Herziene Statenvertaling (HSV)
9

Gods verbond met Noach

91Toen zegende God Noach en zijn zonen en Hij zei tegen hen:

9:1
Gen. 1:28
8:17
Wees vruchtbaar, word talrijk en vervul de aarde!

2Vrees en schrik voor u zal er zijn bij alle dieren van de aarde en bij alle vogels in de lucht, bij alles wat over de aardbodem kruipt en bij alle vissen in de zee; zij zijn in uw hand gegeven.

3Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals

9:3
Gen. 1:29
het groene gewas.

4

9:4
Lev. 3:17
7:26
17:14
19:26
Deut. 12:23
Maar vlees met zijn leven, zijn bloed, er nog in mag u niet eten.

5

9:5
Ex. 21:12,28
Voorzeker, Ik zal vergelding eisen voor uw bloed, voor uw levens. Van de hand van alle dieren zal Ik vergelding eisen; ook van de hand van de mens, van de hand van ieders broeder, zal Ik vergelding eisen voor het leven van de mens.

6

9:6
Klaagl. 4:13
Matt. 26:52
Openb. 13:10
Vergiet iemand het bloed van de mens,

door de mens zal diens bloed vergoten worden;

want

9:6
Gen. 1:27
naar het beeld van God

heeft Hij de mens gemaakt.

7Wat

9:7
Gen. 1:28
8:17
u betreft, wees vruchtbaar en word talrijk;

breid u overvloedig uit op de aarde, en word talrijk daarop.

8En God zei tegen Noach en zijn zonen met hem:

9

9:9
Jes. 54:9
En Ik, zie, Ik maak Mijn verbond met u, met uw nageslacht na u,

10en met alle levende wezens die bij u zijn: de vogels, het vee en alle dieren van de aarde met u; van alles wat uit de ark is gegaan, tot alle dieren van de aarde toe.

11Ik maak Mijn verbond met u, dat niet meer alle vlees door het water van een vloed zal worden uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te gronde te richten.

12En God zei: Dit is het teken van het verbond dat Ik geef tussen Mij en u, en alle levende wezens die bij u zijn, alle generaties door tot in eeuwigheid:

13Mijn boog heb Ik in de wolken gegeven; die zal dienen als teken van het verbond tussen Mij en de aarde.

14Het zal gebeuren, als Ik wolken boven de aarde breng en de boog in de wolken gezien wordt,

15dat Ik aan Mijn verbond zal denken, dat er is tussen Mij en u en alle levende wezens van alle vlees. Het water zal niet meer tot een vloed worden om alle vlees te gronde te richten.

16Als deze boog in de wolken is, zal Ik hem zien, en denken aan het eeuwig verbond tussen God en alle levende wezens van alle vlees dat op de aarde is.

17God zei dus tegen Noach: Dit is het teken van het verbond dat Ik gemaakt heb tussen Mij en alle vlees dat op de aarde is.

De zonen van Noach

18En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren

9:18
Gen. 6:10
Sem, Cham en Jafeth; Cham is de vader van Kanaän.

19Deze drie waren de zonen van Noach; en uit hen is heel de aarde bevolkt.9:19 bevolkt - Letterlijk: overspreid.

20En Noach werd landbouwer en plantte een wijngaard.

21Hij dronk van de wijn en werd dronken; en hij ontkleedde zich midden in zijn tent.

22En Cham, de vader van Kanaän, zag de naaktheid van zijn vader en vertelde het aan zijn beide broers buiten.

23Toen namen Sem en Jafeth een kleed, legden het op hun beider schouders, liepen achteruit en bedekten de naaktheid van hun vader, met het gezicht afgewend, zodat zij de naaktheid van hun vader niet zagen.

24Toen ontwaakte Noach uit zijn roes en kwam hij te weten wat zijn jongste zoon hem aangedaan had.

25Hij zei:

Vervloekt is Kanaän!

Laat hij voor zijn broers een dienaar van dienaren zijn!

26Ook zei hij:

Gezegend is de HEERE, de God van Sem!

Laat Kanaän een dienaar voor hem zijn!

27Laat God Jafeth uitbreiden en laat hij in de tenten van Sem wonen!

En laat Kanaän voor hem een dienaar zijn!

28En Noach leefde na de vloed driehonderdvijftig jaar.

29Zo waren al de dagen van Noach negenhonderdvijftig jaar; en hij stierf.

10

Nakomelingschap van Noachs zonen

101Dit zijn de afstammelingen van

10:1
1 Kron. 1:4
de zonen van Noach, Sem, Cham en Jafeth. Bij hen werden na de vloed zonen geboren.

2De

10:2
1 Kron. 1:5
zonen van Jafeth zijn: Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras.

3De zonen van Gomer zijn: Askenaz, Rifath en Togarma.

4De zonen van Javan zijn: Elisa en Tarsis, de Kittiërs en de Dodanieten.

5Van hen stammen de mensen af die zich over de kustlanden van de volken verspreid hebben, in hun landen, elk overeenkomstig zijn taal, overeenkomstig hun geslachten, onder hun volken.

6De zonen van

10:6
1 Kron. 1:8
Cham zijn: Cusj, Mizraïm, Put en Kanaän.

7De zonen van Cusj zijn: Seba, Havila, Sabta, Raëma en Sabtecha. De zonen van Raëma zijn: Sjeba en Dedan.

8En

10:8
1 Kron. 1:10
Cusj verwekte Nimrod; die begon een geweldenaar op de aarde te worden.

9Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE; daarom wordt gezegd: Als Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE.

10Het begin van zijn koninkrijk bestond uit Babel, Erech, Akkad en Kalne in het land Sinear.

11Uit dit land is Assur weggegaan en hij bouwde Ninevé, Rehoboth-Ir, Kalach

12en Resen, tussen Ninevé en Kalach; dat is de grote stad.

13Mizraïm verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten,

14de Pathrusieten, de Kasluchieten – uit wie de Filistijnen voortgekomen zijn – en de Kaftorieten.

15Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, Heth,

16en de Jebusiet, de Amoriet, de Girgasiet,

17de Heviet, de Arkiet, de Siniet,

18de Arvadiet, de Zemariet en de Hamathiet; daarna zijn de geslachten van de Kanaänieten verspreid.

19En de grens van de Kanaänieten reikte van Sidon in de richting van Gerar tot aan Gaza, en in de richting van Sodom, Gomorra, Adama en Zeboïm, tot aan Lasa.

20Dit waren de zonen van Cham, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun talen, met hun landen en hun volken.

21Ook bij Sem zijn zonen geboren; hij is de voorvader van alle zonen van Heber, en de broer van Jafeth, de oudste.

22

10:22
1 Kron. 1:17
Sems zonen waren: Elam, Assur,
10:22
Gen. 11:10
Arfachsad, Lud en Aram.

23De zonen van Aram waren: Uz, Hul, Gether en Mas.

24

10:24
1 Kron. 1:18
Arfachsad verwekte Selah, en Selah verwekte Heber.

25Bij Heber werden twee zonen geboren; de naam van de ene was Peleg,10:25 Peleg kan vertaald worden met: verdeling. omdat in zijn dagen de aarde verdeeld is, en de naam van zijn broer was Joktan.

26Joktan verwekte Almodad, Selef, Hazarmavet, Jerah,

27Hadoram, Uzal, Dikla,

28Obal, Abimaël, Sjeba,

29Ofir, Havila en Jobab. Zij allen waren zonen van Joktan.

30Hun woongebied reikte van Mesja tot in de richting van Sefar, het bergland in het oosten.

31Dit waren de zonen van Sem, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun talen, met hun landen en hun volken.

32Dit waren de geslachten van de zonen van Noach, ingedeeld naar hun afstamming, met hun volken; van hen stammen de volken af die zich na de vloed over de aarde hebben verspreid.

11

De toren van Babel

111Heel de aarde had één taal en eendere woorden.

2En het gebeurde, toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land

11:2
Gen. 10:10
Sinear vonden. Daar gingen zij wonen.

3En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem.

4En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen, en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!

5Toen daalde de HEERE neer om de stad en de toren te zien die de mensenkinderen aan het bouwen waren,

6en de HEERE zei: Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn.

7Kom, laten Wij neerdalen en laten Wij hun taal daar verwarren, zodat zij geen van allen elkaars taal zullen begrijpen.

8

11:8
Deut. 32:8
Hand. 17:26
Zo verspreidde de HEERE hen vandaar over heel de aarde, en zij hielden op met het bouwen van de stad.

9Daarom gaf men haar de naam Babel;11:9 Babel wordt hier in verband gebracht met een Hebreeuws woord dat ‘verwarren’ betekent. want daar verwarde de HEERE de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde de HEERE hen over heel de aarde.

Nageslacht van Sem

10

11:10
Gen. 10:221 Kron. 1:17
Dit zijn de afstammelingen van Sem: Sem was honderd jaar oud, toen hij Arfachsad verwekte, twee jaar na de vloed.

11Sem leefde, nadat hij Arfachsad verwekt had, vijfhonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

12Arfachsad had vijfendertig jaar geleefd, toen hij Selah verwekte.

13Arfachsad leefde, nadat hij Selah verwekt had, vierhonderddrie jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

14Selah had dertig jaar geleefd, toen hij Heber verwekte.

15Selah leefde, nadat hij Heber verwekt had, vierhonderddrie jaar, en hij verwekte zonen en dochters.

16Heber had vierendertig jaar geleefd, toen hij Peleg verwekte.

17Heber leefde, nadat hij Peleg verwekt had, vierhonderddertig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

18

11:18
1 Kron. 1:25
Peleg had dertig jaar geleefd, toen hij Rehu verwekte.

19Peleg leefde, nadat hij Rehu verwekt had, tweehonderdnegen jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

20Rehu had tweeëndertig jaar geleefd, toen hij Serug verwekte.

21Rehu leefde, nadat hij Serug verwekt had, tweehonderdzeven jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

22Serug had dertig jaar geleefd, toen hij Nahor verwekte.

23Serug leefde, nadat hij Nahor verwekt had, tweehonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

24Nahor had negenentwintig jaar geleefd, toen hij Terah verwekte.

25Nahor leefde, nadat hij Terah verwekt had, honderdnegentien jaar; en hij verwekte zonen en dochters.

26Terah had zeventig jaar geleefd, toen hij Abram, Nahor en Haran verwekte.

Nageslacht van Terah

27

11:27
Joz. 24:2
1 Kron. 1:26
Dit zijn de afstammelingen van Terah: Terah verwekte Abram, Nahor en Haran; en Haran verwekte Lot.

28Haran stierf tijdens het leven van zijn vader Terah, in zijn geboorteland, in Ur van de Chaldeeën.

29En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams vrouw was Sarai, en de naam van Nahors vrouw was

11:29
Gen. 22:20
Milka, een dochter van Haran, de vader van Milka en Jiska.

30

11:30
Gen. 16:1,2
18:11,12
Sarai nu was onvruchtbaar; zij had geen kind.

31

11:31
Joz. 24:2
Neh. 9:7
Hand. 7:4
En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, zijn kleinzoon, de zoon van Haran, en Sarai, zijn schoondochter, de vrouw van zijn zoon Abram, en zij trokken met hen uit Ur van de Chaldeeën om naar het land Kanaän te gaan; en zij kwamen tot Haran en bleven daar wonen.

32De dagen nu van Terah waren tweehonderdvijf jaar, en Terah stierf in Haran.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]