Herziene Statenvertaling (HSV)
19

Verwoesting van Sodom en Gomorra

191De twee engelen kwamen 's avonds in Sodom aan, terwijl Lot in de poort van Sodom zat. Toen Lot hen zag, stond hij op om hun tegemoet te gaan, en boog hij zich met zijn gezicht ter aarde.

2Hij zei: Zie toch, mijne heren, wijk toch af van uw weg en kom naar het huis van uw dienaar en overnacht daar en

19:2
Gen. 18:4
was uw voeten; morgenvroeg kunt u opstaan en uw reis vervolgen. Maar zij zeiden: Nee, wij zullen wel op het plein overnachten.

3

19:3
Hebr. 13:2
Hij drong echter sterk bij hen aan, zodat zij van hun weg afweken naar hem toe, en zijn huis binnengingen. Hij richtte een maaltijd voor hen aan. Hij bakte ongezuurde broden en zij aten.

4Nog voor zij zich te slapen legden, omsingelden de mannen van die stad, de mannen van Sodom, van jong tot oud, het huis; heel het volk, niemand uitgezonderd.19:4 niemand uitgezonderd - Letterlijk: van het einde af.

5Zij riepen naar Lot en zeiden tegen hem: Waar zijn die mannen die vannacht bij u gekomen zijn? Breng hen naar buiten, naar ons toe, zodat wij gemeenschap met hen kunnen hebben.19:5 gemeenschap met hen … hebben - Letterlijk: hen kennen; zie ook vers 8.

6Toen ging Lot naar buiten, naar hen toe, bij de deuropening, en sloot de deur achter zich,

7en hij zei: Mijn broeders, doe toch geen kwaad!

8Zie toch, ik heb twee dochters, die met geen man gemeenschap gehad hebben; laat mij die toch bij u brengen en doe met hen wat goed is in uw ogen. Alleen, deze mannen moet u niets aandoen, want om die reden zijn ze onder de bescherming van mijn dak gekomen.

9Toen zeiden zij: Ga opzij! Ook zeiden ze: Deze ene is gekomen om hier als vreemdeling te verblijven en nu wil hij zeker

19:9
Ex. 2:14
Hand. 7:27
rechter over ons zijn! Nu zullen we u meer kwaad aandoen dan hun. Zij drongen erg op de
19:9
2 Petr. 2:7,8
man, op Lot, aan en kwamen dichterbij om de deur open te breken.

10Maar die mannen staken hun hand uit, trokken Lot naar zich toe het huis in en sloten de deur.

11Zij sloegen de mannen die bij de deuropening van het huis waren, van klein tot groot, met blindheid, zodat zij tevergeefs moeite deden om de deuropening te vinden.

12Toen zeiden die mannen tegen Lot: Wie hebt u hier verder nog? Een schoonzoon, uw zonen, of uw dochters: breng allen die u in de stad hebt, uit deze plaats naar buiten.

13Want wij gaan deze plaats te gronde richten, omdat de roep van haar zonden groot geworden is voor het aangezicht van de HEERE. Daarom heeft de HEERE ons gezonden om haar te gronde te richten.

14Toen ging Lot naar buiten en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochters tot vrouw zouden nemen, en zei: Sta op! Ga naar buiten, uit deze plaats! Want de HEERE gaat deze stad te gronde richten. Maar hij was in de ogen van zijn schoonzonen als iemand die grappen maakte.

15Toen de dageraad aangebroken was, drongen de engelen bij Lot aan. Zij zeiden: Sta op! Neem uw vrouw en uw twee dochters, die zich hier bevinden, anders wordt u om de ongerechtigheid van de stad weggevaagd.

16Lot aarzelde echter; daarom grepen die mannen zijn hand, de hand van zijn vrouw en de hand van zijn twee dochters, omdat de HEERE hem wilde sparen. Zij brachten hem naar buiten en leidden hem buiten de stad.

17En het gebeurde, toen zij hen buiten de stad gebracht hadden, dat Hij zei: Vlucht voor uw leven, kijk niet achter u en blijf nergens op heel deze vlakte staan; vlucht naar het bergland, anders wordt u weggevaagd.

18Maar Lot zei tegen hen: Nee toch, Heere.

19Zie toch, Uw dienaar heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw grote goedertierenheid aan mij bewezen19:19 U hebt … bewezen - Letterlijk: U hebt Uw goedertierenheid, die U mij bewezen hebt, groot gemaakt. door mijn ziel in leven te houden. Ik kan echter niet naar het bergland vluchten, anders haalt het onheil mij in en sterf ik.

20Zie toch, deze stad is dichtbij genoeg om erheen te vluchten en zij is klein; laat me daar toch heen vluchten (zij is immers klein!), zodat mijn ziel in leven zal blijven.

21Toen zei Hij tegen hem: Zie, Ik ben u ook in dit opzicht ter wille19:21 Ik ben u … ter wille - Letterlijk: Ik heb … uw aangezicht verheven. en zal deze stad, waarover u gesproken hebt, niet ondersteboven keren.

22Haast u! Vlucht daarheen! Want Ik kan niets doen, totdat u daar bent aangekomen. Daarom gaf men deze stad de naam Zoar.19:22 Zoar betekent: klein; zie ook vers 20.

23De zon kwam op boven de aarde, toen Lot in Zoar aankwam.

24Toen liet

19:24
Deut. 29:23
Jes. 13:19
Jer. 20:16
50:40
Klaagl. 4:6
Ezech. 16:50
Hos. 11:8
Amos 4:11
Zef. 2:9
Luk. 17:29
2 Petr. 2:6
de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen. Het kwam van de HEERE uit de hemel.

25Hij keerde deze steden en heel de vlakte ondersteboven, met alle inwoners van de steden en het gewas op het land.

26

19:26
Luk. 17:32
Zijn vrouw, die achter hem liep, keek achter zich en werd een zoutpilaar.

27En Abraham stond 's morgens vroeg op en ging naar de plaats waar hij voor het aangezicht van de HEERE had gestaan.

28Hij keek uit over Sodom en Gomorra en over heel het gebied van de vlakte. En zie, hij zag dat er rook van dat land opsteeg, zoals de rook van een oven.

29En het gebeurde, toen God de steden van deze vlakte te gronde richtte, dat God aan Abraham dacht. Daarom leidde Hij Lot uit het midden van de verwoesting, toen Hij de steden waarin Lot gewoond had, ondersteboven keerde.

Moab en Ammon

30En Lot vertrok uit Zoar en ging met zijn twee dochters in het bergland wonen, want hij was bevreesd om in Zoar te blijven wonen. Hij woonde in een grot, samen met zijn twee dochters.

31Toen zei de eerstgeborene tegen de jongste: Onze vader is oud en er is geen man in dit land om bij ons te komen op de manier die op de hele aarde gebruikelijk is.

32Kom, laten we onze vader wijn te drinken geven en met hem slapen, zodat wij door onze vader het leven geven aan nageslacht.

33Zij gaven die nacht hun vader wijn te drinken. De eerstgeborene kwam en sliep met haar vader. Hij merkte niet dat zij kwam liggen en evenmin dat zij weer opstond.

34En het gebeurde de volgende dag dat de eerstgeborene tegen de jongste zei: Zie, ik heb de afgelopen nacht met mijn vader geslapen; laten we hem ook vannacht wijn te drinken geven. Kom, slaap met hem, zodat wij door onze vader het leven geven aan nageslacht.

35Zij gaven hun vader ook die nacht wijn te drinken en de jongste stond op en sliep met hem. Hij merkte niet dat zij kwam liggen en evenmin dat zij weer opstond.

36Zo werden de twee dochters van Lot zwanger van hun vader.

37De eerstgeborene baarde een zoon en gaf hem de naam Moab.19:37 Moab betekent iets als: uit vader (voortgekomen). Hij is de vader van de Moabieten, tot op deze dag.

38De jongste, ook zij, baarde een zoon en gaf hem de naam Ben-Ammi.19:38 Ben-Ammi betekent: zoon van mijn volk. Hij is de vader van de Ammonieten, tot op deze dag.

20

Abraham en Abimelech

201Abraham trok vandaar naar het Zuiderland en woonde tussen Kades en Sur, en hij verbleef als vreemdeling in Gerar.

2Abraham zei van zijn vrouw Sara:

20:2
Gen. 12:13
26:7
Zij is mijn zuster. Toen stuurde Abimelech, de koning van Gerar, een bode en haalde Sara weg.

3Maar God kwam in een nachtelijke droom bij Abimelech en zei tegen hem: Zie, u gaat sterven vanwege de vrouw die u genomen hebt, want zij is met een man getrouwd!

4Abimelech was echter nog niet tot haar genaderd. Daarom zei hij: Heere, wilt U dan echt een onschuldig volk doden?

5Heeft hij mij zelf niet gezegd: Zij is mijn zuster. En zij, ook zijzelf heeft gezegd: Hij is mijn broer. Met een oprecht hart en zuivere handen heb ik dit gedaan.

6God zei tegen hem in de droom: Ik weet ook dat u dit met een oprecht hart gedaan hebt. Ik heb u ook ervan weerhouden tegen Mij te zondigen en daarom heb Ik u niet toegelaten haar aan te raken.

7Nu dan, geef de vrouw van die man terug, want hij is een profeet! Hij zal voor u bidden, zodat u in leven blijft. Als u haar echter niet teruggeeft, weet dan dat u zeker zult sterven, u en al wat van u is.

8Toen stond Abimelech 's morgens vroeg op, riep al zijn dienaren en sprak ten aanhoren van hen al deze woorden, en die mannen werden zeer bevreesd.

9Abimelech riep Abraham en zei tegen hem: Wat hebt u ons aangedaan! Waarin heb ik tegen u gezondigd, dat u zo'n grote zonde over mij en mijn koninkrijk gebracht hebt? U hebt dingen met mij gedaan die niet gedaan mogen worden.

10Ook vroeg Abimelech aan Abraham: Wat hebt u beoogd, dat u dit gedaan hebt?

11Daarop zei Abraham: Omdat ik dacht:20:11 dacht - Letterlijk: zei. Er is vast geen vreze Gods in deze plaats, daarom zullen zij mij omwille van mijn vrouw doden.

12Zij is ook echt mijn zuster. Zij is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder, en zij is mij tot vrouw geworden.

13En het gebeurde, toen God mij vanuit het huis van mijn vader liet rondzwerven, dat ik tegen haar zei: Dit is de goedertierenheid die je mij moet bewijzen: in elke plaats waar wij komen,

20:13
Gen. 12:13
zeg daar van mij: Hij is mijn broer.

14Toen nam Abimelech kleinvee, runderen, slaven en slavinnen, en gaf die aan Abraham. Ook gaf hij hem zijn vrouw Sara terug.

15Abimelech zei: Zie, mijn land ligt voor u open; ga maar wonen waar het in uw ogen goed is.

16En tegen Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverstukken gegeven. Zie, laat dat mogen dienen als sluier voor de ogen, voor u én voor allen die bij u zijn. U bent vrijgepleit.

17Abraham bad tot God, en God genas Abimelech, zijn vrouw en zijn slavinnen, zodat zij weer kinderen konden krijgen.

18Want de HEERE had alle baarmoeders in het huis van Abimelech helemaal gesloten vanwege Sara, de vrouw van Abraham.

21

Izak geboren; Ismaël weggestuurd

211De HEERE nu zag om naar Sara

21:1
Gen. 17:19
18:10
zoals Hij gezegd had; de HEERE deed bij Sara zoals Hij gesproken had.

2

21:2
Gal. 4:23
Hebr. 11:11
Sara werd zwanger en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom,
21:2
Gen. 18:10,14
op de vastgestelde tijd die God hem genoemd had.

3Abraham gaf zijn zoon die hem geboren was, die Sara hem gebaard had, de naam Izak.21:3 Izak betekent: hij lacht.

4En Abraham besneed zijn zoon Izak, toen die acht dagen oud was,

21:4
Gen. 17:10
zoals God hem geboden had.

5Abraham was honderd jaar oud, toen zijn zoon Izak hem geboren werd.

6Sara zei: God heeft mij doen lachen; ieder die het hoort, zal met mij meelachen.

7Verder zei zij: Wie zou Abraham hebben durven zeggen: Sara heeft zonen de borst gegeven? Voorzeker, ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.

8Het kind werd groot en werd van de borst genomen. Op de dag dat Izak van de borst af was, richtte Abraham een grote maaltijd aan.

9En Sara zag dat de zoon die Hagar, de Egyptische, Abraham gebaard had, aan het spotlachen was.

10Toen zei zij tegen Abraham:

21:10
Gal. 4:30
Jaag deze slavin en haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet met mijn zoon, met Izak, erven.

11Deze woorden waren volstrekt kwalijk in de ogen van Abraham, vanwege zijn zoon.

12Maar God zei tegen Abraham: Laat deze zaak met betrekking tot de jongen en uw slavin niet kwalijk zijn in uw ogen. Bij alles wat Sara u zegt, luister naar haar stem,

21:12
Rom. 9:7
Hebr. 11:18
want alleen het nageslacht van Izak zal uw nageslacht genoemd worden.

13

21:13
Gen. 16:10
17:20
Maar Ik zal ook de zoon van deze slavin tot een volk maken, omdat hij uw nageslacht is.

14Toen stond Abraham 's morgens vroeg op, nam brood en een zak met water, gaf die aan Hagar en legde die op haar schouder. Hij gaf haar ook het kind en stuurde haar weg. Zij ging op weg en dwaalde rond in de woestijn van Berseba.

15Toen het water uit de zak op was, wierp zij het kind onder een van de struiken.

16Zij ging op een afstand zitten, zo ver als men met een boog kan schieten, want zij zei: Laat ik het kind niet zien sterven. Terwijl zij op een afstand zat, begon ze luid te huilen.21:16 begon ze luid te huilen - Letterlijk: verhief ze haar stem en huilde.

17Toen hoorde God de stem van de jongen en de Engel van God riep tot Hagar vanuit de hemel en zei tegen haar: Wat is er met u, Hagar? Wees niet bevreesd, want God heeft naar de stem van de jongen, die daar ligt, geluisterd.

18Sta op, til de jongen overeind en houd hem met uw hand goed vast,

21:18
Gen. 16:10
17:20
want Ik zal hem tot een groot volk maken.

19God opende toen haar ogen, zodat zij een waterput zag. Zij liep ernaartoe, vulde de zak met water en gaf de jongen te drinken.

20God was met de jongen en hij werd groot. Hij woonde in de woestijn en werd boogschutter.

21Hij woonde in de woestijn Paran en zijn moeder nam een vrouw voor hem uit het land Egypte.

Verbond tussen Abraham en Abimelech

22En het gebeurde in die tijd dat Abimelech, met Pichol, zijn legerbevelhebber, tegen Abraham zei: God is met u bij alles wat u doet.

23Nu dan, zweer mij hier bij God, dat u mij, mijn zoon, of mijn kleinzoon niet

21:23
Gen. 14:23
bedriegen zult. In overeenstemming met de goedertierenheid die ik u bewezen heb, moet u mij en het land, waarin u als vreemdeling verblijft, goedertierenheid bewijzen.

24Abraham zei: Ik zweer het.

25Maar Abraham wees Abimelech eerst terecht over een waterput die de dienaren van Abimelech hem met geweld afgenomen hadden.

26Abimelech zei daarop: Ik weet niet wie dit gedaan heeft; bovendien hebt u het ook zelf niet eerder aan mij verteld, en heb ik er ook zelf niet eerder van gehoord dan vandaag.

27Toen nam Abraham kleinvee en runderen en gaf die aan Abimelech en zij beiden sloten een verbond.

28Maar Abraham zette zeven ooilammeren van het kleinvee apart.

29Toen zei Abimelech tegen Abraham: Wat betekenen die zeven ooilammeren hier, die u apart gezet hebt?

30Hij zei: U moet die zeven ooilammeren uit mijn hand aannemen, zodat het voor mij als bewijs zal dienen dat ik deze put gegraven heb.

31Daarom noemde men die plaats Berseba,21:31 Berseba betekent: ‘put van zeven’ of ‘put van de eed’ (zie ook Gen. 26:33). want zij beiden hebben daar een eed gezworen.

32Zo sloten zij een verbond in Berseba. Daarna stond Abimelech op, met Pichol, zijn legerbevelhebber, en keerden zij terug naar het land van de Filistijnen.

33En Abraham plantte een tamarisk in Berseba,

21:33
Gen. 4:26
en hij riep daar de Naam van de HEERE, de eeuwige God, aan.

34Abraham verbleef vele dagen als vreemdeling in het land van de Filistijnen.