Herziene Statenvertaling (HSV)
27

De eerstgeboortezegen

271Het gebeurde, toen Izak oud geworden was en zijn ogen dof geworden waren zodat hij niet meer kon zien, dat hij zijn oudste zoon Ezau riep, en tegen hem zei: Mijn zoon! Hij zei: Zie, hier ben ik!

2Hij zei: Zie toch, ik ben oud geworden en ik weet de dag van mijn dood niet.

3Nu dan, pak je jachtgerei, je pijlkoker en je boog, trek het veld in en jaag voor mij een stuk wild.

4Maak dan een smakelijk gerecht voor me klaar, zoals ik het graag heb, en breng het me om te eten. Dan zal mijn ziel je zegenen voordat ik sterf.

5Nu luisterde Rebekka mee, toen Izak tot zijn zoon Ezau sprak. Ezau ging het veld in om een stuk wild te jagen en dat mee te brengen.

6Toen zei Rebekka tegen Jakob, haar zoon: Zie, ik heb je vader tegen Ezau, je broer, horen zeggen:

7Breng me een stuk wild en maak een smakelijk gerecht voor me klaar om op te eten; dan zal ik je voor het aangezicht van de HEERE zegenen, vóór mijn dood.

8Nu dan, mijn zoon, luister naar mijn stem, naar wat ik je gebied.

9Ga toch naar de kudde en haal daar voor mij twee goede geitenbokjes. Dan zal ik daarvan een smakelijk gerecht voor je vader klaarmaken, zoals hij het graag heeft.

10Dat moet je naar je vader brengen en hij zal het eten. Dan zal hij je zegenen, vóór zijn dood.

11Toen zei Jakob tegen Rebekka, zijn moeder: Zie, mijn broer Ezau is een behaarde man en ik heb een gladde huid.27:11 heb een gladde huid - Letterlijk: ben een gladde man.

12Misschien betast mijn vader mij; dan zal ik in zijn ogen als een bedrieger zijn en zal ik een vloek over mij brengen en geen zegen.

13Maar zijn moeder zei tegen hem: Laat je vloek mij dan maar treffen, mijn zoon. Luister nu maar naar mijn stem en ga ze voor mij halen.

14Toen ging hij ze halen en hij bracht ze bij zijn moeder. En zijn moeder maakte een smakelijk gerecht klaar, zoals zijn vader het graag had.

15Daarop nam Rebekka de kostbare kleren van Ezau, haar oudste zoon, die ze bij zich in huis had, en trok ze Jakob, haar jongste zoon, aan.

16Het vel van de geitenbokjes trok ze over zijn handen en over zijn gladde hals.

17Zij gaf haar zoon Jakob het smakelijke gerecht in handen, met het brood dat zij klaargemaakt had.

18Hij kwam bij zijn vader en zei: Mijn vader! En hij zei: Zie, hier ben ik; wie ben je, mijn zoon?

19Jakob zei tegen zijn vader: Ik ben Ezau, uw eerstgeborene. Ik heb gedaan wat u mij gezegd hebt. Richt u toch op, ga zitten en eet van mijn wildbraad, zodat uw ziel mij kan zegenen.

20Izak zei daarop tegen zijn zoon: Hoe is het mogelijk dat je dat zo snel gevonden hebt, mijn zoon? Hij zei: Omdat de HEERE, uw God, het mij heeft laten tegenkomen.

21Izak zei tegen Jakob: Kom toch wat dichterbij zodat ik je kan betasten, mijn zoon, of je werkelijk mijn zoon Ezau bent of niet.

22Toen kwam Jakob dichter bij zijn vader Izak en die betastte hem. Hij zei: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Ezaus handen.

23Hij herkende hem dus niet, omdat zijn handen, net als de handen van zijn broer Ezau, behaard waren. En hij zegende hem.

24Hij zei: Ben je echt mijn zoon Ezau? Hij antwoordde: Dat ben ik.

25Toen zei Izak: Zet het wat dichter bij me. Dan kan ik van het wildbraad van mijn zoon eten, zodat mijn ziel je kan zegenen. Hij zette het dicht bij hem en hij at. Hij bracht hem ook wijn en hij dronk ervan.

26Zijn vader Izak zei tegen hem: Kom toch dichterbij en kus mij, mijn zoon!

27Hij kwam dichterbij en kuste hem. Toen rook hij de geur van zijn kleren en zegende hem. Hij zei:

Zie, de geur van mijn zoon

is als de geur van het veld,

dat de HEERE gezegend heeft.

28

27:28
Hebr. 11:20
Moge God je geven

van de dauw van de hemel,

van de vruchtbare streken van de aarde:

overvloed van koren en nieuwe wijn.

29Volken zullen je dienen,

naties zullen zich voor je buigen.

Wees heerser over je broers,

de zonen van je moeder zullen zich voor je buigen.

27:29
Gen. 12:3
Vervloekt moet zijn wie jou vervloekt,

en gezegend wie jou zegent!

30En het gebeurde, toen Izak gereed was met het zegenen van Jakob, en Jakob nog maar net bij Izak weggegaan was, toen gebeurde het dat Ezau, zijn broer, van zijn jacht terugkwam.

31Ook hij maakte een smakelijk gerecht klaar en bracht dat bij zijn vader. Hij zei tegen zijn vader: Mijn vader, richt u op en eet van het wildbraad van uw zoon, zodat uw ziel mij kan zegenen.

32Izak, zijn vader, zei tegen hem: Wie ben je? Hij zei: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau.

33Toen beefde Izak van grote en hevige schrik en zei: Wie was het dan die een stuk wild gejaagd en het mij gebracht heeft? Ik heb overal van gegeten voordat jij kwam, en ik heb hem gezegend, en gezegend zal hij zijn.

34Toen

27:34
Hebr. 12:17
Ezau de woorden van zijn vader hoorde, gaf hij een zeer luide en bittere schreeuw, en zei tegen zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader!

35Hij antwoordde echter: Je broer is met bedrog gekomen en heeft je je zegen afgenomen.

36Hij zei daarop: Wordt hij niet terecht Jakob27:36 Jakob betekent: hij bedriegt. genoemd, omdat hij mij nu twee keer bedrogen heeft?

27:36
Gen. 25:33
Mijn eerstgeboorterecht heeft hij mij afgenomen, en zie, nu heeft hij mij mijn zegen afgenomen. Verder zei hij: Hebt u dan geen zegen voor mij overgehouden?

37Izak antwoordde en zei tegen Ezau: Zie, ik heb hem heerser over jou gemaakt en al zijn broers heb ik hem als dienaar gegeven. Ik heb hem van koren en nieuwe wijn voorzien. Wat kan ik dan nog voor je doen, mijn zoon?

38Daarop zei Ezau tegen zijn vader: Hebt u alleen maar deze ene zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En

27:38
Hebr. 12:17
Ezau begon luid te huilen.27:38 begon luid te huilen - Letterlijk: verhief zijn stem en huilde.

39Toen antwoordde zijn vader Izak en zei tegen hem:

Zie, van27:39 van - Of: ver van; zie ook de laatste regel van dit vers. de vruchtbare streken van de aarde

zal je woongebied zijn,

en van de dauw van de hemel van boven.

40Van je zwaard zul je leven

en je broer zul je dienen.

Maar als je tot macht komt,

zul je zijn juk van je nek afrukken.

Ezau haat Jakob

41Ezau haatte Jakob om de zegen waarmee zijn vader hem gezegend had, en Ezau zei in zijn hart: De dagen van rouw over mijn vader naderen; dan zal ik mijn broer Jakob doden.

42Toen aan Rebekka deze woorden van haar oudste zoon Ezau verteld werden, stuurde zij een bode en liet Jakob, haar jongste zoon, roepen en zei tegen hem: Zie, je broer Ezau troost zich over jou met de gedachte dat hij je zal doden.

43Nu dan, mijn zoon, luister naar mijn stem: Sta op, vlucht naar Haran, naar mijn broer Laban,

44en blijf enige tijd bij hem, totdat de woede van je broer bedaard is.

45Als de boosheid van je broer bedaard is en hij vergeten is wat je hem hebt aangedaan, zal ik een bode sturen en je vandaar terug laten halen. Waarom zou ik me op één dag van jullie beiden laten beroven?

46

27:46
Gen. 26:35
Rebekka zei tegen Izak: Ik heb een afkeer van mijn leven vanwege de dochters van de Hethieten. Als Jakob een vrouw neemt uit de dochters van de Hethieten zoals deze twee, uit de dochters van dit land, wat heeft mijn leven dan nog voor zin?

28

Jakob naar Mesopotamië

281Toen riep Izak Jakob en zegende hem; en hij gebood hem en zei tegen hem: Neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän.

2

28:2
Hos. 12:13
Sta op, ga naar Paddan-Aram, naar het huis van Bethuel, de vader van je moeder, en neem vandaar een vrouw voor je uit de dochters van Laban, de broer van je moeder.

3En moge God, de Almachtige, je zegenen, en je vruchtbaar en talrijk maken, zodat je tot een menigte van volken zult worden.

4Moge Hij je de zegen van Abraham geven, jou

28:4
Gen. 12:7
13:15
15:18
24:7
26:3
Deut. 34:4
Hand. 7:5
en je nageslacht met je, zodat je het land waar je vreemdeling bent,28:4 het land … bent - Letterlijk: het land van je vreemdelingschap. dat God aan Abraham gegeven heeft, in bezit krijgt.

5Zo stuurde Izak Jakob weg en die ging naar Paddan-Aram, naar Laban, de zoon van Bethuel, de Syriër, en de broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Ezau.

6Toen Ezau zag dat Izak Jakob gezegend had, en hem weggestuurd had naar Paddan-Aram om vandaar voor zich een vrouw te nemen, en dat hij hem, toen hij hem zegende, geboden had: Neem geen vrouw uit de dochters van Kanaän,

7en toen hij zag dat Jakob naar zijn vader en moeder geluisterd had en naar Paddan-Aram gegaan was,

8en toen Ezau zag dat de dochters van Kanaän niet deugden28:8 niet deugden - Letterlijk: slecht waren. in de ogen van zijn vader Izak,

9ging Ezau naar Ismaël en nam hij Machalath, de dochter van Ismaël, de zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth voor zich tot vrouw, naast zijn andere vrouwen.

Jakob in Bethel

10Jakob nu vertrok uit Berseba en ging naar Haran.

11Hij bereikte de plaats waar hij overnachtte, want de zon was ondergegaan. Hij nam een van de stenen van die plaats, maakte daar zijn hoofdkussen van, en legde zich op die plaats te slapen.

12Toen droomde hij, en zie, op de aarde was een ladder geplaatst, waarvan de top de hemel raakte, en zie,

28:12
Joh. 1:52
de engelen van God klommen daarlangs omhoog en omlaag.

13En zie, de HEERE stond boven aan die ladder en zei:

28:13
Gen. 35:1,3
48:3
Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham en de God van Izak; dit land waarop u ligt te slapen,
28:13
Deut. 12:20
19:8
zal Ik u en uw nageslacht geven.

14Uw nageslacht zal talrijk zijn als het stof van de aarde en u zult zich uitbreiden naar het westen, het oosten, het noorden en het zuiden.

28:14
Gen. 12:3
18:18
22:18
26:4
In u en uw nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.

15En zie, Ik ben met u, Ik zal u beschermen overal waar u heen zult gaan, en Ik zal u terugbrengen in dít land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb!

16Toen Jakob uit zijn slaap ontwaakte, zei hij: De HEERE is werkelijk op deze plaats, en ik heb het niet geweten.

17Daarom was hij bevreesd en zei hij: Hoe ontzagwekkend is deze plaats! Dit is niets anders dan het huis van God en de poort van de hemel.

18Daarna stond Jakob 's morgens vroeg op. Hij nam de steen waar hij zijn hoofdkussen van gemaakt had,

28:18
Gen. 31:13
35:14
zette die overeind als een gedenkteken en goot er olie op.

19Hij gaf die plaats de naam Bethel,28:19 Bethel betekent: huis van God. hoewel de naam van de stad eerst Luz was.

20Jakob legde een gelofte af en zei: Als God met mij zal zijn en mij zal beschermen op deze weg, waar ik op ga, en mij brood zal geven om te eten en kleren om aan te trekken,

21en ik in vrede in het huis van mijn vader zal terugkeren, dan zal de HEERE mij tot een God zijn.

22Deze steen, die ik als gedenkteken overeind gezet heb, zal een huis van God zijn. En van alles wat U mij geven zult, zal ik U zeker het tiende deel geven.

29

Jakob bij Laban

291Daarna begaf Jakob zich op weg29:1 begaf … op weg - Letterlijk: tilde … zijn voeten op. en ging hij naar het land van de mensen van het oosten.

2Hij keek om zich heen en zie, er was een waterput in het veld, en zie, er lagen drie kudden kleinvee naast. Uit die put gaf men namelijk de kudden te drinken. Er lag een grote steen op de opening van de put.

3Als al de kudden daar bij elkaar gedreven waren, rolde men de steen van de opening van de put en gaf men het kleinvee te drinken. Daarna legde men de steen weer op zijn plaats, op de opening van de put.

4Toen vroeg Jakob hun: Mijn broeders, waar komt u vandaan? Daarop zeiden zij: Wij komen uit Haran.

5Hij vroeg hun: Kent u Laban, de zoon van Nahor? Zij zeiden: Wij kennen hem.

6Vervolgens vroeg hij hun: Gaat het goed met hem? Zij zeiden: Het gaat goed. En zie, daar komt zijn dochter Rachel aan met het kleinvee.

7Hij zei: Zie, het is nog volop dag! Het is toch nog geen tijd om het vee bij elkaar te drijven? Geef het kleinvee te drinken en ga dan weer weg om ze te laten grazen.

8Zij zeiden echter: Dat kunnen wij niet doen voordat al de kudden bij elkaar gedreven zijn en men de steen van de opening van de put gerold heeft. Pas dan kunnen wij het kleinvee te drinken geven.

9Terwijl hij nog met hen sprak, kwam Rachel met het kleinvee van haar vader; zij was namelijk herderin.

10En het gebeurde, toen Jakob Rachel, de dochter van Laban, de broer van zijn moeder, en het kleinvee van Laban, de broer van zijn moeder zag, dat Jakob naar voren liep, de steen van de opening van de put rolde en het kleinvee van Laban, de broer van zijn moeder, te drinken gaf.

11Jakob kuste Rachel en begon luid te huilen.29:11 begon luid te huilen - Letterlijk: verhief zijn stem en huilde.

12Jakob vertelde Rachel dat hij een neef van haar vader was en dat hij de zoon van Rebekka was. Toen liep zij snel weg en vertelde het aan haar vader.

13En het gebeurde, zodra Laban het bericht over Jakob, de zoon van zijn zuster, hoorde, dat hij hem snel tegemoetliep, hem omhelsde, hem kuste en hem naar zijn huis bracht. En hij vertelde Laban al deze dingen.

14Daarop zei Laban: Inderdaad, je bent mijn beenderen en mijn vlees. En hij bleef een volle maand bij hem.

Lea en Rachel

15Toen zei Laban tegen Jakob: Omdat je familie van mij bent, hoef je toch niet voor niets voor mij te werken? Vertel mij maar wat je loon moet zijn.

16Nu had Laban twee dochters: de naam van de oudste was Lea, en de naam van de jongste was Rachel.

17Lea had fletse ogen, maar Rachel was mooi van gestalte en knap om te zien.

18Jakob had Rachel lief. Daarom zei hij:

29:18
Hos. 12:13
Ik zal zeven jaar voor u werken om Rachel, uw jongste dochter.

19Toen zei Laban: Het is beter dat ik haar aan jou geef dan dat ik haar aan een andere man geef. Blijf bij me.

20Zo werkte Jakob zeven jaar om Rachel, en de jaren waren in zijn ogen als dagen, omdat hij haar liefhad.

21Toen zei Jakob tegen Laban: Geef mij mijn vrouw, want mijn dagen zijn om, zodat ik bij haar kan komen.

22Daarom verzamelde Laban al de mannen van die plaats en hij richtte een maaltijd aan.

23En het gebeurde 's avonds dat hij zijn dochter Lea nam en haar bij hem bracht; en Jakob kwam bij haar.

24Ook gaf Laban haar zijn slavin Zilpa; aan zijn dochter Lea gaf hij haar als slavin.

25En het gebeurde 's morgens – zie, het was Lea! Daarom zei hij tegen Laban: Wat hebt u me nu aangedaan? Heb ik niet voor u gewerkt om Rachel? Waarom hebt u me dan bedrogen?

26Laban antwoordde: Zo doet men niet bij ons,29:26 bij ons - Letterlijk: op onze plaats. dat men de jongste vóór de eerstgeborene ten huwelijk geeft.

27Maak de bruiloftsweek van deze dochter vol; daarna zullen wij je ook de andere geven, voor het werk waarmee je mij nog eens zeven jaar dienen zult.

28Dat deed Jakob en hij maakte de bruiloftsweek van deze dochter vol. Daarna gaf Laban hem zijn dochter Rachel tot vrouw.

29Laban gaf zijn dochter Rachel zijn slavin Bilha als haar slavin.

30Hij kwam ook bij Rachel en ook had hij Rachel meer lief dan Lea. Hij werkte nog eens zeven jaar bij hem.

De zonen van Lea

31Toen de HEERE zag dat Lea minder geliefd was,29:31 minder geliefd was - Letterlijk: gehaat was; zie ook vers 33. opende Hij haar baarmoeder; Rachel daarentegen was onvruchtbaar.

32Lea werd zwanger en baarde een zoon. Zij gaf hem de naam Ruben.29:32 Ruben betekent: zie, een zoon. Want, zei zij, de HEERE heeft mijn verdrukking gezien. Voorzeker, nu zal mijn man mij liefhebben.

33Lea werd weer zwanger en baarde een zoon. Zij zei: Omdat de HEERE gehoord heeft dat ik minder geliefd ben, heeft Hij mij ook deze zoon gegeven. Zij gaf hem de naam Simeon.29:33 Simeon betekent: gehoord.

34Nogmaals werd zij zwanger en baarde een zoon. Zij zei: Nu, ditmaal, zal mijn man zich aan mij hechten; ik heb hem immers drie zonen gebaard. Daarom gaf hij hem de naam Levi.29:34 Levi wordt hier in verband gebracht met een werkwoord dat ‘zich aan iemand hechten’ betekent.

35Weer werd zij zwanger en baarde een zoon. Zij zei: Ditmaal zal ik de HEERE loven. Daarom gaf zij hem de naam Juda.29:35 Juda betekent: lofprijzing. Toen hield zij op met baren.