Herziene Statenvertaling (HSV)
28

Jakob naar Mesopotamië

281Toen riep Izak Jakob en zegende hem; en hij gebood hem en zei tegen hem: Neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän.

2

28:2
Hos. 12:13
Sta op, ga naar Paddan-Aram, naar het huis van Bethuel, de vader van je moeder, en neem vandaar een vrouw voor je uit de dochters van Laban, de broer van je moeder.

3En moge God, de Almachtige, je zegenen, en je vruchtbaar en talrijk maken, zodat je tot een menigte van volken zult worden.

4Moge Hij je de zegen van Abraham geven, jou

28:4
Gen. 12:7
13:15
15:18
24:7
26:3
Deut. 34:4
Hand. 7:5
en je nageslacht met je, zodat je het land waar je vreemdeling bent,28:4 het land … bent - Letterlijk: het land van je vreemdelingschap. dat God aan Abraham gegeven heeft, in bezit krijgt.

5Zo stuurde Izak Jakob weg en die ging naar Paddan-Aram, naar Laban, de zoon van Bethuel, de Syriër, en de broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Ezau.

6Toen Ezau zag dat Izak Jakob gezegend had, en hem weggestuurd had naar Paddan-Aram om vandaar voor zich een vrouw te nemen, en dat hij hem, toen hij hem zegende, geboden had: Neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän,

7en toen hij zag dat Jakob naar zijn vader en moeder geluisterd had en naar Paddan-Aram gegaan was,

8en toen Ezau zag dat de dochters van Kanaän niet deugden28:8 niet deugden - Letterlijk: slecht waren. in de ogen van zijn vader Izak,

9ging Ezau naar Ismaël en nam hij Machalath, de dochter van Ismaël, de zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth voor zich tot vrouw, naast zijn andere vrouwen.

Jakob in Bethel

10Jakob nu vertrok uit Berseba en ging naar Haran.

11Hij bereikte de plaats waar hij overnachtte, want de zon was ondergegaan. Hij nam een van de stenen van die plaats, maakte daar zijn hoofdkussen van, en legde zich op die plaats te slapen.

12Toen droomde hij, en zie, op de aarde was een ladder geplaatst, waarvan de top de hemel raakte, en zie,

28:12
Joh. 1:52
de engelen van God klommen daarlangs omhoog en omlaag.

13En zie, de HEERE stond boven aan die ladder en zei:

28:13
Gen. 35:1,3
48:3
Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham en de God van Izak; dit land waarop u ligt te slapen,
28:13
Deut. 12:20
19:8
zal Ik u en uw nageslacht geven.

14Uw nageslacht zal talrijk zijn als het stof van de aarde en u zult zich uitbreiden naar het westen, het oosten, het noorden en het zuiden.

28:14
Gen. 12:3
18:18
22:18
26:4
In u en uw nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.

15En zie, Ik ben met u, Ik zal u beschermen overal waar u heen zult gaan, en Ik zal u terugbrengen in dít land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb!

16Toen Jakob uit zijn slaap ontwaakte, zei hij: De HEERE is werkelijk op deze plaats, en ik heb het niet geweten.

17Daarom was hij bevreesd en zei hij: Hoe ontzagwekkend is deze plaats! Dit is niets anders dan het huis van God en de poort van de hemel.

18Daarna stond Jakob 's morgens vroeg op. Hij nam de steen waar hij zijn hoofdkussen van gemaakt had,

28:18
Gen. 31:13
35:14
zette die overeind als een gedenkteken en goot er olie op.

19Hij gaf die plaats de naam Bethel,28:19 Bethel betekent: huis van God. hoewel de naam van de stad eerst Luz was.

20Jakob legde een gelofte af en zei: Als God met mij zal zijn en mij zal beschermen op deze weg, waar ik op ga, en mij brood zal geven om te eten en kleren om aan te trekken,

21en ik in vrede in het huis van mijn vader zal terugkeren, dan zal de HEERE mij tot een God zijn.

22Deze steen, die ik als gedenkteken overeind gezet heb, zal een huis van God zijn. En van alles wat U mij geven zult, zal ik U zeker het tiende deel geven.

29

Jakob bij Laban

291Daarna begaf Jakob zich op weg29:1 begaf … op weg - Letterlijk: tilde … zijn voeten op. en ging hij naar het land van de mensen van het oosten.

2Hij keek om zich heen en zie, er was een waterput in het veld, en zie, er lagen drie kudden kleinvee naast. Uit die put gaf men namelijk de kudden te drinken. Er lag een grote steen op de opening van de put.

3Als al de kudden daar bij elkaar gedreven waren, rolde men de steen van de opening van de put en gaf men het kleinvee te drinken. Daarna legde men de steen weer op zijn plaats, op de opening van de put.

4Toen vroeg Jakob hun: Mijn broeders, waar komt u vandaan? Daarop zeiden zij: Wij komen uit Haran.

5Hij vroeg hun: Kent u Laban, de zoon van Nahor? Zij zeiden: Wij kennen hem.

6Vervolgens vroeg hij hun: Gaat het goed met hem? Zij zeiden: Het gaat goed. En zie, daar komt zijn dochter Rachel aan met het kleinvee.

7Hij zei: Zie, het is nog volop dag! Het is toch nog geen tijd om het vee bij elkaar te drijven? Geef het kleinvee te drinken en ga dan weer weg om ze te laten grazen.

8Zij zeiden echter: Dat kunnen wij niet doen voordat al de kudden bij elkaar gedreven zijn en men de steen van de opening van de put gerold heeft. Pas dan kunnen wij het kleinvee te drinken geven.

9Terwijl hij nog met hen sprak, kwam Rachel met het kleinvee van haar vader; zij was namelijk herderin.

10En het gebeurde, toen Jakob Rachel, de dochter van Laban, de broer van zijn moeder, en het kleinvee van Laban, de broer van zijn moeder zag, dat Jakob naar voren liep, de steen van de opening van de put rolde en het kleinvee van Laban, de broer van zijn moeder, te drinken gaf.

11Jakob kuste Rachel en begon luid te huilen.29:11 begon luid te huilen - Letterlijk: verhief zijn stem en huilde.

12Jakob vertelde Rachel dat hij een neef van haar vader was en dat hij de zoon van Rebekka was. Toen liep zij snel weg en vertelde het aan haar vader.

13En het gebeurde, zodra Laban het bericht over Jakob, de zoon van zijn zuster, hoorde, dat hij hem snel tegemoetliep, hem omhelsde, hem kuste en hem naar zijn huis bracht. En hij vertelde Laban al deze dingen.

14Daarop zei Laban: Inderdaad, je bent mijn beenderen en mijn vlees. En hij bleef een volle maand bij hem.

Lea en Rachel

15Toen zei Laban tegen Jakob: Omdat je familie van mij bent, hoef je toch niet voor niets voor mij te werken? Vertel mij maar wat je loon moet zijn.

16Nu had Laban twee dochters: de naam van de oudste was Lea, en de naam van de jongste was Rachel.

17Lea had fletse ogen, maar Rachel was mooi van gestalte en knap om te zien.

18Jakob had Rachel lief. Daarom zei hij:

29:18
Hos. 12:13
Ik zal zeven jaar voor u werken om Rachel, uw jongste dochter.

19Toen zei Laban: Het is beter dat ik haar aan jou geef dan dat ik haar aan een andere man geef. Blijf bij me.

20Zo werkte Jakob zeven jaar om Rachel, en de jaren waren in zijn ogen als dagen, omdat hij haar liefhad.

21Toen zei Jakob tegen Laban: Geef mij mijn vrouw, want mijn dagen zijn om, zodat ik bij haar kan komen.

22Daarom verzamelde Laban al de mannen van die plaats en hij richtte een maaltijd aan.

23En het gebeurde 's avonds dat hij zijn dochter Lea nam en haar bij hem bracht; en Jakob kwam bij haar.

24Ook gaf Laban haar zijn slavin Zilpa; aan zijn dochter Lea gaf hij haar als slavin.

25En het gebeurde 's morgens – zie, het was Lea! Daarom zei hij tegen Laban: Wat hebt u me nu aangedaan? Heb ik niet voor u gewerkt om Rachel? Waarom hebt u me dan bedrogen?

26Laban antwoordde: Zo doet men niet bij ons,29:26 bij ons - Letterlijk: op onze plaats. dat men de jongste vóór de eerstgeborene ten huwelijk geeft.

27Maak de bruiloftsweek van deze dochter vol; daarna zullen wij je ook de andere geven, voor het werk waarmee je mij nog eens zeven jaar dienen zult.

28Dat deed Jakob en hij maakte de bruiloftsweek van deze dochter vol. Daarna gaf Laban hem zijn dochter Rachel tot vrouw.

29Laban gaf zijn dochter Rachel zijn slavin Bilha als haar slavin.

30Hij kwam ook bij Rachel en ook had hij Rachel meer lief dan Lea. Hij werkte nog eens zeven jaar bij hem.

De zonen van Lea

31Toen de HEERE zag dat Lea minder geliefd was,29:31 minder geliefd was - Letterlijk: gehaat was; zie ook vers 33. opende Hij haar baarmoeder; Rachel daarentegen was onvruchtbaar.

32Lea werd zwanger en baarde een zoon. Zij gaf hem de naam Ruben.29:32 Ruben betekent: zie, een zoon. Want, zei zij, de HEERE heeft mijn verdrukking gezien. Voorzeker, nu zal mijn man mij liefhebben.

33Lea werd weer zwanger en baarde een zoon. Zij zei: Omdat de HEERE gehoord heeft dat ik minder geliefd ben, heeft Hij mij ook deze zoon gegeven. Zij gaf hem de naam Simeon.29:33 Simeon betekent: gehoord.

34Nogmaals werd zij zwanger en baarde een zoon. Zij zei: Nu, ditmaal, zal mijn man zich aan mij hechten; ik heb hem immers drie zonen gebaard. Daarom gaf hij hem de naam Levi.29:34 Levi wordt hier in verband gebracht met een werkwoord dat ‘zich aan iemand hechten’ betekent.

35Weer werd zij zwanger en baarde een zoon. Zij zei: Ditmaal zal ik de HEERE loven. Daarom gaf zij hem de naam Juda.29:35 Juda betekent: lofprijzing. Toen hield zij op met baren.

30

Rachel jaloers op Lea

301Toen Rachel merkte dat zij Jakob geen kinderen baarde, werd Rachel jaloers op haar zuster en zei tegen Jakob: Geef mij kinderen, en zo niet, dan sterf ik.

2Toen ontstak Jakob in woede tegen Rachel en hij zei: Neem ik soms de plaats in van God, Die jou de vrucht van de schoot onthouden heeft?

3Daarop zei ze: Zie, hier is mijn slavin Bilha; kom bij haar, zodat zij op mijn knieën zal baren en ook ik uit haar nageslacht zal krijgen.30:3 nageslacht zal krijgen - Letterlijk: gebouwd zal worden.

4Zo gaf zij hem haar slavin Bilha tot vrouw, en Jakob kwam bij haar.

5En Bilha werd zwanger en baarde Jakob een zoon.

6Toen zei Rachel: God heeft mij recht verschaft. Ook heeft Hij naar mijn stem geluisterd en mij een zoon gegeven. Daarom gaf zij hem de naam Dan.30:6 Dan betekent: hij heeft recht verschaft.

7En Bilha, Rachels slavin, werd opnieuw zwanger en baarde Jakob een tweede zoon.

8Toen zei Rachel: Ik heb een zware strijd met mijn zuster gevoerd,30:8 een zware strijd … gevoerd - Letterlijk: worstelingen van God … gehad. en ik heb ook gewonnen. Daarom gaf zij hem de naam Naftali.30:8 Naftali betekent: mijn strijd.

9Toen Lea merkte dat zij ophield met kinderen baren, nam zij haar slavin Zilpa en gaf haar aan Jakob tot vrouw.

10En Zilpa, de slavin van Lea, baarde Jakob een zoon.

11Toen zei Lea: Het geluk is gekomen! En zij gaf hem de naam Gad.30:11 Gad betekent: geluk.

12Vervolgens baarde Zilpa, de slavin van Lea, Jakob een tweede zoon.

13Toen zei Lea: Wat ben ik gelukkig! Want de vrouwen zullen mij gelukkig prijzen. En zij gaf hem de naam Aser.30:13 Aser betekent: gelukkig.

14In de dagen van de tarweoogst ging Ruben eropuit en hij vond liefdesappels in het veld, die hij bij zijn moeder Lea bracht. Toen zei Rachel tegen Lea: Geef mij toch wat van de liefdesappels van jouw zoon.

15En zij zei tegen haar: Is het niet genoeg dat je me mijn man afgenomen hebt? Moet je ook nog de liefdesappels van mijn zoon nemen? Toen zei Rachel: Daarvoor mag hij vannacht met jou slapen in ruil voor de liefdesappels van je zoon.

16Toen Jakob 's avonds van het veld kwam, ging Lea hem tegemoet en zei: Je moet bij mij komen, want ik heb je eerlijk gehuurd voor de liefdesappels van mijn zoon. Daarom sliep hij die nacht met haar.

17En God verhoorde Lea; zij werd zwanger en baarde Jakob een vijfde zoon.

18Toen zei Lea: God heeft mij beloond, omdat ik mijn slavin aan mijn man gegeven heb. En zij gaf hem de naam Issaschar.30:18 Issaschar betekent: er is loon.

19Lea werd opnieuw zwanger en zij baarde Jakob een zesde zoon.

20Lea zei toen: God heeft mij, ja mij, een mooi geschenk gegeven; ditmaal zal mijn man bij míj komen wonen, want ik heb hem zes zonen gebaard. En zij gaf hem de naam Zebulon.30:20 Zebulon betekent: woning.

21Daarna baarde zij een dochter en gaf haar de naam Dina.

22God dacht ook aan Rachel en God verhoorde haar. Hij opende haar baarmoeder

23en zij werd zwanger en baarde een zoon. Toen zei ze: God heeft mijn schande weggenomen!

24Zij gaf hem de naam Jozef30:24 Jozef - Er is in het Hebreeuws een woordspel tussen de naam Jozef en de Hebreeuwse woorden voor ‘wegnemen’ (vers 23) en ‘toevoegen’. en zei: Moge de HEERE mij nog een zoon geven!

De kudde van Jakob

25En het gebeurde, nadat Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tegen Laban zei: Laat mij vertrekken, dan kan ik naar mijn woonplaats en mijn land gaan.

26Geef mijn vrouwen en mijn kinderen, voor wie ik u gediend heb, zodat ik kan gaan. U weet immers van het werk waar ik u mee gediend heb.

27Toen zei Laban tegen hem: Laat mij toch genade vinden in jouw ogen; ik heb waargenomen dat de HEERE mij omwille van jou gezegend heeft.

28Hij zei: Bepaal wat je loon bij mij moet zijn, dan zal ik het je geven.

29Toen zei hij tegen hem: Ú weet hoe ik u gediend heb en hoe uw vee onder mijn hoede30:29 onder mijn hoede - Letterlijk: bij mij. geweest is.

30Het weinige dat u voor mijn komst had, heeft zich immers tot een menigte uitgebreid. De HEERE heeft u sinds mijn komst30:30 sinds mijn komst - Letterlijk: bij mijn voet. gezegend. Nu dan, wanneer zal ik ook voor mijn eigen huis kunnen werken?

31Daarop zei hij: Wat moet ik je geven? Toen zei Jakob: U hoeft mij helemaal niets te geven; als u het volgende voor mij wilt doen, zal ik opnieuw uw kleinvee hoeden en beschermen.

32Ik zal vandaag al uw kleinvee langsgaan en daaruit elk gespikkeld of gevlekt dier afzonderen, elk zwart dier onder de schapen en alles wat gevlekt en gespikkeld is onder de geiten; en dat zal mijn loon zijn.

33Mijn gerechtigheid zal morgen30:33 morgen - Letterlijk: op de dag van morgen. voor mij getuigen, als u komen zult om mijn loon in ogenschouw te nemen;30:33 als u komen zult om mijn loon in ogenschouw te nemen - Letterlijk: als u komen zult om mijn loon voor uw aangezicht. alles wat niet gespikkeld en gevlekt is onder de geiten en wat niet zwart is onder de schapen, mag als door mij gestolen beschouwd worden.

34Toen zei Laban: Zie, laat het maar overeenkomstig jouw woord gebeuren.

35En op diezelfde dag zonderde hij de gestreepte en gevlekte bokken af en al de gespikkelde en gevlekte geiten, alles waar iets wits aan was en alles wat zwart was onder de schapen; en hij stelde die onder de hoede30:35 stelde die onder de hoede - Letterlijk: gaf die in de hand. van zijn zonen.

36Hij bepaalde een afstand van drie dagreizen tussen hem en Jakob; en Jakob hoedde de rest van het kleinvee van Laban.

37Toen nam Jakob voor zichzelf jonge takken van populieren, amandelbomen en platanen, en schilde daarin witte strepen door het wit in die takken te ontbloten.

38Hij legde de takken die hij geschild had in de troggen en waterdrinkbakken waaruit het kleinvee kwam drinken, vlak voor het kleinvee; en ze werden bronstig als zij kwamen om te drinken.

39En als het kleinvee bronstig werd bij die takken, wierp het kleinvee gestreepte, gespikkelde, en gevlekte jongen.

40Toen scheidde Jakob de schapen af en keerde de koppen van het kleinvee naar het gestreepte en naar al het zwarte onder Labans kleinvee, en vormde zo kudden voor zichzelf; hij zette ze niet bij het kleinvee van Laban.

41En het gebeurde, telkens wanneer het sterkste kleinvee bronstig werd, dat Jakob de takken voor de ogen van het kleinvee in de troggen legde, zodat zij bronstig zouden worden bij de takken.

42Maar als het zwakke kleinvee bronstig werd, legde hij ze er niet in, zodat de zwakke dieren voor Laban en de sterke dieren voor Jakob waren.

43Zo breidde het bezit van deze man zich zeer sterk uit; hij had veel kleinvee, slavinnen, slaven, kamelen en ezels.