Herziene Statenvertaling (HSV)
16

Hagar en Ismaël

161Maar Sarai, de vrouw van Abram, had hem geen kinderen geschonken. Nu had zij een Egyptische slavin, van wie de naam Hagar was.

2Daarom zei Sarai tegen Abram: Zie toch, de HEERE heeft mijn baarmoeder gesloten, zodat ik geen kinderen kan krijgen. Kom toch bij mijn slavin; misschien zal ik uit haar nageslacht krijgen.16:2 nageslacht krijgen - Letterlijk: gebouwd worden. En Abram luisterde naar de stem van Sarai.

3Toen nam Sarai, de vrouw van Abram, Hagar, de Egyptische, haar slavin, nadat Abram tien jaar in het land Kanaän gewoond had, en gaf haar aan Abram, haar man, als vrouw voor hem.

4Hij kwam bij Hagar en zij werd zwanger. Toen zij nu zag dat zij zwanger geworden was, was haar meesteres in haar ogen verachtelijk.

5Toen zei Sarai tegen Abram: De verantwoordelijkheid voor het onrecht dat mij wordt aangedaan, ligt bij jou. Ik heb jou zelf mijn slavin in je schoot gegeven, maar nu zij ziet dat zij zwanger is geworden, ben ik in haar ogen verachtelijk. Laat de HEERE oordelen tussen mij en jou.

6En Abram zei tegen Sarai: Zie, jouw slavin is in jouw macht. Doe met haar wat goed is in jouw ogen. Toen vernederde Sarai haar, zodat zij bij haar wegvluchtte.

7De Engel van de HEERE vond haar bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur.

8En Hij zei: Hagar, slavin van Sarai! Waar komt u vandaan en waar gaat u heen? Zij zei: Ik ben op de vlucht voor mijn meesteres Sarai.

9Toen zei de Engel van de HEERE tegen haar: Keer terug naar uw meesteres, en onderwerp u aan haar gezag.16:9 onderwerp … gezag - Letterlijk: verneder u onder haar handen.

10Verder zei de Engel van de HEERE tegen haar: Ik zal uw nageslacht zeer talrijk maken, zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden.

11Ook zei de Engel van de HEERE tegen haar:

Zie, u bent zwanger;

u zult een zoon baren

en u moet hem de naam Ismaël16:11 Ismaël betekent: God hoort. geven,

omdat de HEERE uw verdrukking gehoord heeft.

12En hij zal zijn

een wilde ezel van een mens;

zijn hand zal tegen allen zijn,

en de hand van allen tegen hem;

en

16:12
Gen. 25:18
hij zal wonen tegenover al zijn broeders.

13En zij gaf de HEERE, Die tot haar sprak, de naam: U bent de God Die naar mij omziet! Want zij zei: Heb ik hier dan Hem gezien Die naar mij omgezien heeft?

14Daarom gaf men die put de naam: de

16:14
Gen. 24:62
25:11
put Lachai-Roï;16:14 Lachai-Roï betekent: de Levende Die naar mij omziet. zie, hij ligt tussen Kades en Bered.

15

16:15
Gal. 4:22
Hagar baarde een zoon bij Abram, en Abram gaf zijn zoon, die Hagar gebaard had, de naam Ismaël.

16Abram was zesentachtig jaar oud, toen Hagar Ismaël bij Abram baarde.

17

Naamsverandering van Abram en Sarai

171Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de HEERE aan Abram en zei tegen hem: Ik ben God, de Almachtige!

17:1
Gen. 5:22
Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht.

2

17:2
Gen. 15:18
Ex. 2:24
6:4
Lev. 26:42
Ik zal Mijn verbond sluiten tussen Mij en u,
17:2
Gen. 12:2
13:16
15:5
en u uitermate talrijk maken.

3Toen wierp Abram zich met het gezicht ter aarde en God sprak met hem:

4Wat Mij betreft, zie, Mijn verbond is met u! U zult

17:4
Rom. 4:17
vader worden van een menigte volken.

5U zult niet meer Abram heten, maar uw naam zal Abraham zijn,17:5 Abraham - In de laatste lettergreep van dit woord klinkt het Hebreeuwse woord voor ‘menigte’ door. want Ik zal u vader van een menigte van volken maken.

6Ik zal u uitermate vruchtbaar maken: Ik zal u tot volken maken en

17:6
Matt. 1:6
er zullen koningen uit u voortkomen.

7Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door,

17:7
Gen. 13:15
tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u.

8

17:8
Gen. 15:18
Deut. 1:8
Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent,17:8 het land … bent - Letterlijk: het land van uw vreemdelingschap. heel het land Kanaän, als eeuwig bezit geven. Ik zal hun tot een God zijn.

Instelling van de besnijdenis

9Verder zei God tegen Abraham: En wat u betreft, u moet Mijn verbond in acht nemen, u en uw nageslacht na u, al hun generaties door.

10Dit is Mijn verbond dat u moet houden tussen Mij en u en uw nageslacht na u: al wie mannelijk is bij u moet besneden worden.

11U moet het vlees van uw voorhuid laten besnijden en

17:11
Hand. 7:8
Rom. 4:11
dat zal een teken zijn van het verbond tussen Mij en u.

12Elk

17:12
Lev. 12:3
Luk. 2:21
kind bij u van acht dagen oud, al wie mannelijk is, moet besneden worden, al uw generaties door: degene die in uw huis geboren is én degene die van enige vreemdeling voor geld gekocht is, die niet tot uw nageslacht behoort.

13Degene die in uw huis geboren is én degene die met uw geld gekocht is, moeten zeker besneden worden. Zo zal Mijn verbond in uw vlees tot een eeuwig verbond zijn.

14Maar hij die mannelijk en onbesneden is, van wie het vlees van zijn voorhuid niet besneden wordt, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden; hij heeft Mijn verbond verbroken.

Aankondiging van de geboorte van Izak

15Verder zei God tegen Abraham: U moet uw vrouw Sarai17:15 uw vrouw Sarai - Letterlijk: de naam van uw vrouw Sarai. niet meer Sarai noemen, maar haar naam zal Sara zijn.

16Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit háár een zoon geven; ja, Ik zal haar zo zegenen dat zij tot volken zal worden; er zullen koningen van volken uit haar voortkomen.

17Toen wierp Abraham zich met zijn gezicht ter aarde en lachte. Hij zei in zijn hart: Zal bij een honderdjarige een kind geboren worden en zal Sara, die negentig jaar is, baren?

18En Abraham zei tegen God: Och, zou Ismaël voor Uw aangezicht mogen leven!

19God zei: Integendeel,

17:19
Gen. 18:10
21:2
uw vrouw Sara zal u een zoon baren en u moet hem de naam Izak geven. Ik zal Mijn verbond met hem maken, tot een eeuwig verbond voor zijn nageslacht na hem.

20Wat Ismaël betreft, heb Ik u verhoord. Zie,

17:20
Gen. 16:10
25:12,16
Ik heb hem gezegend en zal hem vruchtbaar maken en hem uitermate talrijk maken: twaalf vorsten zal hij verwekken en Ik zal hem tot een groot volk maken.

21Mijn verbond echter zal Ik met Izak maken, de zoon die Sara u volgend jaar

17:21
Gen. 21:2
op deze vastgestelde tijd zal baren.

22Toen Hij geëindigd had met hem te spreken, voer God van Abraham op.

Besnijdenis van het huis van Abraham

23Toen nam Abraham zijn zoon Ismaël, allen die in zijn huis geboren waren en allen die hij met zijn geld gekocht had, al wie mannelijk was onder de leden van het huis van Abraham, en hij besneed het vlees van hun voorhuid op diezelfde dag, zoals God tot hem gesproken had.

24Abraham was negenennegentig jaar toen het vlees van zijn voorhuid bij hem besneden werd,

25en Ismaël, zijn zoon, was dertien jaar toen het vlees van zijn voorhuid bij hem besneden werd.

26Op diezelfde dag werd Abraham besneden, en ook Ismaël, zijn zoon.

27Ook werden alle mannen van zijn huis gelijk met hem besneden, zowel zij die in zijn huis geboren waren als zij die voor geld van vreemdelingen gekocht waren.

18

God verschijnt aan Abraham bij Mamre

181Daarna verscheen de HEERE aan hem bij de eiken van Mamre, toen hij in de ingang van de tent zat en de dag heet werd.

2Hij sloeg zijn ogen op, en keek, en zie, er stonden drie mannen voor hem. Toen hij hen zag,

18:2
Hebr. 13:2
liep hij hun snel uit de ingang van de tent tegemoet en boog zich ter aarde.

3En hij zei: Mijn heer, als ik nu genade gevonden heb in uw ogen, ga dan uw dienaar toch niet voorbij.

4Laat er toch wat water gebracht worden; was dan uw voeten, en rust wat uit onder de boom.

5Dan zal ik een stuk brood halen, zodat u op krachten kunt komen;18:5 op krachten kunt komen - Letterlijk: uw hart kunt sterken. daarna kunt u verdergaan. Daarom bent u immers bij uw dienaar langsgekomen. En zij zeiden: Doe zoals u gesproken hebt.

6Abraham haastte zich naar de tent, naar Sara, en zei: Haast je! Kneed drie maten18:6 Een maat is een derde deel van een efa en ongeveer 7,3 liter. meelbloem en maak er koeken van.

7Abraham liep snel naar de runderen en nam een kalf dat er mals en goed uitzag. Hij gaf het aan de knecht, die zich haastte om het te bereiden.

8Toen nam hij boter en melk, en het kalf dat hij bereid had, en zette het hun voor en terwijl hij bij hen onder de boom stond, aten zij.

9Toen zeiden zij tegen hem: Waar is Sara, uw vrouw? Hij zei: Zie, zij is in de tent.

10En Hij zei:

18:10
Gen. 17:19,21
21:2
Ik zal over een jaar18:10 over een jaar - Letterlijk: omstreeks de tijd van het leven; zie ook vers 14. zeker bij u terugkomen; en zie, dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben! Sara hoorde dat bij de ingang van de tent, die achter Hem was.

11Nu waren Abraham en Sara

18:11
Gen. 17:17
Rom. 4:19
Hebr. 11:11
oud en op dagen gekomen; het ging Sara niet meer naar de wijze van de vrouwen.

12Daarom lachte Sara in zichzelf: Zal ik nog liefdesgenot hebben, nu ik oud geworden ben en ook

18:12
Richt. 19:26
1 Petr. 3:6
mijn heer oud is?

13En de HEERE zei tegen Abraham: Waarom heeft Sara toch gelachen en gezegd: Zou ik ook werkelijk baren, nu ik oud geworden ben?

14

18:14
Matt. 19:26
Luk. 1:37
Zou er iets voor de HEERE te wonderlijk zijn? Op de vastgestelde tijd, over een jaar, zal Ik bij u terugkomen, en Sara zal een zoon hebben!

15Maar Sara ontkende het en zei: Ik heb niet gelachen; want zij was bevreesd. Maar Hij zei: Nee, u hebt wél gelachen.

Verwoesting van Sodom en Gomorra aangekondigd

16Toen stonden de mannen vandaar op en keken in de richting van Sodom; en Abraham ging met hen mee om hen uitgeleide te doen.

17De HEERE zei:

18:17
Amos 3:7
Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?

18Immers, Abraham zal zeker tot een groot en machtig volk worden, en

18:18
Gen. 12:3
22:18
26:4
Hand. 3:25
Gal. 3:8
alle volken van de aarde zullen in hem gezegend worden.

19Want Ik heb hem uitgekozen,18:19 uitgekozen - Letterlijk: gekend. opdat hij aan zijn kinderen en zijn huis na hem bevel zou geven om de weg van de HEERE in acht te nemen, door gerechtigheid en recht te doen, opdat de HEERE over Abraham zal brengen wat Hij over hem gesproken heeft.

20Verder zei de HEERE: De roep van Sodom en Gomorra is groot en hun zonde heel zwaar.

21Ik zal nu afdalen en zien of zij werkelijk alles gedaan hebben zoals de roep luidt die over haar tot Mij gekomen is. En zo niet, Ik zal het weten.

22Toen keerden die mannen vandaar om en gingen naar Sodom, maar Abraham bleef nog staan voor het aangezicht van de HEERE.

Abraham bidt voor Sodom

23En Abraham kwam dichterbij en zei: Zult U ook de rechtvaardige tegelijk met de goddeloze wegvagen?

24Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen binnen de stad; wilt U hen ook wegvagen en de plaats niet sparen omwille van de vijftig rechtvaardigen die daarin zijn?

25Er kan toch geen sprake van zijn dat U zoiets doet, dat U de rechtvaardige samen met de goddeloze doodt? Dan zal het zijn: zo de rechtvaardige, zo de goddeloze. Daar kan bij U toch geen sprake van zijn! Zou de

18:25
Rom. 3:6
Rechter van de hele aarde geen recht doen?

26Toen zei de HEERE: Als Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen binnen de stad vind, dan zal Ik de hele plaats omwille van hen sparen.

27Abraham antwoordde en zei: Zie toch, ik heb het aangedurfd om tot de Heere te spreken, hoewel ik stof en as ben!

28Misschien zullen er aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult U dan om vijf mensen de hele stad te gronde richten? En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten, als Ik er vijfenveertig vind.

29Hij sprak opnieuw tot Hem: Misschien zullen er daar veertig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal het niet doen omwille van die veertig.

30Verder zei hij: Laat de Heere toch niet in toorn ontbranden, omdat ik spreek; misschien zullen er daar dertig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal het niet doen, als Ik er daar dertig vind.

31Hij zei: Zie toch, ik heb het aangedurfd om tot de Heere te spreken; misschien zullen er daar twintig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten omwille van die twintig.

32Verder zei hij: Laat de Heere toch niet in toorn ontbranden, omdat ik nog eenmaal spreek: Misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten omwille van die tien.

33Toen ging de HEERE weg, nadat Hij geëindigd had met Abraham te spreken, en Abraham keerde terug naar zijn woonplaats.