Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Register van de Joden die vóór de tempelbouw naar Juda zijn teruggekeerd

21Dit zijn de bewoners van het gewest die optrokken uit de gevangenschap van de ballingen die Nebukadnezar, de koning van Babel, in ballingschap had gevoerd naar Babel, en die terugkeerden naar Jeruzalem en naar Juda, ieder naar zijn eigen stad,

2die meekwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mispar, Bigvai, Rehum en Baëna.

Dit is het aantal mannen van het volk Israël:

3de nakomelingen van Paros: tweeduizend honderdtweeënzeventig;

4de nakomelingen van Sefatja: driehonderdtweeënzeventig;

5de nakomelingen van Arach: zevenhonderdvijfenzeventig;

6de nakomelingen van Pahat-Moab, van de nakomelingen van Jesua en Joab: tweeduizend achthonderdtwaalf;

7de nakomelingen van Elam: duizend tweehonderdvierenvijftig;

8de nakomelingen van Zattu: negenhonderdvijfenveertig;

9de nakomelingen van Zakkai: zevenhonderdzestig;

10de nakomelingen van Bani: zeshonderdtweeënveertig;

11de nakomelingen van Bebai: zeshonderddrieëntwintig;

12de nakomelingen van Azgad: duizend tweehonderdtweeëntwintig;

13de nakomelingen van Adonikam: zeshonderdzesenzestig;

14de nakomelingen van Bigvai: tweeduizend zesenvijftig;

15de nakomelingen van Adin: vierhonderdvierenvijftig;

16de nakomelingen van Ater, van Hizkia: achtennegentig;

17de nakomelingen van Bezai: driehonderddrieëntwintig;

18de nakomelingen van Jora: honderdtwaalf;

19de nakomelingen van Hasum: tweehonderddrieëntwintig;

20de nakomelingen van Gibbar: vijfennegentig;

21de nakomelingen van Bethlehem: honderddrieëntwintig;

22de mannen van Netofa: zesenvijftig;

23de mannen van Anathoth: honderdachtentwintig;

24de nakomelingen van Azmaveth: tweeënveertig;

25de nakomelingen van Kirjath-Arim, Kefira en Beëroth: zevenhonderddrieënveertig;

26de nakomelingen van Rama en Gaba: zeshonderdeenentwintig;

27de mannen van Michmas: honderdtweeëntwintig;

28de mannen van Bethel en Ai: tweehonderddrieëntwintig;

29de nakomelingen van Nebo: tweeënvijftig;

30de nakomelingen van Magbis: honderdzesenvijftig;

31de nakomelingen van een andere Elam: duizend tweehonderdvierenvijftig;

32de nakomelingen van Harim: driehonderdtwintig;

33de nakomelingen van Lod, Hadid en Ono: zevenhonderdvijfentwintig;

34de nakomelingen van Jericho: driehonderdvijfenveertig;

35de nakomelingen van Senaä: drieduizend zeshonderddertig.

36De priesters: de nakomelingen van Jedaja, van het huis van Jesua: negenhonderddrieënzeventig;

37de nakomelingen van Immer: duizend tweeënvijftig;

38de nakomelingen van Pashur: duizend tweehonderdzevenenveertig;

39de nakomelingen van Harim: duizend zeventien.

40De Levieten: de nakomelingen van Jesua en Kadmiël, van de nakomelingen van Hodavja: vierenzeventig.

41De zangers: de nakomelingen van Asaf: honderdachtentwintig.

42De nakomelingen van de poortwachters: de nakomelingen van Sallum, de nakomelingen van Ater, de nakomelingen van Talmon, de nakomelingen van Akkub, de nakomelingen van Hatita, de nakomelingen van Sobai: in totaal honderdnegenendertig.

43De tempeldienaren: de nakomelingen van Ziha, de nakomelingen van Hasufa, de nakomelingen van Tabbaoth,

44de nakomelingen van Keros, de nakomelingen van Siaha, de nakomelingen van Padon,

45de nakomelingen van Lebana, de nakomelingen van Hagaba, de nakomelingen van Akkub,

46de nakomelingen van Hagab, de nakomelingen van Samlai, de nakomelingen van Hanan,

47de nakomelingen van Giddel, de nakomelingen van Gahar, de nakomelingen van Reaja,

48de nakomelingen van Rezin, de nakomelingen van Nekoda, de nakomelingen van Gazzam,

49de nakomelingen van Uzza, de nakomelingen van Paseah, de nakomelingen van Besai,

50de nakomelingen van Asna, de nakomelingen van de Meünim, de nakomelingen van de Nefusim,

51de nakomelingen van Bakbuk, de nakomelingen van Hakufa, de nakomelingen van Harhur,

52de nakomelingen van Bazluth, de nakomelingen van Mehida, de nakomelingen van Harsa,

53de nakomelingen van Barkos, de nakomelingen van Sisera, de nakomelingen van Tamah,

54de nakomelingen van Neziah, de nakomelingen van Hatifa.

55De nakomelingen van de slaven van Salomo: de nakomelingen van Sotai, de nakomelingen van Sofereth, de nakomelingen van Peruda,

56de nakomelingen van Jaäla, de nakomelingen van Darkon, de nakomelingen van Giddel,

57de nakomelingen van Sefatja, de nakomelingen van Hattil, de nakomelingen van Pocheret van Zebaïm, de nakomelingen van Ami.

58Het geheel van de tempeldienaren en van de nakomelingen van de slaven van Salomo: driehonderdtweeënnegentig.

59En dit waren degenen die optrokken uit Tel Melah, Tel Harsa, Cherub, Addan en Immer, maar die niet konden vertellen wie hun familie en wat hun afkomst was, of zij van Israël waren:

60de nakomelingen van Delaja, de nakomelingen van Tobia, de nakomelingen van Nekoda: zeshonderdtweeënvijftig;

61en van de nakomelingen van de priesters: de nakomelingen van Habaja, de nakomelingen van Hakkoz en de nakomelingen van Barzillai, die een vrouw genomen had uit de dochters van Barzillai uit Gilead, en naar hun naam genoemd was.

62Dezen zochten naar hun inschrijving onder hen die in het geslachtsregister waren ingeschreven, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onrein van het priesterschap geweerd.

63En Zijne Excellentie zei tegen hen dat zij niet van de allerheiligste dingen mochten eten, totdat er een priester zou aantreden met de urim en met de tummim.

64De hele gemeente bijeen: tweeënveertigduizend driehonderdzestig,

65afgezien van hun slaven en hun slavinnen: dat waren er zevenduizend driehonderdzevenendertig, en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen.

66Hun paarden: zevenhonderdzesendertig; hun muildieren: tweehonderdvijfenveertig.

67Hun kamelen: vierhonderdvijfendertig; hun ezels: zesduizend zevenhonderdtwintig.

68En sommigen van de familiehoofden gaven, toen ze aankwamen bij het huis van de HEERE, Die in Jeruzalem woont, vrijwillig voor het huis van God, om het op zijn oorspronkelijke plaats te doen staan.

69Naar hun vermogen gaven zij voor de schatkamer ten behoeve van het werk: eenenzestigduizend drachmen aan goud, vijfduizend ponden aan zilver en honderd onderkleden voor priesters.

70De priesters, de Levieten, sommigen van het volk, de zangers, de poortwachters en de tempeldienaren woonden in hun steden, en heel Israël woonde in zijn steden.

3

Herstel van de offerdienst

31Toen de zevende maand aanbrak en de Israëlieten zich in de steden gevestigd hadden, verzamelde het volk zich als één man in Jeruzalem.

2Jesua, de zoon van Jozadak, stond op met zijn broeders, de priesters, en Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, met zijn broeders, en zij herbouwden het altaar van de God van Israël om daarop brandoffers te brengen volgens wat

3:2
Deut. 12:5,6
geschreven staat in de wet van Mozes, de man Gods.

3En zij plaatsten het altaar op zijn fundament, hoewel er verschrikking over hen was vanwege de volken van de landen rondom. Zij brachten daarop brandoffers voor de HEERE, brandoffers

3:3
Num. 28:3
voor de ochtend en voor de avond.

4Zij vierden het Loofhuttenfeest volgens wat geschreven staat, namelijk een brandoffer van een dag op die dag in het juiste aantal, overeenkomstig de

3:4
Lev. 23:34
Num. 29:12
bepaling voor elke afzonderlijke dag.3:4 voor elke afzonderlijke dag - Letterlijk: een zaak van een dag op zijn dag.

5Daarna het voortdurende brandoffer en dat voor de

3:5
Num. 28:11Neh. 10:33
nieuwe maanden en voor alle geheiligde vastgestelde tijden voor de HEERE en voor ieder die een vrijwillige gave gaf aan de HEERE.

6Vanaf de eerste dag van de zevende maand begonnen zij de HEERE brandoffers te brengen, maar de fundering voor de tempel van de HEERE was nog niet gelegd.

7Daarom gaven zij geld voor de steenhouwers en voor de ambachtslieden, en eten en drinken en olie voor de Sidoniërs en de Tyriërs, om cederhout te laten komen van de Libanon, over zee naar Jafo, overeenkomstig de vergunning hun verleend door Kores, de koning van Perzië.

Begin van de herbouw van de tempel

8In het tweede jaar na hun komst naar het huis van God in Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overigen van hun broeders, de priesters en de Levieten, en allen die uit de gevangenschap naar Jeruzalem waren gekomen met de bouw. Zij stelden de Levieten aan van twintig jaar en daarboven om toezicht te houden op het werk aan het huis van de HEERE.

9Toen trad Jesua aan, met zijn zonen en zijn broeders, en Kadmiël met zijn zonen, de nakomelingen van Juda, als één man om toezicht te houden op hen die het werk deden in het huis van God, en ook de zonen van Henadad, hun zonen en hun broeders, de Levieten.

10En de bouwers legden de fundering van de tempel van de HEERE, en men stelde de priesters op, gekleed in ambtsgewaad, met de trompetten, en de Levieten, de nakomelingen van Asaf, met de cimbalen, om de HEERE te prijzen, naar de richtlijnen van David, de koning van Israël.

11Zij zongen in beurtzang bij het prijzen en bij het danken van de HEERE dat Hij goed is, dat Zijn goedertierenheid over Israël tot in eeuwigheid is. Heel het volk hief een groot gejuich aan bij het prijzen van de HEERE, omdat de fundering voor het huis van de HEERE gelegd was.

12Maar velen van de priesters en de Levieten en de familiehoofden, namelijk de ouderen die het eerste huis op zijn fundering gezien hadden, huilden met luide stem toen zij dit huis voor hun ogen zagen, terwijl vele anderen met gejuich en met blijdschap hun stem verhieven.

13En het volk kon geen onderscheid maken tussen het geluid van het vreugdegejuich en het geluid van het huilen van het volk, want het volk hief een groot gejuich aan en het geluid werd tot ver gehoord.

4

Tegenstand bij de tempelbouw

41Toen de tegenstanders van Juda en Benjamin hadden gehoord dat de ballingen een tempel bouwden voor de HEERE, de God van Israël,

2kwamen zij naar Zerubbabel toe en naar de familiehoofden en zeiden tegen hen: Laten wij samen met u bouwen, want zoals u zoeken ook wij uw God. En aan Hem offeren wij sinds de dagen van

4:2
2 Kon. 17:29
Esar-Haddon, de koning van Assyrië, die ons hierheen heeft laten trekken.

3Maar Zerubbabel en Jesua en de overige familiehoofden van Israël zeiden tegen hen: Het is niet aan u en aan ons om samen een huis voor onze God te bouwen, want wíj alleen zullen het bouwen voor de HEERE, de God van Israël,

4:3
Ezra 1:1,2,3
zoals koning Kores, de koning van Perzië, ons geboden heeft.

4Het volk van het land ontmoedigde het volk4:4 ontmoedigde het volk - Letterlijk: verzwakte de handen van het volk. van Juda en zij joegen hun schrik aan bij het bouwen.

5En zij huurden raadslieden tegen hen om hun plan te verijdelen, al de dagen van Kores, de koning van Perzië, tot aan het koningschap van Darius, de koning van Perzië.

6Tijdens het koningschap van Ahasveros, in het begin van zijn koningschap, schreven zij een aanklacht tegen de bewoners van Juda en Jeruzalem.

7In de dagen van Arthahsasta schreven Bislam, Mithredath en Tabeël en de overigen van zijn ambtgenoten naar Arthahsasta, de koning van Perzië. De tekst van de brief was geschreven in Aramees schrift en in het Aramees vertaald.

8Rehum, de kanselier, en Simsai, de secretaris, schreven een brief tegen Jeruzalem aan koning Arthahsasta, als volgt:

9Kanselier Rehum, secretaris Simsai en hun overige ambtgenoten, Dinaïeten, Afarsatieten, Tarpelieten, Afarsieten, Archavieten, Babyloniërs, en Susanieten, die Elamieten zijn,

10en de overige volken die de grote en vermaarde Asnappar in ballingschap heeft gevoerd en heeft doen wonen in de stad van Samaria en de rest van het gebied aan deze zijde van de Eufraat, en op dit tijdstip.

11Dit is een afschrift van de brief die zij aan hem, aan koning Arthahsasta, zonden: Van uw dienaren, de mannen aan deze zijde van de Eufraat, en op dit tijdstip.

12Laat het de koning bekend zijn dat de Joden die van u zijn weggetrokken, bij ons in Jeruzalem zijn gekomen en die opstandige en slechte stad weer aan het opbouwen zijn. Zij voltooien de muren en herstellen de fundamenten.

13Laat het de koning nu bekend zijn dat, wanneer deze stad herbouwd is en zijn muren voltooid zijn, men geen belasting, heffingen of tol meer zal opbrengen, en dit zal zeker nadelig zijn voor de inkomsten van de koningen.

14Welnu, omdat het zout van het paleis ons zout is, en het ons niet past om lijdelijk toe te zien bij de schande van de koning, daarom hebben wij dit bericht gezonden, om het de koning te laten weten,

15zodat men het kan opzoeken in het boek met de kronieken van uw vaderen. Dan zult u het vinden in het boek met de kronieken en te weten komen dat deze stad een opstandige stad is, die nadelig geweest is voor koningen en gewesten, en dat er van oudsher oproer in ontketend werd. Daarom is deze stad verwoest.

16Wij geven de koning te kennen dat, als deze stad zal worden herbouwd en zijn muren voltooid, u daardoor geen deel meer zult hebben aan deze zijde van de Eufraat.

17De koning zond dit antwoord aan Rehum, de kanselier, Simsai, de secretaris, en de overigen van hun ambtgenoten die in Samaria woonden en in de rest van het gebied aan deze zijde van de Eufraat: Vrede zij u, en op dit tijdstip.

18De brief die u ons gestuurd hebt, is duidelijk aan mij voorgelezen.

19Er is een bevel door mij uitgevaardigd. Men heeft het onderzocht en gevonden dat deze stad zich van oudsher tegen koningen heeft verzet en dat er in haar opstand en oproer is ontketend.

20Er zijn zelfs machtige koningen in Jeruzalem geweest die overal aan de overzijde van de Eufraat geheerst hebben en aan wie belasting, accijnzen en tol is betaald.

21Welnu, geef bevel deze mannen op te laten houden, zodat die stad niet herbouwd wordt, totdat door mij daartoe het bevel wordt gegeven.

22Hoed u ervoor om hierin een nalatigheid te begaan. Waarom zou de schade toenemen ten nadele van de koningen?

23Zodra het afschrift van de brief van koning Arthahsasta voorgelezen was voor Rehum, Simsai, de secretaris, en hun ambtgenoten, vertrokken ze haastig naar Jeruzalem, naar de Joden en lieten hen met kracht en geweld ophouden.

24Toen hield het werk aan het huis van God in Jeruzalem op, ja, het hield op tot het tweede regeringsjaar van Darius, de koning van Perzië.