Herziene Statenvertaling (HSV)
6

De verwoesting van het land voorzegd

61Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2Mensenkind, richt uw blik op

6:2
Ezech. 36:1
de bergen van Israël, en profeteer ertegen.

3Zeg: Bergen van Israël, luister naar het woord van de Heere HEERE! Zo zegt de Heere HEERE tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de waterstromen en tegen de dalen: Zie, Ík ga het zwaard over u brengen en zal uw offerhoogten vernielen.

4Uw altaren zullen verwoest worden en uw wierookaltaren in stukken gebroken. Ik zal uw dodelijk gewonden doen vallen vóór uw stinkgoden.

5Ik zal de dode lichamen van de Israëlieten vóór hun stinkgoden leggen en Ik zal uw beenderen rondom uw altaren verstrooien.

6In al uw woongebieden zullen de steden verwoest worden en de offerhoogten een wildernis worden, zodat uw altaren verwoest en verlaten zijn, uw stinkgoden in stukken gebroken en weggedaan worden, uw wierookaltaren stukgebroken worden en uw werken verdelgd.

7In uw midden zullen de gesneuvelden liggen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

8Maar Ik zal er onder u laten overblijven, omdat er onder u zullen zijn die aan het zwaard ontkomen onder de heidenvolken, wanneer u over de landen verstrooid wordt.

9Dan zullen diegenen van u die ontkomen, aan Mij denken onder de heidenvolken waar zij gevangengenomen zijn, omdat Ik gebroken ben door hun hart, dat hoererij bedrijft, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die in hoererij achter hun stinkgoden aan gaan. Dan zullen zij van zichzelf walgen om de slechte daden die zij door al hun gruweldaden gedaan hebben.

10Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben. Ik heb niet zonder reden gesproken dat Ik hun dit kwaad zou aandoen.

11Zo zegt de Heere HEERE:

6:11
Ezech. 21:17
Sla uzelf in uw hand, stamp met uw voet en zeg ‘ach’ over alle gruwelijke slechte daden van het huis van Israël, want zij zullen door het zwaard, door de honger en door de pest vallen.

12Wie ver weg is, zal door de pest sterven, wie dichtbij is, zal door het zwaard vallen en wie overgebleven en gespaard is, zal door de honger sterven. Zo zal Ik Mijn grimmigheid tegen hen ten uitvoer brengen.

13Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, als hun gesneuvelden te midden van hun stinkgoden rondom hun altaren liggen, op elke hoge heuvel, op alle bergtoppen, onder elke bladerrijke boom en onder elke dichtbebladerde eik, op de plaats waar zij voor al hun stinkgoden een aangename geur hebben bereid.

14Zo zal Ik Mijn hand tegen hen uitstrekken, en Ik zal van het land een woestenij maken, ja, woester dan de woestijn van Dibla, in al hun woongebieden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

7

Profetie van het eindoordeel over heel het land

71Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2En u, mensenkind, zo zegt de Heere HEERE over het land van Israël:

Het einde,

het einde is gekomen

over de vier hoeken van het land.

3Nu is het einde er voor u,

Ik zal Mijn toorn op u afsturen,

u oordelen overeenkomstig uw wegen,

en al uw gruweldaden

zal Ik u vergelden.

4

7:4
Ezech. 5:11
8:18
Ik zal u niet ontzien,

Ik zal geen medelijden hebben,

want Ik zal u uw wegen vergelden,

en uw gruweldaden zullen in uw midden zijn.

Dan zult u weten, dat Ik de HEERE ben.

5Zo zegt de Heere HEERE:

Onheil op onheil!7:5 Onheil op onheil - Letterlijk: Onheil, één onheil. Zie, het komt eraan.

6Een einde is gekomen,

het einde is gekomen,

het ontwaakt tegen u!

Zie, het komt eraan.

7De ondergang is over u gekomen,

inwoner van het land,

de tijd is gekomen,

de dag van verwarring is nabij,

en geen vreugdekreet weerklinkt van de bergen.

8Nu zal Ik binnenkort Mijn grimmigheid over u uitstorten,

Mijn toorn tegen u ten uitvoer brengen,

Ik zal u oordelen overeenkomstig uw wegen,

en u al uw gruweldaden

zal ik u vergelden.

9Ik zal niets ontzien,

en geen medelijden hebben,

Ik zal u overeenkomstig uw wegen vergelden,

en uw gruweldaden zullen in uw midden zijn.

Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, het ben Die slaat.

10Zie, de dag!

Zie, het komt eraan!

De ondergang voltrekt zich,

de staf geeft bloesem,

de overmoed staat in bloei.

11Het geweld is opgerezen tot een staf van goddeloosheid,

niets blijft er van hen over, niets van hun rumoer, niets van hun geraas en niets van hun praal.

12De tijd is gekomen,

de dag is genaderd.

Laat de koper niet blij zijn,

en laat de verkoper geen rouw bedrijven,

want een brandende toorn ligt

op heel de menigte van het land.

13Ja, de verkoper zal naar het verkochte niet terugkeren,

ook al zouden beiden nog in leven zijn,7:13 ook al … zijn - Letterlijk: en hun leven nog onder de levens.

want het visioen over heel de menigte van het land zal niet herroepen worden,

en vanwege zijn ongerechtigheid zal niemand zijn leven behouden.7:13 zijn leven behouden - Letterlijk: zijn leven vastgrijpen.

14Zij hebben op de trompet geblazen,

zij hebben alles gereedgemaakt,

maar niemand trekt ten strijde,

want Mijn brandende toorn is

over heel de menigte van het land.

15Het zwaard buiten,

de pest en de honger binnen:

wie op het veld is,

zal door het zwaard sterven,

de honger en de pest zullen verteren

wie in de stad is.

16En wie van hen ontkomen, zullen wel ontkomen,

maar zullen op de bergen zijn

als duiven uit de dalen.

Zij allen kermen,

ieder om zijn ongerechtigheid.

17Alle handen zullen

7:17
Jes. 13:7
Jer. 6:24
slap worden,

en water loopt langs alle knieën.

18Zij zullen

7:18
Jes. 15:2,3
Jer. 48:37
zich omgorden met rouwgewaden,

huiver zal hen bedekken,

schaamte zal op alle gezichten zijn,

en kaalheid op al hun hoofden.

19Zij zullen hun zilver op de straten werpen,

en hun goud zal tot onreinheid zijn.

Hun

7:19
Spr. 11:4
Zef. 1:18
zilver en hun goud zal hen niet kunnen redden

op de dag van de verbolgenheid van de HEERE.

Hun ziel zullen zij er niet mee verzadigen,

en hun ingewanden zullen zij er niet mee vullen,

want het is voor hen een struikelblok van ongerechtigheid geweest.

20De pracht van Zijn sieraad heeft Hij tot glorie gesteld,

maar zij hebben er beelden van hun gruweldaden en van hun afschuwelijke afgoden van gemaakt.

Daarom heb Ik dat voor hen tot onreinheid gemaakt.

21Ik zal het als prooi in de hand van de vreemden geven,

en als buit aan de goddelozen van de aarde,

zodat zij het ontheiligen zullen.

22Ik zal Mijn aangezicht van hen afwenden,

en zij zullen Mijn verborgen plaats ontheiligen:

gewelddadigen zullen er binnenkomen

en die ontheiligen.

23Leg de ketting klaar,

want het land is vol bloedgerichten,

en de stad vol geweld.

24Ik zal de boosaardigste heidenvolken doen komen,

en zij zullen hun huizen in bezit nemen.

Ik zal de trots van de machtigen doen ophouden,

en zij die hen heiligen, zullen ontheiligd worden.

25Angst overvalt hen.

Zij zullen vrede zoeken,

maar die zal er niet zijn.

26Ramp op ramp zal er komen,

gerucht op gerucht zal er zijn.

Zij zullen bij een profeet een visioen zoeken,

bij de priester zal de wet verdwijnen,

raad bij de oudsten.

27De koning zal rouw bedrijven,

de vorst zal zich in wanhoop hullen,

en de handen van de bevolking van het land zullen verlamd zijn van schrik.

Ik zal met hen doen overeenkomstig hun eigen weg,

en volgens hun eigen bepalingen zal Ik hen oordelen.

Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

8

Gruwelijke dingen in de tempel

81Het gebeurde in het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde van de maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda vóór mij zaten, dat daar de hand van de Heere HEERE op mij viel.

2Ik zag, en zie, een gedaante met een uiterlijk als van vuur: vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar beneden toe, was vuur, en het deel vanaf Zijn heupen naar boven was als een glanzend uiterlijk, als de schittering van edelmetaal.

3Hij strekte iets uit

8:3
Dan. 5:5
met de vorm van een hand en pakte mij bij mijn hoofdhaar. Toen hief de Geest mij op tussen de aarde en de hemel en in visioenen van God bracht Hij mij naar Jeruzalem, naar de ingang van de poort van de binnenste voorhof die naar het noorden gekeerd is, waar zich de zetel van het afgodsbeeld van de na-ijver bevond, dat na-ijver oproept.

4En zie, daar was de heerlijkheid van de God van Israël, overeenkomstig de verschijning die ik in de

8:4
Ezech. 3:23
vallei gezien had.

5Hij zei tegen mij: Mensenkind, sla toch uw ogen op in de richting van het noorden. Toen sloeg ik mijn ogen op in de richting van het noorden. En zie, ten noorden van de poort van het altaar stond in de ingang het afgodsbeeld van de na-ijver.

6Daarop zei Hij tegen mij: Mensenkind, ziet u wat zij doen? Grote gruweldaden, die het huis van Israël hier doet, zodat Ik ver wegga van Mijn heiligdom. En u zult nog meer grote gruweldaden zien.

7Toen bracht Hij mij bij de ingang van de voorhof. Ik zag, en zie, een gat in de muur.

8Daarop zei Hij tegen mij: Mensenkind, breek toch door de muur heen. Toen brak ik door de muur heen, en zie, er was een ingang.

9Toen zei Hij tegen mij: Ga naar binnen en zie de boosaardige gruweldaden die zij hier doen.

10Ik ging naar binnen en ik zag, en zie, alle vormen van kruipende dieren, afschuwelijke dieren en alle stinkgoden van het huis van Israël, helemaal in het rond in de muur gegrift.

11En zeventig mannen uit de oudsten van het huis van Israël stonden ervoor, terwijl Jaäzanja, de zoon van Safan, in hun midden stond, ieder met zijn wierookvat in zijn hand, terwijl een geurige wolk van reukwerk opsteeg.

12Daarop zei Hij tegen mij: Hebt u gezien, mensenkind, wat de oudsten van het huis van Israël in de duisternis doen, ieder in de kamer waar zijn afbeelding zich bevindt? Want zij zeggen:

8:12
Ezech. 9:9
De HEERE ziet ons niet, de HEERE heeft het land verlaten.

13Verder zei Hij tegen mij: U zult nog meer grote gruweldaden zien die zij doen.

14Toen bracht Hij mij bij de ingang van de poort van het huis van de HEERE die aan de noordkant is, en zie, daar zaten vrouwen die de Tammuz beweenden.

15Hij zei tegen mij: Hebt u het gezien, mensenkind? U zult, opnieuw, nog grotere gruweldaden zien dan deze.

16Daarop bracht Hij mij naar de binnenste voorhof van het huis van de HEERE. En zie, bij de deur van de tempel van de HEERE, tussen de voorhal en het altaar, bevonden zich ongeveer vijfentwintig mannen, met hun rug naar de tempel van de HEERE en hun gezichten naar het oosten. Die bogen zich neer naar het oosten, voor de zon.

17Toen zei Hij tegen mij: Hebt u het gezien, mensenkind? Is er iets geringer voor het huis van Juda dan deze gruweldaden hier te doen? Ja, zij vervullen het land met geweld. Steeds opnieuw verwekken zij Mij tot toorn. En zie, zij steken wijnranken in hun neus.

18Daarom zal ook Ik handelen in grimmigheid:

8:18
Ezech. 5:11
7:4
Ik zal niemand ontzien en Ik zal geen medelijden hebben. Al roepen zij met luide stem ten aanhoren van Mij,
8:18
Spr. 1:28
Jes. 1:15
Jer. 11:11
toch zal Ik niet naar hen luisteren.