Herziene Statenvertaling (HSV)
24

Izak trouwt met Rebekka

241Abraham nu was oud en op dagen gekomen en de HEERE had Abraham in alles gezegend.

2Toen zei Abraham tegen zijn dienaar, de oudste van zijn huis, die alles wat hij had, beheerde:

24:2
Gen. 47:29
Leg toch uw hand onder mijn heup.24:2 Leg toch uw hand onder mijn heup - Dit is een plechtige wijze van eedzweren; zie ook vers 9.

3Ik wil u laten zweren bij de HEERE, de God van de hemel en de God van de aarde,

24:3
Gen. 28:1
dat u voor mijn zoon geen vrouw zult nemen uit de dochters van de Kanaänieten te midden van wie ik woon,

4maar dat u naar mijn vaderland en mijn familiekring gaat om voor mijn zoon Izak een vrouw te nemen.

5En de dienaar zei tegen hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen naar dit land. Zal ik dan uw zoon terug moeten brengen naar het land waaruit u vertrokken bent?

6Abraham zei tegen hem: Wees op uw hoede dat u mijn zoon daar niet terugbrengt!

7

24:7
Gen. 12:1
De HEERE, de God van de hemel, Die mij uit mijn familie en uit mijn geboorteland weggehaald heeft, Die tot mij gesproken heeft en Die mij gezworen heeft:
24:7
Gen. 12:7
13:15
15:18
26:4
Ex. 32:13
Deut. 34:4
Hand. 7:5
Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven – die God zal Zijn engel voor u uit sturen, opdat u voor mijn zoon daarvandaan een vrouw zult nemen.

8Maar als die vrouw u niet wil volgen, dan bent u vrij van deze eed aan mij; breng mijn zoon echter niet daarheen terug.

9Toen legde de dienaar zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en hij zwoer hem dat.

10Daarop nam de dienaar tien kamelen van de kamelen van zijn heer en ging op weg met allerlei kostbaarheden van zijn heer bij zich.24:10 bij zich - Letterlijk: in zijn hand. Zo stond hij op en ging hij op weg naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor.

11Buiten die stad liet hij de kamelen neerknielen bij een waterput, tegen de avond, tegen de tijd waarop de vrouwen water komen putten.

12Toen zei hij: HEERE, God van mijn heer Abraham, laat het mij vandaag toch gebeuren en bewijs Uw goedertierenheid aan Abraham, mijn heer.

13Zie, ik sta bij deze waterbron en de dochters van de mannen van de stad komen om water te putten.

14Laat het zo zijn dat het meisje tegen wie ik zeg: Laat toch de kruik van uw schouder zakken, zodat ik kan drinken, en dat zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kamelen te drinken geven, dat zij het meisje is dat U voor Uw dienaar Izak bestemd hebt. Daaraan zal ik dan weten dat U mijn heer goedertierenheid bewezen hebt.

15En het gebeurde, voordat hij uitgesproken was, dat, zie, Rebekka de stad uit kwam, die

24:15
Gen. 22:23
bij Bethuel geboren was, de zoon van Milka, de vrouw van Nahor, de broer van Abraham; zij had haar kruik op haar schouder.

16Het meisje was erg knap om te zien, een maagd: geen man had gemeenschap met haar gehad.24:16 had gemeenschap met haar gehad - Letterlijk: had haar gekend. Zij daalde af naar de bron, vulde haar kruik en klom weer naar boven.

17Toen liep de dienaar snel naar haar toe en vroeg: Laat mij toch wat water uit uw kruik drinken.

18Zij zei: Drink, mijn heer; en zij haastte zich en liet haar kruik op haar hand glijden en gaf hem te drinken.

19Toen zij hem genoeg had laten drinken,24:19 Toen zij … drinken - Letterlijk: Toen zij geëindigd had hem te laten drinken; zie ook de volgende verzen. zei zij: Ik zal ook voor uw kamelen water putten, totdat ze genoeg gedronken hebben.

20Zij haastte zich en goot haar kruik leeg in de drinkbak en liep snel weer terug naar de put om water te putten. Zij putte voor al zijn kamelen.

21De man sloeg haar zwijgend gade om te weten te komen of de HEERE zijn weg voorspoedig gemaakt had, of niet.

22En het gebeurde, toen de kamelen genoeg gedronken hadden, dat de man een gouden ring pakte, waarvan het gewicht een halve sikkel24:22 Een sikkel is 10 tot 13 gram. was, en twee armbanden voor haar armen, waarvan het gewicht tien sikkel goud was,

23en hij vroeg: Van wie bent u een dochter? Vertel het mij toch. Is er in het huis van uw vader plaats voor ons om te overnachten?

24Zij zei tegen hem:

24:24
Gen. 22:23
Ik ben de dochter van Bethuel, de zoon van Milka, die zij Nahor gebaard heeft.

25Verder zei ze tegen hem: Er is bij ons zowel stro als voer in overvloed, en ook plaats om te overnachten.

26Toen knielde die man en boog zich voor de HEERE neer.

27Hij zei: Geloofd zij de HEERE, de God van mijn heer Abraham, Die mijn heer Zijn goedertierenheid en Zijn trouw niet onthouden heeft. Wat mij aangaat, de HEERE heeft mij op deze weg geleid naar het huis van de broeders van mijn heer.

28Het meisje liep snel weg en vertelde in het huis van haar moeder wat er gebeurd was.

29Nu had Rebekka een broer, en zijn naam was Laban. Laban liep snel naar die man toe, de stad uit, naar de bron.

30En het gebeurde, toen hij de ring gezien had, en de armbanden aan de armen van zijn zuster, en toen hij de woorden van zijn zuster Rebekka gehoord had, die zei: Zo en zo heeft die man tot mij gesproken, dat hij naar die man toe ging; en zie, hij stond bij de kamelen bij de bron.

31Hij zei: Kom binnen, u die door de HEERE gezegend bent. Waarom zou u buiten blijven staan, terwijl ik het huis in gereedheid heb gebracht, evenals een plaats voor de kamelen?

32Toen ging die man mee naar het huis. Men zadelde de kamelen af, gaf de kamelen stro en voer, en bracht water om zijn voeten en de voeten van de mannen die bij hem waren te wassen.

33Daarna werd hem te eten voorgezet, maar hij zei: Ik zal niet eten voordat ik mijn woorden gesproken heb. Laban zei: Spreek.

34Toen zei hij: Ik ben een dienaar van Abraham.

35De HEERE heeft mijn heer rijk gezegend, zodat hij een aanzienlijk man geworden is; Hij gaf hem kleinvee en runderen, zilver en goud, slaven en slavinnen, kamelen en ezels.

36Sara, de vrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard toen zij oud was, en alles wat hij heeft, heeft hij hem gegeven.

37Mijn heer heeft mij laten zweren: U mag voor mijn zoon geen vrouw nemen uit de dochters van de Kanaänieten, in wier land ik woon,

38maar u moet naar mijn familie en naar mijn geslacht gaan en daar een vrouw nemen voor mijn zoon.

39Toen zei ik tegen mijn heer: Misschien wil die vrouw mij niet volgen.

40Hij zei toen tegen mij: De HEERE, voor Wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn engel met u meesturen en Hij zal uw weg voorspoedig maken, zodat u voor mijn zoon een vrouw kunt nemen uit mijn geslacht en uit mijn familie.

41Slechts dan zult u vrij zijn van uw eed aan mij, als u naar mijn familie bent gegaan en zij haar niet met u meegeven. Dan bent u vrij van mijn eed.

42Toen ik vandaag bij de bron aankwam, zei ik: HEERE, God van mijn heer Abraham, als U de weg die ik ga voorspoedig wilt maken –

43zie, ik sta bij de waterbron – laat het dan zo gebeuren dat het meisje dat naar buiten komt om te putten, tegen wie ik zal zeggen: Geef mij toch wat water uit uw kruik te drinken,

44en dat tegen mij zal zeggen: Drinkt u maar en ik zal ook water putten voor uw kamelen, dat zij de vrouw zal zijn die de HEERE bestemd heeft voor de zoon van mijn heer.

45Nog voordat ik geëindigd had dit in mijn hart te spreken, zie, Rebekka kwam de stad uit, met haar kruik op haar schouder, en daalde af naar de bron en putte water. Ik zei tegen haar: Geef mij toch wat te drinken.

46Zij haastte zich, liet haar kruik van haar schouder glijden en zei: Drinkt u maar, ik zal ook uw kamelen te drinken geven. Ik dronk en zij gaf ook de kamelen te drinken.

47Toen vroeg ik haar en zei: Van wie bent u een dochter? Zij antwoordde: Ik ben de dochter van Bethuel, de zoon van Nahor, die Milka hem gebaard heeft. Toen deed ik een ring in haar neus en de armbanden aan haar armen.

48Ik knielde en boog mij neer voor de HEERE; ik loofde de HEERE, de God van mijn heer Abraham, Die mij op de goede weg geleid had om voor zijn zoon de dochter van de broeder van mijn heer tot vrouw te nemen.

49Welnu, als u mijn heer goedertierenheid en trouw wilt bewijzen, vertel het mij; en zo niet, vertel het mij ook, dan kan ik mij naar rechts of links wenden.

50Laban en Bethuel antwoordden: Dit komt bij de HEERE vandaan. Wij kunnen tegen u niets meer ten kwade of ten goede zeggen.

51Zie, Rebekka staat voor u. Neem haar mee en ga heen: laat zij de vrouw van de zoon van uw heer worden, zoals de HEERE gesproken heeft.

52En het gebeurde, toen de dienaar van Abraham hun woorden hoorde, dat hij zich ter aarde neerboog voor de HEERE.

53Daarna haalde de dienaar zilveren en gouden sieraden tevoorschijn en kledingstukken, en gaf die aan Rebekka. Ook haar broer en haar moeder gaf hij kostbaarheden.

54Toen aten en dronken zij, hij en de mannen die bij hem waren, en overnachtten daar. Zij stonden 's morgens op en hij zei: Laat mij gaan, terug naar mijn heer.

55Haar broer en haar moeder zeiden daarop: Laat het meisje nog een dag of tien bij ons blijven, daarna kunt u gaan.

56Maar hij zei tegen hen: Houd mij niet op; de HEERE heeft immers mijn weg voorspoedig gemaakt. Laat mij gaan, dan ga ik terug naar mijn heer.

57Toen zeiden zij: Laten we het meisje roepen en haar mening vragen.

58Zij riepen Rebekka en vroegen haar: Wil je met deze man meegaan? Zij antwoordde: Ik zal meegaan.

59Toen lieten zij Rebekka, hun zuster, en haar

24:59
Gen. 35:8
voedster en de dienaar van Abraham en zijn mannen vertrekken.

60Zij zegenden Rebekka en zeiden tegen haar:

Zuster van ons, word

tot duizenden van tienduizenden

en laat jouw nageslacht in bezit krijgen

de poort van zijn vijanden.

61Rebekka en haar dienaressen stonden op, bestegen de kamelen en volgden de man. Zo nam die dienaar Rebekka mee en vertrok.

62Izak kwam inmiddels uit de richting van de

24:62
Gen. 16:14
25:11
put Lachai-Roï; hij woonde namelijk in het Zuiderland.

63Izak ging tegen het vallen van de avond naar buiten om te bidden in het veld. Hij sloeg zijn ogen op, en zag, en zie, er kwamen kamelen aan.

64Ook Rebekka sloeg haar ogen op en zag Izak; zij liet zich snel van de kameel glijden.

65Zij zei tegen de dienaar: Wie is die man die ons in het veld tegemoet komt lopen? De dienaar antwoordde: Dat is mijn heer. Toen pakte zij haar sluier en bedekte zich.

66De dienaar vertelde Izak al de dingen die hij gedaan had.

67Toen bracht Izak haar in de tent van zijn moeder Sara. En hij nam Rebekka en zij werd hem tot vrouw en hij had haar lief. Zo vond Izak troost na de dood van zijn moeder.

25

Verder nageslacht van Abraham

251Abraham nam weer een vrouw, van wie de naam Ketura was.

2

25:2
1 Kron. 1:32
En zij baarde hem Zimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak en Suah.

3Joksan verwekte Sjeba en Dedan. De zonen van Dedan waren de Assurieten, de Letusieten en de Leümmieten.

4De zonen van Midian waren Efa, Efer, Henoch, Abida en Eldaä. Zij allen waren zonen van Ketura.

5

25:5
Gen. 24:36
Abraham gaf alles wat hij had aan Izak,

6maar aan de zonen van de bijvrouwen die Abraham had, gaf Abraham geschenken. Hij stuurde hen, toen hij nog leefde, bij zijn zoon Izak vandaan in oostelijke richting, naar het Oosterland.

Abraham sterft

7Dit nu is het aantal jaren25:7 Dit nu is het aantal jaren - Letterlijk: Dit nu zijn de dagen van de jaren. van het leven van Abraham dat hij geleefd heeft: honderdvijfenzeventig jaar.

8Toen gaf Abraham de geest en stierf

25:8
Gen. 15:15
in goede ouderdom, oud en van het leven verzadigd, en hij werd met zijn voorgeslacht verenigd.

9Izak en Ismaël, zijn zonen, begroeven hem in de grot van Machpela, die tegenover Mamre ligt, op de akker van Efron, de zoon van Zohar, de Hethiet,

10op het land dat Abraham van de Hethieten gekocht had. Daar werd Abraham begraven, en zijn vrouw Sara.

11Het gebeurde na de dood van Abraham dat God Izak, zijn zoon, zegende. En Izak ging bij de put Lachai-Roï wonen.

De zonen van Ismaël

12Dit zijn de afstammelingen van Ismaël, de zoon van Abraham, die Hagar, de Egyptische, de slavin van Sara, Abraham gebaard heeft.

13Dit zijn de

25:13
1 Kron. 1:29
namen van de zonen van Ismaël, met hun namen ingedeeld naar hun afstamming. De eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en vervolgens Kedar, Adbeël en Mibsam;

14Misma, Duma, en Massa;

15Hadar, Tema, Jetur, Nafis en Kedma.

16Dit zijn de zonen van Ismaël en dit zijn hun namen, in hun dorpen en tentenkampen: twaalf vorsten, ingedeeld naar hun stammen.

17Dit zijn de levensjaren van Ismaël: honderdzevenendertig jaar. Toen gaf hij de geest en stierf, en hij werd met zijn voorgeslacht verenigd.

18Zijn nakomelingen woonden vanaf Havila tot Sur, dat ten oosten van Egypte ligt, in de richting van Assur. Zij vestigden zich tegenover al hun verwanten.

Ezau en Jakob

19Dit zijn de afstammelingen van Izak, de zoon van Abraham; Abraham verwekte Izak.

20Izak was veertig jaar oud, toen hij Rebekka, de dochter van Bethuel, de Syriër, uit Paddan-Aram, en de zuster van Laban, de Syriër, voor zich tot vrouw nam.

21Izak bad vurig tot de HEERE in het bijzijn van zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar. En de HEERE liet Zich door hem verbidden,

25:21
Rom. 9:10
zodat Rebekka, zijn vrouw, zwanger werd.

22De kinderen stootten in haar lichaam tegen elkaar. Toen zei zij: Als dit zo is, waarom overkomt mij dit? En zij ging de HEERE raadplegen.

23De HEERE zei toen tegen haar:

Er zijn twee volken in uw schoot,

en twee naties zullen

25:23
2 Sam. 8:14
zich uit uw lichaam25:23 lichaam - Letterlijk: ingewanden. vaneenscheiden.

Het ene volk zal sterker zijn dan het

25:23
Rom. 9:12
andere

en de meerdere zal de mindere dienen.

24Toen nu de tijd om te baren voor haar aangebroken was,25:24 de tijd … aangebroken was - Letterlijk: haar dagen om te baren voorbij waren. zie, er was een tweeling in haar schoot.

25De eerste kwam tevoorschijn, rossig en helemaal behaard als een haren mantel; daarom gaf men hem de naam Ezau.25:25 De naam Ezau kan in verband gebracht worden met het Hebreeuwse woord voor ‘haar’.

26Daarna kwam zijn broer tevoorschijn, terwijl zijn hand

25:26
Hos. 12:4
de hiel van Ezau vasthield; daarom gaf men hem de naam Jakob.25:26 De naam Jakob wordt in verband gebracht met het Hebreeuwse woord voor ‘hiel’. Izak was zestig jaar oud bij hun geboorte.

27Toen die jongens groot werden, werd Ezau een man ervaren in de jacht, een man van het veld. Jakob echter was een oprecht man, die in tenten woonde.

28Izak had Ezau lief, omdat hij graag wildbraad at;25:28 omdat hij graag wildbraad at - Letterlijk: want het wildbraad was naar zijn mond. Rebekka daarentegen had Jakob lief.

29Eens had Jakob soep gekookt, toen Ezau uit het veld kwam en moe was.

30Toen zei Ezau tegen Jakob: Laat mij toch slurpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe. Daarom gaf men hem de naam Edom.25:30 De naam Edom wordt in verband gebracht met het Hebreeuwse woord voor ‘rood’.

31Toen zei Jakob: Verkoop mij dan eerst25:31 eerst - Letterlijk: als op deze dag; zie ook vers 33. je eerstgeboorterecht.

32Ezau zei:

25:32
Jes. 22:13
1 Kor. 15:32
Zie, ik ga toch sterven; wat moet ik dan met het eerstgeboorterecht?

33Toen zei Jakob: Zweer het mij eerst. En hij zwoer het hem. Zo verkocht hij zijn eerstgeboorterecht aan Jakob.

34Toen gaf Jakob Ezau brood, met de linzensoep. Hij at, dronk, stond op en ging weg. Zo verachtte Ezau het eerstgeboorterecht.

26

Izak in Gerar

261Er kwam hongersnood in het land, een andere dan de eerste hongersnood, die er in de dagen van Abraham geweest was. Daarom ging Izak naar Abimelech, de koning van de Filistijnen, naar Gerar.

2Toen verscheen de HEERE hem en zei: Trek niet naar Egypte, maar woon in het land dat Ik u noemen zal.

3Verblijf als vreemdeling in dit land. Ik

26:3
Gen. 13:15
15:18
zal dan met u zijn en u zegenen, want aan u en uw nageslacht zal Ik al deze landen geven. Ik zal de eed gestand doen die Ik Abraham, uw vader, gezworen heb.

4

26:4
Gen. 12:3
18:18
22:18
Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden,

5omdat Abraham Mijn stem gehoorzaamd heeft en Mijn voorschriften, Mijn geboden, Mijn verordeningen en Mijn wetten in acht genomen heeft.

6Zo bleef Izak in Gerar wonen.

7Toen de mannen van die plaats hem naar zijn vrouw vroegen, zei hij: Zij is mijn zuster, want hij was bevreesd om te zeggen: Zij is mijn vrouw. Hij dacht: Anders zullen de mannen van deze plaats mij doden om Rebekka. Zij was namelijk knap om te zien.

8Toen hij daar al lange tijd geweest was,26:8 Toen … was - Letterlijk: Toen de dagen daar voor hem verlengd waren. gebeurde het dat Abimelech, de koning van de Filistijnen, uit het venster keek en zag, en zie, Izak was zijn vrouw Rebekka aan het liefkozen.

9Toen riep Abimelech Izak en zei: Nee maar, zie, zij is uw vrouw! Hoe kunt u dan zeggen: Zij is mijn zuster? Izak antwoordde hem: Omdat ik dacht dat ik anders om haar zou moeten sterven.

10Abimelech zei daarop: Wat hebt u ons aangedaan? Hoe gemakkelijk had er één van het volk met uw vrouw kunnen slapen, en dan zou u een schuld over ons gebracht hebben!

11Toen gebood Abimelech heel het volk: Wie deze man of zijn vrouw aanraakt, zal zeker gedood worden.

12Izak zaaide in dat land en oogstte26:12 oogstte - Letterlijk: vond. in dat jaar het honderdvoudige, want de HEERE zegende hem.

13De man kreeg aanzien, ja, gaandeweg meer aanzien, totdat hij zeer aanzienlijk geworden was.

14Hij had kudden kleinvee en kudden runderen, en een groot aantal slaven, zodat de Filistijnen jaloers op hem werden.

15Al de putten die de dienaren van zijn vader in de dagen van zijn vader Abraham gegraven hadden, stopten de Filistijnen dicht en vulden ze met aarde.

16Toen zei Abimelech tegen Izak: Ga van ons weg, want u bent veel machtiger geworden dan wij.

17Toen ging Izak vandaar weg en hij sloeg zijn kamp op in het dal van Gerar; daar bleef hij wonen.

18En Izak keerde terug en groef de waterputten weer op die zij in de tijd van zijn vader Abraham gegraven hadden en die de Filistijnen na de dood van Abraham dichtgestopt hadden. Hij gaf ze dezelfde namen als zijn vader ze gegeven had.

19De dienaren van Izak groeven eens in het dal en vonden daar een put met opborrelend water.26:19 opborrelend water - Letterlijk: levend water.

20De herders van Gerar kregen daarop onenigheid met de herders van Izak en zeiden: Dit water is van ons. Hij gaf die put de naam Esek,26:20 Esek betekent: ruzie. omdat zij ruzie met hem gemaakt hadden.

21Vervolgens groeven ze een andere put, maar zij kregen ook daar onenigheid over; daarom gaf hij hem de naam Sitna.26:21 Sitna betekent: vijandigheid.

22Toen brak hij vandaar op en groef een andere put en daarover kregen zij geen onenigheid. Daarom gaf hij hem de naam Rehoboth,26:22 Rehoboth betekent: ruimten. want, zei hij, nu heeft de HEERE ruimte voor ons gemaakt en zullen wij vruchtbaar zijn in dit land.

23Hij vertrok vandaar naar Berseba.

24De HEERE verscheen hem in die nacht en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader. Wees niet bevreesd, want Ik ben met u; Ik zal u zegenen en uw nageslacht talrijk maken omwille van Abraham, Mijn dienaar.

25Toen bouwde hij daar een altaar en riep de Naam van de HEERE aan. Hij zette daar zijn tent op en de dienaren van Izak groeven daar een put.

Verbond met Abimelech

26Toen kwam Abimelech vanuit Gerar naar hem toe, samen met zijn vriend Ahuzzath en zijn legerbevelhebber Pichol.

27Izak vroeg hun: Waarom komt u naar mij toe, terwijl u mij haat en mij bij u weggestuurd hebt?

28Zij antwoordden: Wij hebben duidelijk gezien dat de HEERE met u is. Daarom hebben we gezegd: Laat er toch een overeenkomst onder ede tussen ons zijn, tussen ons en u; laten we een verbond met u sluiten:

29dat u ons geen kwaad zult doen, zoals wij u niet aangeraakt hebben, en zoals wij u alleen maar goed behandeld hebben en u in vrede hebben laten vertrekken. Nu bent u immers de gezegende van de HEERE!

30Toen richtte hij voor hen een maaltijd aan en zij aten en dronken.

31Zij stonden 's morgens vroeg op en zwoeren elkaar een eed. Daarna liet Izak hen gaan en zij gingen in vrede bij hem weg.

32Het gebeurde nog op diezelfde dag dat de dienaren van Izak hem kwamen vertellen over de put die zij gegraven hadden; zij zeiden tegen hem: Wij hebben water gevonden!

33Hij noemde hem Seba en daarom is de naam van die stad Berseba,26:33 Seba betekent: ‘eed’ of ‘zeven’; Berseba betekent: ‘put van de eed’ of ‘put van zeven’ (zie ook Gen. 21:31). tot op deze dag.

Huwelijken van Ezau

34Toen Ezau veertig jaar oud was, nam hij Judith, de dochter van Beëri, de Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, de Hethiet, tot vrouw.

35

26:35
Gen. 27:46
Zij waren een bittere kwelling26:35 bittere kwelling - Letterlijk: bitterheid van geest. voor Izak en Rebekka.