Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Kores laat de Joden naar Jeruzalem terugkeren

11In

1:1
2 Kron. 36:22
het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat
1:1
Jer. 25:12
29:10
het woord van de HEERE, dat Hij bij monde van Jeremia gesproken had, vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:

2Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt.

3Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem woont.

4En ieder die achtergebleven is, uit alle plaatsen waar hij als vreemdeling verblijft, laten zijn plaatsgenoten hem helpen met zilver, met goud, met allerlei bezittingen en met vee, naast de vrijwillige gave voor het huis van God, Die in Jeruzalem woont.

5Toen stonden de familiehoofden van Juda en Benjamin, en de priesters en de Levieten op, allen bij wie God de geest had opgewekt om op te trekken om het huis van de HEERE te bouwen, Die in Jeruzalem woont.

6En allen rondom hen ondersteunden hen1:6 ondersteunden hen - Letterlijk: maakten hun handen sterk. met zilveren voorwerpen, met goud, met bezittingen, met vee en met kostbaarheden, naast alles wat vrijwillig gegeven was.

7Ook liet koning Kores de voorwerpen van het huis van de HEERE halen, die

1:7
2 Kon. 24:13
2 Kron. 36:7
Nebukadnezar uit Jeruzalem had gehaald en in het huis van zijn goden had geplaatst.

8Kores, de koning van Perzië, liet ze halen door de dienst van Mithredath, de schatbewaarder, en die

1:8
Ezra 5:14
telde ze en droeg ze over aan Sesbazar, de vorst van Juda.

9Dit zijn de aantallen ervan: dertig gouden schalen, duizend zilveren schalen, negenentwintig messen,

10dertig gouden bekers, vierhonderdtien andere zilveren bekers; andere voorwerpen: duizend.

11Het totaal van de voorwerpen van goud en zilver: vijfduizend vierhonderd. Sesbazar bracht dit alles mee, toen de ballingen van Babel naar Jeruzalem gebracht werden.

2

Register van de Joden die vóór de tempelbouw naar Juda zijn teruggekeerd

21Dit zijn de bewoners van het gewest die optrokken uit de gevangenschap van de ballingen die Nebukadnezar, de koning van Babel, in ballingschap had gevoerd naar Babel, en die terugkeerden naar Jeruzalem en naar Juda, ieder naar zijn eigen stad,

2die meekwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mispar, Bigvai, Rehum en Baëna.

Dit is het aantal mannen van het volk Israël:

3de nakomelingen van Paros: tweeduizend honderdtweeënzeventig;

4de nakomelingen van Sefatja: driehonderdtweeënzeventig;

5de nakomelingen van Arach: zevenhonderdvijfenzeventig;

6de nakomelingen van Pahat-Moab, van de nakomelingen van Jesua en Joab: tweeduizend achthonderdtwaalf;

7de nakomelingen van Elam: duizend tweehonderdvierenvijftig;

8de nakomelingen van Zattu: negenhonderdvijfenveertig;

9de nakomelingen van Zakkai: zevenhonderdzestig;

10de nakomelingen van Bani: zeshonderdtweeënveertig;

11de nakomelingen van Bebai: zeshonderddrieëntwintig;

12de nakomelingen van Azgad: duizend tweehonderdtweeëntwintig;

13de nakomelingen van Adonikam: zeshonderdzesenzestig;

14de nakomelingen van Bigvai: tweeduizend zesenvijftig;

15de nakomelingen van Adin: vierhonderdvierenvijftig;

16de nakomelingen van Ater, van Hizkia: achtennegentig;

17de nakomelingen van Bezai: driehonderddrieëntwintig;

18de nakomelingen van Jora: honderdtwaalf;

19de nakomelingen van Hasum: tweehonderddrieëntwintig;

20de nakomelingen van Gibbar: vijfennegentig;

21de nakomelingen van Bethlehem: honderddrieëntwintig;

22de mannen van Netofa: zesenvijftig;

23de mannen van Anathoth: honderdachtentwintig;

24de nakomelingen van Azmaveth: tweeënveertig;

25de nakomelingen van Kirjath-Arim, Kefira en Beëroth: zevenhonderddrieënveertig;

26de nakomelingen van Rama en Gaba: zeshonderdeenentwintig;

27de mannen van Michmas: honderdtweeëntwintig;

28de mannen van Bethel en Ai: tweehonderddrieëntwintig;

29de nakomelingen van Nebo: tweeënvijftig;

30de nakomelingen van Magbis: honderdzesenvijftig;

31de nakomelingen van een andere Elam: duizend tweehonderdvierenvijftig;

32de nakomelingen van Harim: driehonderdtwintig;

33de nakomelingen van Lod, Hadid en Ono: zevenhonderdvijfentwintig;

34de nakomelingen van Jericho: driehonderdvijfenveertig;

35de nakomelingen van Senaä: drieduizend zeshonderddertig.

36De priesters: de nakomelingen van Jedaja, van het huis van Jesua: negenhonderddrieënzeventig;

37de nakomelingen van Immer: duizend tweeënvijftig;

38de nakomelingen van Pashur: duizend tweehonderdzevenenveertig;

39de nakomelingen van Harim: duizend zeventien.

40De Levieten: de nakomelingen van Jesua en Kadmiël, van de nakomelingen van Hodavja: vierenzeventig.

41De zangers: de nakomelingen van Asaf: honderdachtentwintig.

42De nakomelingen van de poortwachters: de nakomelingen van Sallum, de nakomelingen van Ater, de nakomelingen van Talmon, de nakomelingen van Akkub, de nakomelingen van Hatita, de nakomelingen van Sobai: in totaal honderdnegenendertig.

43De tempeldienaren: de nakomelingen van Ziha, de nakomelingen van Hasufa, de nakomelingen van Tabbaoth,

44de nakomelingen van Keros, de nakomelingen van Siaha, de nakomelingen van Padon,

45de nakomelingen van Lebana, de nakomelingen van Hagaba, de nakomelingen van Akkub,

46de nakomelingen van Hagab, de nakomelingen van Samlai, de nakomelingen van Hanan,

47de nakomelingen van Giddel, de nakomelingen van Gahar, de nakomelingen van Reaja,

48de nakomelingen van Rezin, de nakomelingen van Nekoda, de nakomelingen van Gazzam,

49de nakomelingen van Uzza, de nakomelingen van Paseah, de nakomelingen van Besai,

50de nakomelingen van Asna, de nakomelingen van de Meünim, de nakomelingen van de Nefusim,

51de nakomelingen van Bakbuk, de nakomelingen van Hakufa, de nakomelingen van Harhur,

52de nakomelingen van Bazluth, de nakomelingen van Mehida, de nakomelingen van Harsa,

53de nakomelingen van Barkos, de nakomelingen van Sisera, de nakomelingen van Tamah,

54de nakomelingen van Neziah, de nakomelingen van Hatifa.

55De nakomelingen van de slaven van Salomo: de nakomelingen van Sotai, de nakomelingen van Sofereth, de nakomelingen van Peruda,

56de nakomelingen van Jaäla, de nakomelingen van Darkon, de nakomelingen van Giddel,

57de nakomelingen van Sefatja, de nakomelingen van Hattil, de nakomelingen van Pocheret van Zebaïm, de nakomelingen van Ami.

58Het geheel van de tempeldienaren en van de nakomelingen van de slaven van Salomo: driehonderdtweeënnegentig.

59En dit waren degenen die optrokken uit Tel Melah, Tel Harsa, Cherub, Addan en Immer, maar die niet konden vertellen wie hun familie en wat hun afkomst was, of zij van Israël waren:

60de nakomelingen van Delaja, de nakomelingen van Tobia, de nakomelingen van Nekoda: zeshonderdtweeënvijftig;

61en van de nakomelingen van de priesters: de nakomelingen van Habaja, de nakomelingen van Hakkoz en de nakomelingen van Barzillai, die een vrouw genomen had uit de dochters van Barzillai uit Gilead, en naar hun naam genoemd was.

62Dezen zochten naar hun inschrijving onder hen die in het geslachtsregister waren ingeschreven, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onrein van het priesterschap geweerd.

63En Zijne Excellentie zei tegen hen dat zij niet van de allerheiligste dingen mochten eten, totdat er een priester zou aantreden met de urim en met de tummim.

64De hele gemeente bijeen: tweeënveertigduizend driehonderdzestig,

65afgezien van hun slaven en hun slavinnen: dat waren er zevenduizend driehonderdzevenendertig, en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen.

66Hun paarden: zevenhonderdzesendertig; hun muildieren: tweehonderdvijfenveertig.

67Hun kamelen: vierhonderdvijfendertig; hun ezels: zesduizend zevenhonderdtwintig.

68En sommigen van de familiehoofden gaven, toen ze aankwamen bij het huis van de HEERE, Die in Jeruzalem woont, vrijwillig voor het huis van God, om het op zijn oorspronkelijke plaats te doen staan.

69Naar hun vermogen gaven zij voor de schatkamer ten behoeve van het werk: eenenzestigduizend drachmen aan goud, vijfduizend ponden aan zilver en honderd onderkleden voor priesters.

70De priesters, de Levieten, sommigen van het volk, de zangers, de poortwachters en de tempeldienaren woonden in hun steden, en heel Israël woonde in zijn steden.

3

Herstel van de offerdienst

31Toen de zevende maand aanbrak en de Israëlieten zich in de steden gevestigd hadden, verzamelde het volk zich als één man in Jeruzalem.

2Jesua, de zoon van Jozadak, stond op met zijn broeders, de priesters, en Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, met zijn broeders, en zij herbouwden het altaar van de God van Israël om daarop brandoffers te brengen volgens wat

3:2
Deut. 12:5,6
geschreven staat in de wet van Mozes, de man Gods.

3En zij plaatsten het altaar op zijn fundament, hoewel er verschrikking over hen was vanwege de volken van de landen rondom. Zij brachten daarop brandoffers voor de HEERE, brandoffers

3:3
Num. 28:3
voor de ochtend en voor de avond.

4Zij vierden het Loofhuttenfeest volgens wat geschreven staat, namelijk een brandoffer van een dag op die dag in het juiste aantal, overeenkomstig de

3:4
Lev. 23:34
Num. 29:12
bepaling voor elke afzonderlijke dag.3:4 voor elke afzonderlijke dag - Letterlijk: een zaak van een dag op zijn dag.

5Daarna het voortdurende brandoffer en dat voor de

3:5
Num. 28:11Neh. 10:33
nieuwe maanden en voor alle geheiligde vastgestelde tijden voor de HEERE en voor ieder die een vrijwillige gave gaf aan de HEERE.

6Vanaf de eerste dag van de zevende maand begonnen zij de HEERE brandoffers te brengen, maar de fundering voor de tempel van de HEERE was nog niet gelegd.

7Daarom gaven zij geld voor de steenhouwers en voor de ambachtslieden, en eten en drinken en olie voor de Sidoniërs en de Tyriërs, om cederhout te laten komen van de Libanon, over zee naar Jafo, overeenkomstig de vergunning hun verleend door Kores, de koning van Perzië.

Begin van de herbouw van de tempel

8In het tweede jaar na hun komst naar het huis van God in Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overigen van hun broeders, de priesters en de Levieten, en allen die uit de gevangenschap naar Jeruzalem waren gekomen met de bouw. Zij stelden de Levieten aan van twintig jaar en daarboven om toezicht te houden op het werk aan het huis van de HEERE.

9Toen trad Jesua aan, met zijn zonen en zijn broeders, en Kadmiël met zijn zonen, de nakomelingen van Juda, als één man om toezicht te houden op hen die het werk deden in het huis van God, en ook de zonen van Henadad, hun zonen en hun broeders, de Levieten.

10En de bouwers legden de fundering van de tempel van de HEERE, en men stelde de priesters op, gekleed in ambtsgewaad, met de trompetten, en de Levieten, de nakomelingen van Asaf, met de cimbalen, om de HEERE te prijzen, naar de richtlijnen van David, de koning van Israël.

11Zij zongen in beurtzang bij het prijzen en bij het danken van de HEERE dat Hij goed is, dat Zijn goedertierenheid over Israël tot in eeuwigheid is. Heel het volk hief een groot gejuich aan bij het prijzen van de HEERE, omdat de fundering voor het huis van de HEERE gelegd was.

12Maar velen van de priesters en de Levieten en de familiehoofden, namelijk de ouderen die het eerste huis op zijn fundering gezien hadden, huilden met luide stem toen zij dit huis voor hun ogen zagen, terwijl vele anderen met gejuich en met blijdschap hun stem verhieven.

13En het volk kon geen onderscheid maken tussen het geluid van het vreugdegejuich en het geluid van het huilen van het volk, want het volk hief een groot gejuich aan en het geluid werd tot ver gehoord.