Herziene Statenvertaling (HSV)
5

Het gericht over Jeruzalem

51En u, mensenkind, neem u een scherp zwaard. U moet dat voor uzelf als kappersscheermes gebruiken, en dat over uw hoofd en over uw baard laten gaan. Daarna moet u voor uzelf een weegschaal nemen en de haren verdelen.

2Een derde deel moet u midden in de stad met vuur verbranden als de dagen van de belegering voorbij zijn, en een derde moet u nemen en met het zwaard daaromheen slaan, en een derde in de wind verstrooien, en Ik zal het zwaard achter hen trekken.

3Een klein aantal daarvan moet u dan nemen en in de punten van uw mantel binden.

4Dan moet u er nog meer van nemen en deze midden in het vuur werpen en die met vuur verbranden. Daaruit zal een vuur voortkomen tegen heel het huis van Israël.

5Zo zegt de Heere HEERE: Dit is Jeruzalem: Ik heb het te midden van de heidenvolken gezet met landen eromheen.

6Maar het was ongehoorzaam aan Mijn bepalingen, tot goddeloosheid toe, meer dan de heidenvolken, en aan Mijn verordeningen, meer dan de landen die eromheen zijn, want zij hebben Mijn bepalingen verworpen en in Mijn verordeningen zijn zij niet gegaan.

7Daarom, zo zegt de Heere HEERE:

5:7
Lev. 18:24,28
Omdat uw rumoer dat van de heidenvolken die rondom u zijn, nog heeft overtroffen, u in Mijn verordeningen niet gegaan bent, Mijn bepalingen niet gedaan hebt, zelfs niet gedaan hebt overeenkomstig de bepalingen van de heidenvolken die rondom u zijn,

8daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, ja Ik! Ik zal in uw midden oordelen voltrekken voor de ogen van de heidenvolken.

9Ik zal onder u doen wat Ik niet eerder gedaan heb en zoals Ik ook niet meer doen zal, vanwege al uw gruweldaden.

10Daarom zullen in uw midden vaders hun

5:10
Lev. 26:29
Deut. 28:53
2 Kon. 6:29
Klaagl. 4:10
kinderen opeten, en kinderen zullen hun vaders opeten. Ik zal strafgerichten over u voltrekken en zal al wat van u overblijft, naar
5:10
Jer. 49:32,36
alle windstreken verstrooien.

11Daarom, zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, omdat u Mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw afschuwelijke afgoden en met al uw gruweldaden, daarom zal Ik u ook kaalscheren, u

5:11
Ezech. 7:4
niet ontzien en zal Ik ook geen medelijden hebben.

12

5:12
Jer. 15:2
Een derde deel van u zal door de pest sterven en door de honger in uw midden omkomen, en om u heen zal een derde door het zwaard vallen, een derde zal Ik naar alle windstreken verstrooien en Ik zal achter hen het zwaard trekken.

13Dan zal Mijn toorn ten uitvoer gebracht worden en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten en troost halen. Dan zullen zij weten dat Ík, de HEERE, in Mijn na-ijver heb gesproken, wanneer Ik Mijn grimmigheid tegen hen ten uitvoer gebracht heb.

14Ik zal u tot een puinhoop maken en tot smaad onder de heidenvolken die rondom u zijn, voor de ogen van ieder die voorbijgaat.

15Wanneer Ik over u strafgerichten voltrek in toorn, in grimmigheid en in grimmige bestraffingen, zullen de

5:15
Deut. 28:37
smaad en de hoon voor de heidenvolken die rondom u zijn, onderwijs en een reden tot ontzetting zijn. Ík, de HEERE, heb gesproken.

16Wanneer Ik de boosaardige pijlen van de honger, die tot verderf leiden en die Ik afschiet om u te gronde te richten, op hen afschiet, zal Ik de

5:16
2 Kon. 6:25
Jes. 3:1
Ezech. 4:16
14:13
honger over u doen toenemen en het
5:16
Lev. 26:26
Ezech. 4:16
14:13
u aan brood laten ontbreken.5:16 aan brood laten ontbreken - Letterlijk: de staf van het brood breken.

17Ik zal honger en

5:17
Lev. 26:22
wilde dieren, die u van kinderen beroven, over u zenden. Pest en bloedvergieten zullen onder u rondwaren. Ik zal het zwaard over u brengen. Ík, de HEERE, heb gesproken.

6

De verwoesting van het land voorzegd

61Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2Mensenkind, richt uw blik op

6:2
Ezech. 36:1
de bergen van Israël, en profeteer ertegen.

3Zeg: Bergen van Israël, luister naar het woord van de Heere HEERE! Zo zegt de Heere HEERE tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de waterstromen en tegen de dalen: Zie, Ík ga het zwaard over u brengen en zal uw offerhoogten vernielen.

4Uw altaren zullen verwoest worden en uw wierookaltaren in stukken gebroken. Ik zal uw dodelijk gewonden doen vallen vóór uw stinkgoden.

5Ik zal de dode lichamen van de Israëlieten vóór hun stinkgoden leggen en Ik zal uw beenderen rondom uw altaren verstrooien.

6In al uw woongebieden zullen de steden verwoest worden en de offerhoogten een wildernis worden, zodat uw altaren verwoest en verlaten zijn, uw stinkgoden in stukken gebroken en weggedaan worden, uw wierookaltaren stukgebroken worden en uw werken verdelgd.

7In uw midden zullen de gesneuvelden liggen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

8Maar Ik zal er onder u laten overblijven, omdat er onder u zullen zijn die aan het zwaard ontkomen onder de heidenvolken, wanneer u over de landen verstrooid wordt.

9Dan zullen diegenen van u die ontkomen, aan Mij denken onder de heidenvolken waar zij gevangengenomen zijn, omdat Ik gebroken ben door hun hart, dat hoererij bedrijft, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die in hoererij achter hun stinkgoden aan gaan. Dan zullen zij van zichzelf walgen om de slechte daden die zij door al hun gruweldaden gedaan hebben.

10Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben. Ik heb niet zonder reden gesproken dat Ik hun dit kwaad zou aandoen.

11Zo zegt de Heere HEERE:

6:11
Ezech. 21:17
Sla uzelf in uw hand, stamp met uw voet en zeg ‘ach’ over alle gruwelijke slechte daden van het huis van Israël, want zij zullen door het zwaard, door de honger en door de pest vallen.

12Wie ver weg is, zal door de pest sterven, wie dichtbij is, zal door het zwaard vallen en wie overgebleven en gespaard is, zal door de honger sterven. Zo zal Ik Mijn grimmigheid tegen hen ten uitvoer brengen.

13Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, als hun gesneuvelden te midden van hun stinkgoden rondom hun altaren liggen, op elke hoge heuvel, op alle bergtoppen, onder elke bladerrijke boom en onder elke dichtbebladerde eik, op de plaats waar zij voor al hun stinkgoden een aangename geur hebben bereid.

14Zo zal Ik Mijn hand tegen hen uitstrekken, en Ik zal van het land een woestenij maken, ja, woester dan de woestijn van Dibla, in al hun woongebieden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

7

Profetie van het eindoordeel over heel het land

71Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2En u, mensenkind, zo zegt de Heere HEERE over het land van Israël:

Het einde,

het einde is gekomen

over de vier hoeken van het land.

3Nu is het einde er voor u,

Ik zal Mijn toorn op u afsturen,

u oordelen overeenkomstig uw wegen,

en al uw gruweldaden

zal Ik u vergelden.

4

7:4
Ezech. 5:11
8:18
Ik zal u niet ontzien,

Ik zal geen medelijden hebben,

want Ik zal u uw wegen vergelden,

en uw gruweldaden zullen in uw midden zijn.

Dan zult u weten, dat Ik de HEERE ben.

5Zo zegt de Heere HEERE:

Onheil op onheil!7:5 Onheil op onheil - Letterlijk: Onheil, één onheil. Zie, het komt eraan.

6Een einde is gekomen,

het einde is gekomen,

het ontwaakt tegen u!

Zie, het komt eraan.

7De ondergang is over u gekomen,

inwoner van het land,

de tijd is gekomen,

de dag van verwarring is nabij,

en geen vreugdekreet weerklinkt van de bergen.

8Nu zal Ik binnenkort Mijn grimmigheid over u uitstorten,

Mijn toorn tegen u ten uitvoer brengen,

Ik zal u oordelen overeenkomstig uw wegen,

en u al uw gruweldaden

zal ik u vergelden.

9Ik zal niets ontzien,

en geen medelijden hebben,

Ik zal u overeenkomstig uw wegen vergelden,

en uw gruweldaden zullen in uw midden zijn.

Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, het ben Die slaat.

10Zie, de dag!

Zie, het komt eraan!

De ondergang voltrekt zich,

de staf geeft bloesem,

de overmoed staat in bloei.

11Het geweld is opgerezen tot een staf van goddeloosheid,

niets blijft er van hen over, niets van hun rumoer, niets van hun geraas en niets van hun praal.

12De tijd is gekomen,

de dag is genaderd.

Laat de koper niet blij zijn,

en laat de verkoper geen rouw bedrijven,

want een brandende toorn ligt

op heel de menigte van het land.

13Ja, de verkoper zal naar het verkochte niet terugkeren,

ook al zouden beiden nog in leven zijn,7:13 ook al … zijn - Letterlijk: en hun leven nog onder de levens.

want het visioen over heel de menigte van het land zal niet herroepen worden,

en vanwege zijn ongerechtigheid zal niemand zijn leven behouden.7:13 zijn leven behouden - Letterlijk: zijn leven vastgrijpen.

14Zij hebben op de trompet geblazen,

zij hebben alles gereedgemaakt,

maar niemand trekt ten strijde,

want Mijn brandende toorn is

over heel de menigte van het land.

15Het zwaard buiten,

de pest en de honger binnen:

wie op het veld is,

zal door het zwaard sterven,

de honger en de pest zullen verteren

wie in de stad is.

16En wie van hen ontkomen, zullen wel ontkomen,

maar zullen op de bergen zijn

als duiven uit de dalen.

Zij allen kermen,

ieder om zijn ongerechtigheid.

17Alle handen zullen

7:17
Jes. 13:7
Jer. 6:24
slap worden,

en water loopt langs alle knieën.

18Zij zullen

7:18
Jes. 15:2,3
Jer. 48:37
zich omgorden met rouwgewaden,

huiver zal hen bedekken,

schaamte zal op alle gezichten zijn,

en kaalheid op al hun hoofden.

19Zij zullen hun zilver op de straten werpen,

en hun goud zal tot onreinheid zijn.

Hun

7:19
Spr. 11:4
Zef. 1:18
zilver en hun goud zal hen niet kunnen redden

op de dag van de verbolgenheid van de HEERE.

Hun ziel zullen zij er niet mee verzadigen,

en hun ingewanden zullen zij er niet mee vullen,

want het is voor hen een struikelblok van ongerechtigheid geweest.

20De pracht van Zijn sieraad heeft Hij tot glorie gesteld,

maar zij hebben er beelden van hun gruweldaden en van hun afschuwelijke afgoden van gemaakt.

Daarom heb Ik dat voor hen tot onreinheid gemaakt.

21Ik zal het als prooi in de hand van de vreemden geven,

en als buit aan de goddelozen van de aarde,

zodat zij het ontheiligen zullen.

22Ik zal Mijn aangezicht van hen afwenden,

en zij zullen Mijn verborgen plaats ontheiligen:

gewelddadigen zullen er binnenkomen

en die ontheiligen.

23Leg de ketting klaar,

want het land is vol bloedgerichten,

en de stad vol geweld.

24Ik zal de boosaardigste heidenvolken doen komen,

en zij zullen hun huizen in bezit nemen.

Ik zal de trots van de machtigen doen ophouden,

en zij die hen heiligen, zullen ontheiligd worden.

25Angst overvalt hen.

Zij zullen vrede zoeken,

maar die zal er niet zijn.

26Ramp op ramp zal er komen,

gerucht op gerucht zal er zijn.

Zij zullen bij een profeet een visioen zoeken,

bij de priester zal de wet verdwijnen,

raad bij de oudsten.

27De koning zal rouw bedrijven,

de vorst zal zich in wanhoop hullen,

en de handen van de bevolking van het land zullen verlamd zijn van schrik.

Ik zal met hen doen overeenkomstig hun eigen weg,

en volgens hun eigen bepalingen zal Ik hen oordelen.

Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.