Herziene Statenvertaling (HSV)
12

De roeping van Abram

121De HEERE nu zei tegen Abram:

12:1
Hand. 7:3
Hebr. 11:8
Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.

2Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.

3Ik zal zegenen wie u zegenen,

12:3
Gen. 18:18
22:18
26:4
Hand. 3:25
Gal. 3:8
en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.

4Toen ging Abram op weg, zoals de HEERE tot hem gesproken had, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran vertrok.

Aankomst in Kanaän

5

12:5
Hand. 7:4
Abram nu nam Sarai, zijn vrouw, en Lot, de zoon van zijn broer, en al hun bezittingen die ze verworven hadden, en de mensen die zij in Haran verkregen hadden; en zij gingen weg om naar het land Kanaän te gaan; en zij kwamen in het land Kanaän.

6En Abram trok door dat land heen tot aan de heilige plaats bij Sichem, tot de eik van More.

12:6
Gen. 10:18,19
13:7
De Kanaänieten woonden toen in dat land.

7Toen verscheen de HEERE aan Abram en zei:

12:7
Gen. 13:15
15:18
17:8
24:7
26:4
Deut. 34:4
Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar voor de HEERE, Die hem verschenen was.

8Vandaar brak hij op naar het bergland ten oosten van Bethel en zette zijn tent op tussen Bethel in het westen en Ai in het oosten. Daar bouwde hij voor de HEERE een altaar en riep de Naam van de HEERE aan.

9Daarna trok Abram gaandeweg verder naar het Zuiderland.

10Er kwam hongersnood in dat land. Daarom trok Abram naar Egypte om daar als vreemdeling te verblijven, omdat de hongersnood in het land zwaar was.

11En het gebeurde, toen hij op het punt stond om Egypte binnen te gaan, dat hij tegen zijn vrouw Sarai zei: Zie toch, ik weet dat je een vrouw bent die knap is om te zien.

12Als de Egyptenaren je zien, dan zullen ze zeggen: Dat is zijn vrouw! Dan zullen ze mij doden en jou in leven laten.

13

12:13
Gen. 20:12
26:7
Zeg toch dat je mijn zuster bent, zodat het mij omwille van jou goed zal gaan en ik omwille van jou blijf leven.

In Egypte

14En het gebeurde, zodra Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaren de vrouw zagen dat ze bijzonder knap was.

15Ook de vorsten van de farao zagen haar en zij prezen haar aan bij de farao. Daarom werd de vrouw meegenomen naar het huis van de farao.

16Omwille van haar deed hij goed aan Abram, zodat hij kleinvee, runderen, ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen kreeg.

17Maar de

12:17
Ps. 105:14
HEERE trof de farao en zijn huis met zware slagen, vanwege Sarai, de vrouw van Abram.

18Toen riep de farao Abram en zei: Wat hebt u mij aangedaan? Waarom hebt u mij niet verteld dat zij uw vrouw is?

19Waarom hebt u gezegd: Zij is mijn zuster, zodat ik haar tot vrouw genomen heb? Nu, hier is uw vrouw; neem haar mee en ga!

20En de farao gaf enige mannen opdracht met betrekking tot hem en zij begeleidden hem en zijn vrouw en alles wat hij had het land uit.

13

Abram en Lot scheiden van elkaar

131Zo trok Abram weg uit Egypte naar het Zuiderland, hij en zijn vrouw, en alles wat hij had, en Lot met hem.

2En Abram was zeer rijk, aan vee, aan zilver en aan goud.

3En hij reisde van rustplaats tot rustplaats,13:3 van rustplaats tot rustplaats - Letterlijk: naar zijn rustplaatsen. vanuit het Zuiderland tot aan Bethel,

13:3
Gen. 12:8
naar de plaats waar zijn tent eerst gestaan had, tussen Bethel en Ai,

4naar de plaats van het altaar dat hij daar vroeger gemaakt had; en Abram riep daar de

13:4
Gen. 4:26
12:8
Naam van de HEERE aan.

5Lot, die met Abram meeging, had ook kleinvee en runderen en tenten.

6

13:6
Gen. 36:7
En dat land liet het niet toe dat zij bij elkaar woonden, want zij hadden veel bezittingen, zodat zij niet bij elkaar konden wonen.

7Er ontstond dan ook onenigheid tussen de herders van het vee van Abram en de herders van het vee van Lot.

13:7
Gen. 12:6
Bovendien woonden in die tijd de Kanaänieten en de Ferezieten in dat land.

8En Abram zei tegen Lot: Laat er toch geen onenigheid zijn tussen mij en jou, en tussen mijn herders en jouw herders. Wij zijn immers mannen die broeders zijn!

9

13:9
Gen. 20:15
34:10
Ligt heel het land niet voor je open? Scheid je toch van mij af: als jij naar links gaat, dan zal ik naar rechts gaan, en als jij naar rechts gaat, dan zal ik naar links gaan.

10En Lot sloeg de ogen op en zag dat heel de Jordaanvlakte rijk aan water was; voordat de HEERE Sodom en Gomorra te gronde gericht had, was zij in de richting van Zoar als de hof van de HEERE, als het land Egypte.

11Daarom koos Lot voor zichzelf heel de Jordaanvlakte en Lot trok naar het oosten; en zij werden van elkaar gescheiden.

12Abram woonde in het land Kanaän; en Lot woonde in de steden in de vlakte en zette zijn tenten op tot bij Sodom.

13

13:13
Gen. 18:20
Ezech. 16:49
De mannen van Sodom waren echter slecht en grote zondaars tegenover de HEERE.

14En de HEERE zei tegen Abram, nadat Lot zich van hem afgescheiden had: Sla toch uw ogen op en kijk vanaf de plaats waar u bent, naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen.

15

13:15
Gen. 12:7
15:7,18
17:8
26:4
Deut. 34:4
Hand. 7:5
Want al het land dat u ziet, zal Ik voor eeuwig aan u en uw nageslacht geven.

16

13:16
Gen. 15:5
17:4
Deut. 10:22
Jer. 33:22
Rom. 4:17,18
Hebr. 11:12
En Ik zal uw nageslacht maken als het stof van de aarde; als iemand het stof van de aarde zou kunnen tellen, dan zou ook uw nageslacht geteld kunnen worden.

17Sta op, ga het land door in zijn lengte en in zijn breedte, want Ik zal het u geven.

18En Abram zette zijn tenten op en ging

13:18
Gen. 14:13
bij de eiken van Mamre wonen, die bij Hebron zijn, en hij bouwde daar een altaar voor de HEERE.

14

Veldtocht van Abram

141In de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, Arioch, de koning van Ellasar, Kedor-Laomer, de koning van Elam, en Tideal, de koning van de volken, gebeurde het

2dat ze oorlog voerden tegen Bera, de koning van Sodom, tegen Birsa, de koning van Gomorra, tegen Sinab, de koning van Adama, tegen Semeber, de koning van Zeboïm en tegen de koning van Bela, het tegenwoordige Zoar.

3Deze allen waren een verbintenis aangegaan en trokken op naar het Siddimdal, dat is tegenwoordig de Zoutzee.

4Twaalf jaar hadden zij Kedor-Laomer gediend, maar in het dertiende jaar kwamen zij in opstand.

5Daarom kwam Kedor-Laomer in het veertiende jaar met de koningen die bij hem waren; en zij versloegen de

14:5
Gen. 15:20
Refaïeten in Asteroth-Karnaïm, de Zuzieten in Ham, de
14:5
Deut. 2:10,11
Emieten in Sjave-Kiriathaïm,

6en de Horieten in hun bergland Seïr tot aan El-Paran, dat aan de woestijn grenst.

7Daarna keerden zij terug en kwamen in En-Mispat – het tegenwoordige Kades – en zij versloegen allen in heel het gebied van de Amalekieten, en ook de Amorieten die in Hazezon-Thamar woonden.

8Toen trok de koning van Sodom ten strijde met de koning van Gomorra, de koning van Adama, de koning van Zeboïm en de koning van Bela – het tegenwoordige Zoar – en zij stelden zich op voor de strijd tegen hen in het Siddimdal,

9tegen Kedor-Laomer, de koning van Elam, Tideal, de koning van de volken, Amrafel, de koning van Sinear, en Arioch, de koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf.

10Het Siddimdal nu was vol asfaltputten; de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten en vielen daarin, en de overgeblevenen vluchtten naar het bergland.

11Zij namen al de bezittingen van Sodom en Gomorra en al hun voedsel mee en trokken weg.

12Ook namen zij Lot, de zoon van Abrams broer, en zijn bezittingen mee, en trokken weg; hij woonde namelijk in Sodom.

13Toen kwam er iemand die ontkomen was, en vertelde het aan Abram, de Hebreeër; die woonde bij de

14:13
Gen. 13:18
eiken van de Amoriet Mamre, de broer van Eskol en Aner. Zij waren bondgenoten van Abram.

14Toen Abram hoorde dat zijn broeder als gevangene weggevoerd was, bewapende hij zijn geoefende mannen die in zijn huis geboren waren, driehonderdachttien man, en hij achtervolgde hen tot aan Dan.

15Hij verdeelde zich 's nachts tegen hen in groepen, hij en zijn manschappen, en versloeg hen; en hij achtervolgde hen tot aan Hoba, dat links van Damascus ligt.

16En hij bracht alle bezittingen terug, en ook zijn broeder Lot en zijn bezittingen bracht hij terug, evenals de vrouwen en het volk.

17Toen trok de koning van Sodom hem tegemoet, nadat hij teruggekeerd was van het verslaan van Kedor-Laomer en de koningen die bij hem waren, naar het dal Sjave, dat is het tegenwoordige Koningsdal.

Abram en Melchizedek

18

14:18
Hebr. 7:1,2,3
En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.

19En hij zegende hem en zei:

Gezegend zij Abram

door God, de Allerhoogste,

Die hemel en aarde bezit!

20En geloofd zij God, de Allerhoogste,

Die overgeleverd heeft

uw tegenstanders in uw hand!

En Abram gaf hem van alles een tiende deel.

21De koning van Sodom zei tegen Abram: Geef mij de mensen, maar houd de bezittingen voor uzelf.

22Maar Abram zei tegen de koning van Sodom: Ik zweer bij de HEERE,14:22 Ik zweer bij de HEERE - Letterlijk: Ik heb mijn hand opgeheven naar de HEERE. God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit,

23dat ik niets, van draad tot schoenriem toe, ja, niets van alles wat van u is, zal nemen, zodat u niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt.

24Verre daarvan! Alleen wat de knechten gegeten hebben, en het deel van de mannen die met mij meegegaan zijn, Aner, Eskol en Mamre; laten die hun deel nemen!

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]