Herziene Statenvertaling (HSV)
31

Jakob moet terug naar Kanaän

311Toen hoorde hij de woorden van de zonen van Laban, die zeiden: Jakob heeft alles genomen wat van onze vader was; uit dat wat van onze vader was, heeft hij al deze rijkdom verworven.

2Ook lette Jakob op het gezicht van Laban, en zie, het stond ten opzichte van hem niet meer als voorheen.31:2 voorheen - Letterlijk: gisteren en eergisteren; zie ook vers 5.

3Toen zei de HEERE tegen Jakob: Keer terug naar het land van uw vaderen en naar uw familiekring. Ik zal met u zijn.

4Toen stuurde Jakob boden en liet Rachel en Lea naar het veld roepen, naar zijn kleinvee,

5en hij zei tegen hen: Ik zie dat het gezicht van jullie vader ten opzichte van mij niet meer staat als voorheen. De God van mijn vader is echter bij mij geweest.

6Jullie weten zelf dat ik met al mijn kracht voor jullie vader heb gewerkt.

7Jullie vader heeft mij echter bedrogen en mijn loon wel tien keer veranderd, maar God heeft hem niet toegelaten mij kwaad te doen.

8Wanneer hij dit zei: De gespikkelde dieren zullen je loon zijn, dan wierp al het kleinvee gespikkelde jongen; en wanneer hij dit zei: De gestreepte dieren zullen je loon zijn, dan wierp al het kleinvee gestreepte jongen.

9Zo heeft God het vee aan jullie vader ontrukt en het mij gegeven.

10Het gebeurde eens in de tijd dat het kleinvee bronstig was dat ik mijn ogen opsloeg en in een droom zag dat, zie, de bokken die het kleinvee besprongen, gestreept, gespikkeld en gevlekt waren.

11De Engel van God zei tegen mij in die droom: Jakob! Ik zei: Zie, hier ben ik!

12Hij zei: Sla toch uw ogen op en zie: al de bokken die het kleinvee bespringen, zijn gestreept, gespikkeld en gevlekt. Voorzeker, Ik heb alles gezien wat Laban u aandoet!

13Ik ben de God van Bethel,

31:13
Gen. 28:13,14,15
waar u een gedenkteken gezalfd hebt, waar u Mij een gelofte gedaan hebt. Welnu, sta op, vertrek uit dit land en keer terug naar het land van uw familiekring.

14Rachel en Lea antwoordden en zeiden tegen hem: Is er voor ons nog een aandeel of erfelijk bezit in het huis van onze vader?

15Worden wij door hem niet als vreemden beschouwd? Hij heeft ons immers verkocht en ook ons geld geheel en al opgemaakt,31:15 opgemaakt - Letterlijk: opgegeten.

16want al de rijkdom die God aan onze vader ontrukt heeft, die behoort ons en onze kinderen toe! Nu dan, doe alles wat God tegen je gezegd heeft.

17Toen stond Jakob op, zette zijn kinderen en zijn vrouwen op de kamelen,

18voerde al zijn vee en al zijn bezittingen, die hij verworven had, mee – het vee dat hij bezat, dat hij in Paddan-Aram verworven had – om bij zijn vader Izak te komen, in het land Kanaän.

19Laban was op weg gegaan om zijn schapen te scheren; Rachel stal toen de afgodsbeeldjes die haar vader toebehoorden.

20Jakob bedroog Laban,31:20 bedroog Laban - Letterlijk: stal het hart van Laban; zie ook de verzen 26 en 27. de Syriër, door hem niet te vertellen dat hij vluchtte.

21Zo vluchtte hij, met alles wat van hem was. Hij stond op, stak de rivier over en ging in de richting van31:21 ging in de richting van - Letterlijk: zette zijn gezicht naar. het bergland van Gilead.

Laban achtervolgt Jakob

22Op de derde dag werd Laban verteld dat Jakob gevlucht was.

23Hij nam toen zijn verwanten met zich mee, achtervolgde hem over een afstand van zeven dagreizen en haalde hem in in het bergland van Gilead.

24Maar God kwam 's nachts in een droom bij Laban, de Syriër, en zei tegen hem: Wees op uw hoede dat u met Jakob niet goedwillend of kwaadwillend spreekt.

25Zo haalde Laban Jakob in. Jakob nu had zijn tent opgezet in het bergland; ook Laban en zijn verwanten zetten de hunne op in het bergland van Gilead.

26Toen zei Laban tegen Jakob: Wat heb je gedaan, dat je mij bedrogen hebt en mijn dochters als krijgsgevangenen31:26 krijgsgevangenen - Letterlijk: gevangenen van het zwaard. hebt weggevoerd?

27Waarom ben je heimelijk gevlucht en heb je mij bedrogen en mij niets verteld? Ik zou je uitgeleide gedaan hebben met blijdschap en liederen, met tamboerijn en harp.

28Bovendien heb je mij niet toegelaten mijn zonen en dochters te kussen. Welnu, je hebt dwaas gehandeld door zo te doen.

29Het was in mijn macht31:29 in mijn macht - Letterlijk: in de macht van mijn hand. je kwaad te doen, maar de God van je vader heeft in de afgelopen nacht tot mij gesproken: Wees op uw hoede dat u met Jakob niet goedwillend of kwaadwillend spreekt.

30Maar nu, je bent ongetwijfeld gegaan omdat je hevig naar het huis van je vader verlangde; maar waarom heb je dan mijn goden gestolen?

31Toen antwoordde Jakob en zei tegen Laban: Ik was namelijk bevreesd, want ik dacht dat u mij anders uw dochters met geweld zou afnemen.

32Degene bij wie u uw goden vindt, zal niet in leven blijven. Onderzoek zelf, ten overstaan van onze familieleden, wat ik bij me heb, en neem wat van u is terug. Jakob wist echter niet dat Rachel ze gestolen had.

33Laban ging de tent van Jakob binnen en de tent van Lea en de tent van de beide slavinnen, maar hij vond niets. Toen hij uit de tent van Lea gegaan was, ging hij de tent van Rachel binnen.

34Rachel had de afgodsbeeldjes gepakt, ze in een kameelzadel verborgen en was erop gaan zitten. En Laban doorzocht de hele tent, maar hij vond niets.

35Zij zei tegen haar vader: Laten de ogen van mijn heer niet in toorn ontvlammen omdat ik voor u niet kan opstaan, want het gaat mij naar de wijze van de vrouwen. Hij zocht, maar vond de afgodsbeeldjes niet.

36Toen ontstak Jakob in woede en riep Laban ter verantwoording. Jakob nam het woord en zei tegen Laban: Wat is mijn overtreding? Wat is mijn zonde, dat u mij zo verwoed hebt achtervolgd

37en dat u al mijn huisraad hebt doorzocht? Wat hebt u van al uw eigen huisraad gevonden? Leg het hier neer ten overstaan van mijn verwanten en uw verwanten en laten zij tussen ons beiden rechtspreken.

38Deze twintig jaar dat ik bij u geweest ben, hebben uw ooien en uw geiten geen misdracht gehad en de rammen van uw kleinvee heb ik niet gegeten.

39Verscheurde dieren heb ik niet naar u toe gebracht, ik moest ze zelf vergoeden. Ook hebt u van mij31:39 van mij - Letterlijk: uit mijn hand. vergoeding geëist van wat overdag gestolen was en wat 's nachts gestolen was.

40Het is zo met mij geweest: overdag werd ik gekweld31:40 gekweld - Letterlijk: opgegeten. door de hitte, 's nachts door de kou, zodat de slaap van mijn ogen week.

41Twintig jaar ben ik nu bij u in huis geweest: veertien jaar heb ik u gediend voor uw beide dochters en zes jaar voor uw kleinvee, en u hebt mijn loon tien keer veranderd.

42Als de God van mijn vader, de God van Abraham en de Gevreesde van Izak niet met mij geweest was, zou u mij nu met lege handen weggestuurd hebben. God heeft mijn ellende en de inspanning van mijn handen gezien en heeft u gisternacht bestraft.

Verbond met Laban

43Toen antwoordde Laban en zei tegen Jakob: Deze dochters zijn mijn dochters, deze zonen zijn mijn zonen, dit kleinvee is mijn kleinvee. Ja, alles wat je ziet: het is van mij. En mijn eigen dochters, wat zou ik hun of de kinderen die zij gebaard hebben, heden kunnen aandoen?

44Nu dan, kom, laten wij een verbond sluiten, ik en jij. Laat dat een getuige zijn tussen mij en jou.

45Toen nam Jakob een steen en zette die overeind als gedenkteken.

46Jakob zei tegen zijn verwanten: Verzamel nog meer stenen. En zij haalden stenen en maakten een steenhoop en aten daar bij die hoop stenen.

47Laban noemde hem Jegar-Sahadutha, maar Jakob noemde hem Gilead.31:47 Jegar-Sahadutha en Gilead zijn respectievelijk Aramese en Hebreeuwse woorden en betekenen: een (steen)hoop is getuige.

48Toen zei Laban: Laat deze steenhoop heden getuige zijn tussen mij en jou. Daarom gaf men hem de naam Gilead,

49en Mizpa,31:49 Mizpa betekent: wachtpost. want hij zei: Laat de HEERE de wacht houden tussen mij en jou, als wij voor elkaar verborgen zijn.

50Als jij mijn dochters vernedert of vrouwen neemt naast mijn dochters, is er niemand bij ons; zie, God zal getuige zijn tussen mij en jou.

51Verder zei Laban tegen Jakob: Zie deze steenhoop, en zie het gedenkteken dat ik overeind gezet heb tussen mij en jou.

52Deze steenhoop is getuige, en dit gedenkteken is getuige dat ik niet voorbij deze steenhoop naar jou toe zal trekken, en dat jij niet voorbij deze steenhoop en dit gedenkteken naar mij toe zult trekken, met kwade bedoelingen.

53Laten de God van Abraham en de god van Nahor, de god van hun vader, tussen ons oordelen. En Jakob legde een eed af bij de Gevreesde van zijn vader Izak.

54Jakob bracht vervolgens een offer op de berg en nodigde zijn familieleden uit de maaltijd te komen gebruiken;31:54 de maaltijd te … gebruiken - Letterlijk: brood te … eten; zie ook de volgende regel. zij gebruikten de maaltijd en overnachtten op de berg.

55En Laban stond 's morgens vroeg op, kuste zijn zonen en zijn dochters en zegende hen. Daarna ging Laban op weg en keerde terug naar zijn woonplaats.

32

Jakob is bevreesd voor Ezau

321Ook Jakob ging zijns weegs en

32:1
Gen. 48:16
engelen van God ontmoetten hem.

2Toen hij hen zag, zei Jakob: Dit is een leger van God! Daarom gaf hij die plaats de naam Mahanaïm.32:2 Mahanaïm betekent: twee kampen.

3En Jakob stuurde boden voor zich uit naar zijn broer Ezau, naar het land Seïr, het gebied van Edom.

4Hij gebood hun: Dit moet u zeggen tegen mijn heer, tegen Ezau: Dit zegt uw dienaar Jakob: Ik heb als vreemdeling bij Laban gewoond en heb mij daar tot nu toe opgehouden.

5Ik heb runderen, ezels, kleinvee, slaven en slavinnen, en ik heb iemand gestuurd om dit aan mijn heer te vertellen, opdat ik genade in uw ogen vind.

6De boden kwamen terug bij Jakob en zeiden: Wij zijn bij uw broer, bij Ezau, aangekomen, en nu komt hij u tegemoet, met vierhonderd man bij zich.

7Toen werd Jakob erg bevreesd en het benauwde hem. Hij verdeelde de mensen die bij hem waren, het kleinvee, de runderen en de kamelen in twee kampen,

8want hij zei: Als Ezau bij het ene kamp aankomt en het verslaat, dan kan het overgebleven kamp ontkomen.

9Verder zei Jakob: God van mijn vader Abraham, en God van mijn vader Izak, HEERE, Die tegen mij gezegd heeft:

32:9
Gen. 31:13
Keer terug naar uw land en uw familiekring, en Ik zal u weldoen –

10ik ben te onbeduidend voor al de blijken van goedertierenheid en al de trouw die U Uw dienaar bewezen hebt. Immers, slechts met mijn staf ben ik de Jordaan hier overgestoken en nu ben ik tot twee kampen uitgegroeid!

11Red mij toch uit de hand van mijn broer, uit de hand van Ezau; want ik ben bevreesd voor hem; anders zal hij komen en mij en de moeders samen met hun kinderen neerslaan!

12U hebt immers gezegd:

32:12
Gen. 28:13
Ik zal u zéker weldoen en Ik zal uw nageslacht maken als het zand van de zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!

13Hij overnachtte daar die nacht; en hij nam een deel van wat in zijn bezit32:13 in zijn bezit - Letterlijk: in zijn hand. gekomen was als geschenk voor zijn broer Ezau:

14tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen,

15dertig zogende kamelen met hun veulens, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezels.

16Vervolgens gaf hij ze in de hand van zijn dienaren, elke kudde apart; en hij zei tegen zijn dienaren: Steek de beek over, voor mij uit, en houd afstand tussen de kudden.

17En hij gebood de eerste: Als mijn broer Ezau u tegenkomt en u vraagt: Van wie bent u? En waar gaat u heen? En van wie is deze kudde die u voor u uit drijft?

18dan moet u zeggen: Dat is een geschenk van uw dienaar Jakob, gestuurd aan mijn heer Ezau; zie, hijzelf komt ook achter ons aan!

19En hij gebood ook de tweede, de derde en allen die achter de kudden liepen: U moet op dezelfde manier tot Ezau spreken zodra u hem aantreft.

20En u moet ook zeggen: Zie, uw dienaar Jakob komt achter ons aan! Want hij zei: Ik zal hem gunstig stemmen met dit geschenk, dat vóór mij uit gaat; daarna zal ik hem onder ogen komen.32:20 hem onder ogen komen - Letterlijk: zijn gezicht zien. Misschien zal hij mij ter wille zijn.32:20 ter wille zijn - Letterlijk: mijn gezicht verheffen.

21Zo stak het geschenk de beek over, voor hem uit; hijzelf echter overnachtte die nacht in het kamp.

22Diezelfde nacht stond hij op, nam zijn twee vrouwen, zijn twee slavinnen en zijn elf kinderen, en stak de doorwaadbare plaats van de Jabbok over.

23Hij nam hen mee en liet hen de beek oversteken. Alles wat hij had, liet hij oversteken.

Pniël

24Maar Jakob bleef alleen achter, en een Man worstelde met hem, totdat de dageraad aanbrak.

25En toen de Man zag dat Hij hem niet kon overwinnen, raakte Hij zijn heupgewricht aan, zodat het heupgewricht van Jakob ontwricht raakte toen Hij met hem worstelde.

26

32:26
Hos. 12:4
En Hij zei: Laat Mij gaan, want de dageraad is aangebroken. Maar hij zei: Ik zal U niet laten gaan, tenzij U mij zegent.

27En Hij zei tegen hem: Wat is uw naam? En hij antwoordde: Jakob.

28Toen zei Hij:

32:28
Gen. 35:10
Uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël,32:28 Israël betekent: strijder met God. want u hebt met God en met mensen gestreden, en hebt overwonnen.

29Jakob vroeg daarop: Vertel mij toch Uw Naam. En Hij zei: Waarom vraagt u naar Mijn Naam? En Hij zegende hem daar.

30En Jakob gaf die plaats de naam Pniël.32:30 Pniël betekent: aangezicht van God. Want, zei hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn leven is gered.

31En de zon ging over hem op, toen hij door Pniël gegaan was; hij ging echter mank aan zijn heup.

32Daarom eten de Israëlieten tot op deze dag de heupspier niet, die zich boven het heupgewricht bevindt, omdat Hij het heupgewricht van Jakob bij de heupspier had aangeraakt.

33

Ontmoeting en verzoening met Ezau

331Toen sloeg Jakob zijn ogen op en zag, en zie, daar kwam Ezau, met vierhonderd man bij zich. Hij verdeelde zijn kinderen over Lea, Rachel en zijn beide slavinnen.

2Hij zette de slavinnen en hun kinderen vooraan, Lea en haar kinderen daarachter en Rachel en Jozef daar weer achter,

3terwijl hij zelf vóór hen uit ging en zich zeven keer ter aarde neerboog, totdat hij bij zijn broer gekomen was.

4Maar Ezau snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem; en zij huilden.

5Toen sloeg hij zijn ogen op en zag de vrouwen en de kinderen. Hij vroeg: Wie heb je daar bij je? Jakob zei: Dat zijn de kinderen die God uw dienaar in Zijn genade geschonken heeft.

6Toen kwamen de slavinnen naar voren, zij en hun kinderen, en zij bogen zich neer.

7Ook Lea en haar kinderen kwamen naar voren en bogen zich neer; daarna kwamen Jozef en Rachel naar voren en zij bogen zich neer.

8Toen vroeg hij: Wat wil je met heel dat leger dieren dat ik ben tegengekomen? Hij zei: Die zijn bedoeld om genade in de ogen van mijn heer te vinden.

9Maar Ezau zei: Ik heb veel, mijn broer. Laat wat je hebt, van jou blijven.

10Jakob zei daarop: Nee toch, als ik toch genade in uw ogen gevonden heb, neem het geschenk uit mijn hand dan aan, want ik heb uw aangezicht gezien alsof ik het aangezicht van God zag, en u bent mij goedgezind geweest.

11Aanvaard toch mijn geschenk,33:11 geschenk - Letterlijk: zegen. dat u gebracht is, omdat God mij dit in Zijn genade geschonken heeft, en omdat ik alles heb. Hij drong zo aan dat hij het aanvaardde.

12Ezau zei: Laten wij opbreken en verdergaan, en ik zal met je meegaan.

13Hij zei echter tegen hem: Mijn heer weet dat de kinderen zwak zijn, en dat ik zogend kleinvee en zogende runderen bij mij heb; als men die maar één dag opjaagt, zal al het kleinvee sterven.

14Laat mijn heer toch vóór zijn dienaar uit gaan; ik wil op mijn gemak verdergaan, naar de gang van het vee33:14 het vee - Letterlijk: het werk. dat vóór mij is en naar de gang van de kinderen, totdat ik bij mijn heer in Seïr kom.

15Toen zei Ezau: Laat mij toch enkelen uit het volk dat bij mij is, bij je plaatsen. Maar hij zei: Waarom is dat nodig? Laat mij genade vinden in de ogen van mijn heer.

16Zo ging Ezau die dag zijns weegs, terug naar Seïr.

17Maar Jakob trok naar Sukkoth. En hij bouwde een huis voor zichzelf en maakte hutten voor zijn vee. Daarom gaf hij die plaats de naam Sukkoth.33:17 Sukkoth betekent: hutten.

Jakob bij Sichem

18

33:18
Joz. 24:32
Hand. 7:16
Jakob kwam veilig aan bij de stad Sichem, die in het land Kanaän ligt, nadat hij uit Paddan-Aram gekomen was; en in het zicht van die stad zette hij zijn tenten op.

19Hij kocht het stuk land waarop hij zijn tent gezet had voor honderd geldstukken van de zonen van Hemor, de vader van Sichem.

20Hij richtte daar een altaar op en gaf het de naam: De God van Israël is God.