb je daar bij je? Jakob zei: Dat zijn de kinderen die God uw dienaar in Zijn genade geschonken heeft.

6Toen kwamen de slavinnen naar voren, zij en hun kinderen, en zij bogen zich neer.

7Ook Lea en haar kinderen kwamen naar voren en bogen zich neer; daarna kwamen Jozef en Rachel naar voren en zij bogen zich neer.

8Toen vroeg hij: Wat wil je met heel dat leger dieren dat ik ben tegengekomen? Hij zei: Die zijn bedoeld om genade in de ogen van mijn heer te vinden.

9Maar Ezau zei: Ik heb veel, mijn broer. Laat wat je hebt, van jou blijven.

10Jakob zei daarop: Nee toch, als ik toch genade in uw ogen gevonden heb, neem het geschenk uit mijn hand dan aan, want ik heb uw aangezicht gezien alsof ik het aangezicht van God zag, en u bent mij goedgezind geweest.

11Aanvaard toch mijn geschenk,33:11 geschenk - Letterlijk: zegen. dat u gebracht is, omdat God mij dit in Zijn genade geschonken heeft, en omdat ik alles heb. Hij drong zo aan dat hij het aanvaardde.

12Ezau zei: Laten wij opbreken en verdergaan, en ik zal met je meegaan.

13Hij zei echter tegen hem: Mijn heer weet dat de kinderen zwak zijn, en dat ik zogend kleinvee en zogende runderen bij mij heb; als men die maar één dag opjaagt, zal al het kleinvee sterven.

14Laat mijn heer toch vóór zijn dienaar uit gaan; ik wil op mijn gemak verdergaan, naar de gang van het vee33:14 het vee - Letterlijk: het werk. dat vóór mij is en naar de gang van de kinderen, totdat ik bij mijn heer in Seïr kom.

15Toen zei Ezau: Laat mij toch enkelen uit het volk dat bij mij is, bij je plaatsen. Maar hij zei: Waarom is dat nodig? Laat mij genade vinden in de ogen van mijn heer.

16Zo ging Ezau die dag zijns weegs, terug naar Seïr.

17Maar Jakob trok naar Sukkoth. En hij bouwde een huis voor zichzelf en maakte hutten voor zijn vee. Daarom gaf hij die plaats de naam Sukkoth.33:17 Sukkoth betekent: hutten.

Jakob bij Sichem

18

33:18
Joz. 24:32
Hand. 7:16
Jakob kwam veilig aan bij de stad Sichem, die in het land Kanaän ligt, nadat hij uit Paddan-Aram gekomen was; en in het zicht van die stad zette hij zijn tenten op.

19Hij kocht het stuk land waarop hij zijn tent gezet had voor honderd geldstukken van de zonen van Hemor, de vader van Sichem.

20Hij richtte daar een altaar op en gaf het de naam: De God van Israël is God.

34

Dina en de Sichemieten

341

34:1
Gen. 30:21
Dina, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had, trok eropuit om bij de meisjes van dat land te gaan kijken.

2En Sichem, de zoon van de Heviet Hemor, de vorst van het land, zag haar; hij greep haar en sliep met haar; hij verkrachtte haar.

3Maar zijn hart34:3 zijn hart - Letterlijk: zijn ziel, zie ook vers 8. raakte aan Dina, de dochter van Jakob, gehecht; hij had het meisje lief en sprak naar het hart van het meisje.

4Daarom zei Sichem tegen zijn vader Hemor: Neem dit meisje voor mij tot vrouw.

5Jakob had gehoord dat Sichem zijn dochter Dina onteerd had, maar zijn zonen waren bij het vee in het veld. Daarom zweeg Jakob totdat zij thuiskwamen.

6Hemor, de vader van Sichem, ging de stad uit naar Jakob om met hem te spreken.

7De zonen van Jakob kwamen van het veld zodra ze het hoorden. De mannen voelden zich gekwetst en ontstaken in hevige woede, omdat hij een schandelijke daad in Israël had begaan door met Jakobs dochter te slapen, want zoiets doet men niet.

8Toen sprak Hemor met hen en zei: Mijn zoon Sichem heeft met heel zijn hart liefde opgevat voor uw dochter. Geef haar toch aan hem tot vrouw.

9Ga huwelijksbanden met ons aan; dan geeft u uw dochters aan ons en kunt u onze dochters voor uzelf nemen.

10En blijf bij ons wonen. Het land ligt voor u open; woon er, trek erin rond en verwerf er bezit.

11En Sichem zei tegen haar vader en haar broers: Laat mij genade vinden in uw ogen, en ik zal geven wat u maar van mij wenst.

12Maak de bruidsschat en het huwelijksgeschenk gerust groot voor mij. Ik zal geven wat u van mij wenst; alleen: geef me het meisje tot vrouw.

13Toen antwoordden de zonen van Jakob Sichem en zijn vader Hemor op een bedrieglijke wijze, en, omdat hij hun zuster Dina onteerd had, spraken zij

14en zeiden zij tegen hen: Wij kunnen dit niet doen, onze zuster geven aan een man

34:14
Gen. 17:12,13,14
die zijn voorhuid nog heeft, want dat zou een schande voor ons zijn.

15Slechts op één voorwaarde kunnen wij u ter wille zijn: indien u wordt zoals wij, doordat al wie mannelijk is, onder u besneden wordt.

16Dan zullen wij onze dochters aan u geven, en uw dochters zullen wij voor ons nemen; wij zullen dan bij u wonen en wij zullen één volk worden.

17Maar als u niet naar ons wilt luisteren, door u niet te laten besnijden, dan zullen wij onze dochter meenemen en weggaan.

18Hun woorden waren goed in de ogen van Hemor en Sichem, Hemors zoon.

19En de jongeman aarzelde niet dit te doen, want hij verlangde naar de dochter van Jakob, en hij was de aanzienlijkste van heel zijn familie.

20Hemor en zijn zoon Sichem gingen daarom naar de poort van hun stad en spraken tot hun stadgenoten:

21Deze mannen zijn ons vredelievend gezind; laat hen daarom in dit land wonen en daarin rondtrekken. Zie, het land is naar beide kanten ruim genoeg.34:21 het land is naar beide kanten ruim genoeg - Letterlijk: het is wijd van beide handen. Wij kunnen hun dochters voor ons tot vrouw nemen en wij kunnen aan hen onze dochters geven.

22Slechts op één voorwaarde zullen deze mannen ons ter wille zijn om bij ons te wonen en één volk te worden: dat al wie mannelijk is, bij ons besneden wordt, zoals zij besneden zijn.

23Hun vee, hun bezit en al hun dieren, zullen die niet van ons zijn? Laten we hun slechts ter wille zijn; dan zullen ze bij ons blijven.

24Allen die naar de poort van zijn stad waren gegaan, luisterden naar Hemor en naar zijn zoon Sichem; en allen die mannelijk waren, allen die naar de poort van hun stad waren gegaan, werden besneden.

25Het gebeurde op de derde dag, toen zij pijn leden, dat

34:25
Gen. 49:6
twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broers van Dina, ieder hun zwaard namen, brutaalweg de stad overvielen en al wie mannelijk was, doodden.

26Zij doodden ook Hemor en zijn zoon Sichem met de scherpte van het zwaard, namen Dina uit Sichems huis mee en gingen weg.

27De zonen van Jakob kwamen op de gesneuvelden af en plunderden de stad, omdat zij hun zuster onteerd hadden.

28Hun kleinvee, hun runderen en hun ezels, en alles wat in de stad en wat op het veld was, namen zij mee.

29En al hun vermogen roofden zij, en al hun kleine kinderen en hun vrouwen voerden zij als gevangenen weg. Zij plunderden hen, en al wat in de huizen was, namen zij mee.

30Toen zei Jakob tegen Simeon en tegen Levi: Jullie hebben mij in het ongeluk gestort door mij in een kwade reuk te brengen bij de inwoners van dit land, bij de Kanaänieten en de Ferezieten, terwijl ik maar met weinig mensen ben. Als zij gezamenlijk tegen mij optrekken, zullen zij mij verslaan en zal ik weggevaagd worden, ik en mijn huis.

31Maar zij zeiden: Mocht hij dan onze zuster als een hoer behandelen?