Herziene Statenvertaling (HSV)
3

Ezechiël eet de boekrol op

31Daarna zei Hij tegen mij: Mensenkind,

3:1
Jer. 15:16
Ezech. 2:8
Openb. 10:9
eet wat u aantreft. Eet deze rol op, ga, spreek tot het huis van Israël.

2Toen deed ik mijn mond open en Hij gaf mij die rol te eten.

3Hij zei tegen mij: Mensenkind, geef uw buik te eten, vul uw binnenste met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik

3:3
Ps. 19:11
119:103
Openb. 10:10
en hij werd in mijn mond als honing zo zoet.

4Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind,

3:4
Jer. 1:17
ga, begeef u naar het huis van Israël en spreek tot hen met Mijn woorden.

5Want u wordt niet gezonden naar een volk met een onbegrijpelijke taal en een moeilijke spraak,3:5 met … spraak - Letterlijk: diep van lip en zwaar van tong; zie ook vers 6. maar naar het huis van Israël,

6niet naar veel volken met een onbegrijpelijke taal en een moeilijke spraak, van wie u de woorden niet kunt verstaan. Als Ik u naar hen gezonden zou hebben, zouden die geluisterd hebben!

7Maar het huis van Israël wil naar u niet luisteren, omdat zij naar Mij niet willen luisteren, want heel het huis van Israël heeft een hard voorhoofd en zij zijn hardleers.3:7 hardleers - Letterlijk: sterk van hart; zie ook Ezech. 2:4.

8

3:8
Jer. 1:18
Micha 3:8
Zie, Ik zal uw gezicht even hard maken als hun gezicht, en uw voorhoofd even hard als hun voorhoofd.

9Uw voorhoofd zal Ik maken als diamant, harder dan

3:9
Jer. 5:3
steen.
3:9
Jer. 1:8,17
Ezech. 2:6
1 Petr. 3:14
Wees niet bevreesd voor hen en wees niet ontsteld voor hun blik, want zij zijn een opstandig huis!

10Verder zei Hij tegen mij: Mensenkind, al Mijn woorden die Ik tot u spreek, neem ze op in uw hart en luister ernaar met uw oren.

11Ga, begeef u naar de ballingen, naar uw volksgenoten en,

3:11
Ezech. 2:5,7
of zij luisteren, of dat nalaten, spreek tot hen en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE!

12

3:12
Ezech. 8:3
Toen hief de Geest mij op en ik hoorde achter mij een geluid van een groot gedreun: Geloofd zij de heerlijkheid van de HEERE vanuit Zijn plaats!

13En ik hoorde het geluid van de vleugels van de levende wezens die elkaar raakten, het geluid van de wielen vlak bij hen en het geluid van een groot gedreun.

14Toen hief de Geest mij op en voerde mij weg en ik ging weg, bitter bedroefd en hevig ontdaan,3:14 bitter … ontdaan - Letterlijk: bitter door de woede van mijn geest. en de hand van de HEERE was zwaar op mij.

15Zo kwam ik bij de ballingen van Tel-Abib, die bij de rivier de Kebar woonden. Ik verbleef waar zij woonden. Ik verbleef daar ontzet in hun midden,

3:15
Job 2:13
zeven dagen.

Ezechiël tot wachter over het huis van Israël aangesteld

16Het gebeurde na verloop van zeven dagen dat het woord van de HEERE tot mij kwam:

17

3:17
Jes. 62:6
Ezech. 33:7
1 Tim. 3:1
Mensenkind, Ik heb u aangesteld tot wachter over het huis van Israël. Wanneer u uit Mijn mond een woord hoort, moet u hen namens Mij waarschuwen.

18

3:18
Ezech. 33:8
Als Ik tegen de goddeloze zeg: U zult zeker sterven, en u hebt hem niet gewaarschuwd en u hebt niet gesproken om de goddeloze voor zijn goddeloze weg te waarschuwen om hem in het leven te behouden: die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar Ik zal zijn bloed van uw hand eisen.

19Maar u, als u de goddeloze waarschuwt en hij zich niet van zijn goddeloosheid en van zijn goddeloze weg bekeert, zal hij in zijn ongerechtigheid sterven, maar u hebt uw leven gered.

20

3:20
Ezech. 18:24
33:12,13
En als een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afwendt en onrecht begaat en Ik een struikelblok voor hem leg, zal híj sterven. Omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven. Zijn rechtvaardige daden die hij gedaan heeft, zullen niet meer in herinnering gebracht worden, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.

21Maar u, als u de rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondigt, en hij inderdaad niet zondigt, zal hij zeker in leven blijven omdat hij gewaarschuwd is, en hebt ú uw leven gered.

De HEERE verschijnt opnieuw

22De hand van de HEERE was daar op mij en Hij zei tegen mij: Sta op, vertrek naar de vallei en daar zal Ik met u spreken.

23Ik stond op en vertrok naar de vallei, en zie, daar stond de heerlijkheid van de HEERE,

3:23
Ezech. 1:3
zoals de heerlijkheid die ik gezien had bij de rivier de Kebar. En ik wierp mij met mijn gezicht ter aarde.

24

3:24
Ezech. 2:2
Toen kwam de Geest in mij en deed mij op mijn voeten staan. Hij sprak met mij en zei tegen mij: Ga naar binnen, sluit u op binnen in uw huis.

25En wat u betreft, mensenkind, zie, zij zouden touwen om u heen slaan en u daarmee binden. Daarom moet u zich niet in hun midden begeven.

26Uw tong zal Ik aan uw gehemelte doen kleven, zodat u stom wordt en u voor hen niet kunt zijn als iemand die bestraft,

3:26
Ezech. 2:5
want zij zijn een opstandig huis!

27Maar als Ik met u spreek, zal Ik uw mond openen en zult u tegen hen zeggen: Zo zegt de Heere HEERE:

3:27
Ezech. 2:5,7
Wie luistert, laat hij luisteren. Wie dat nalaat, laat die het maar nalaten, want zij zijn een opstandig huis!

4

De toekomstige belegering van Jeruzalem op een steen afgebeeld

41En u, mensenkind, neem u een tegel, leg die vóór u neer en teken daarop een stad, Jeruzalem.

2Sla het beleg ervoor, bouw er een

4:2
2 Kon. 25:1
schans tegen, werp er een belegeringsdam tegenaan, stel legerkampen ertegen op en zet er rondom stormrammen tegen in.

3En u, neem u een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad. Houd dan uw blik er vast op gericht: zo raakt zij in belegering en zult u haar belegeren. Dit is een teken voor het huis van Israël.

4En u, ga op uw linkerzij liggen en leg daarop de ongerechtigheid van het huis van Israël. Zoveel dagen als u erop ligt, zult u hun ongerechtigheid dragen.

5En Ík leg u de jaren van hun ongerechtigheid op overeenkomstig het aantal dagen: driehonderdnegentig dagen dat

4:5
Num. 14:34
u de ongerechtigheid van het huis van Israël dragen zult.

6Hebt u dit voltooid, dan moet u vervolgens op uw rechterzij gaan liggen. Dan zult u veertig dagen de ongerechtigheid van het huis van Juda dragen. Voor elk jaar leg Ik u een dag op.

7En u zult uw blik richten op de belegering van Jeruzalem, terwijl u er met uw ontblote arm tegen profeteert.

8En zie, Ik zal touwen om u heen slaan, zodat u zich niet kunt omkeren van uw ene zij op uw andere zij, totdat u de dagen van uw belegering hebt voltooid.

9En u, neem u tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt. Doe die dan in één pot en maak daarvan voor uzelf brood. Het aantal dagen dat u op uw zij ligt, driehonderdnegentig dagen, moet u dat eten.

10Uw voedsel dat u moet eten, zal in gewicht twintig sikkel4:10 Een sikkel is 10 tot 13 gram. per dag zijn. Op vaste tijden4:10 Op vaste tijden - Letterlijk: Van tijd tot tijd; zie ook vers 11. moet u dat eten.

11U moet een afgemeten hoeveelheid4:11 een afgemeten hoeveelheid - Letterlijk: met een maat; zie ook vers 16. water drinken, een zesde deel van een hin.4:11 Een hin is vermoedelijk ongeveer 6 liter. Op vaste tijden moet u dat drinken.

12U moet verder een gerstekoek eten, en die voor hun ogen bakken op klonten menselijke uitwerpselen.

13En de HEERE zei: Zo zullen de Israëlieten hun brood

4:13
Hos. 9:3
onrein eten onder de heidenvolken waarheen Ik hen verdrijf.

14Toen zei ik: Ach, Heere HEERE, zie, mijn ziel is nooit verontreinigd, omdat ik van mijn jeugd af tot nu toe geen kadaver of wat verscheurd is, gegeten heb. Er is geen onrein vlees in mijn mond gekomen.

15Daarop zei Hij tegen mij: Zie, Ik geef u rundermest in plaats van menselijke uitwerpselen. Bereid daarop uw brood.

16Hij zei tegen mij: Mensenkind, zie, Ik

4:16
Lev. 26:26
Jes. 3:1
Ezech. 5:16
14:13
laat het in Jeruzalem aan brood ontbreken.4:16 Ik … ontbreken - Letterlijk: Ik breek de staf van het brood in Jeruzalem. In afgewogen hoeveelheid en vol bezorgdheid zullen zij brood eten, en met een afgemeten hoeveelheid en met ontzetting zullen zij water drinken,

17omdat zij aan brood en water gebrek hebben. De een zal met de ander ontzet zijn, zij zullen in hun ongerechtigheid wegkwijnen.

5

Het gericht over Jeruzalem

51En u, mensenkind, neem u een scherp zwaard. U moet dat voor uzelf als kappersscheermes gebruiken, en dat over uw hoofd en over uw baard laten gaan. Daarna moet u voor uzelf een weegschaal nemen en de haren verdelen.

2Een derde deel moet u midden in de stad met vuur verbranden als de dagen van de belegering voorbij zijn, en een derde moet u nemen en met het zwaard daaromheen slaan, en een derde in de wind verstrooien, en Ik zal het zwaard achter hen trekken.

3Een klein aantal daarvan moet u dan nemen en in de punten van uw mantel binden.

4Dan moet u er nog meer van nemen en deze midden in het vuur werpen en die met vuur verbranden. Daaruit zal een vuur voortkomen tegen heel het huis van Israël.

5Zo zegt de Heere HEERE: Dit is Jeruzalem: Ik heb het te midden van de heidenvolken gezet met landen eromheen.

6Maar het was ongehoorzaam aan Mijn bepalingen, tot goddeloosheid toe, meer dan de heidenvolken, en aan Mijn verordeningen, meer dan de landen die eromheen zijn, want zij hebben Mijn bepalingen verworpen en in Mijn verordeningen zijn zij niet gegaan.

7Daarom, zo zegt de Heere HEERE:

5:7
Lev. 18:24,28
Omdat uw rumoer dat van de heidenvolken die rondom u zijn, nog heeft overtroffen, u in Mijn verordeningen niet gegaan bent, Mijn bepalingen niet gedaan hebt, zelfs niet gedaan hebt overeenkomstig de bepalingen van de heidenvolken die rondom u zijn,

8daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, ja Ik! Ik zal in uw midden oordelen voltrekken voor de ogen van de heidenvolken.

9Ik zal onder u doen wat Ik niet eerder gedaan heb en zoals Ik ook niet meer doen zal, vanwege al uw gruweldaden.

10Daarom zullen in uw midden vaders hun

5:10
Lev. 26:29
Deut. 28:53
2 Kon. 6:29
Klaagl. 4:10
kinderen opeten, en kinderen zullen hun vaders opeten. Ik zal strafgerichten over u voltrekken en zal al wat van u overblijft, naar
5:10
Jer. 49:32,36
alle windstreken verstrooien.

11Daarom, zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, omdat u Mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw afschuwelijke afgoden en met al uw gruweldaden, daarom zal Ik u ook kaalscheren, u

5:11
Ezech. 7:4
niet ontzien en zal Ik ook geen medelijden hebben.

12

5:12
Jer. 15:2
Een derde deel van u zal door de pest sterven en door de honger in uw midden omkomen, en om u heen zal een derde door het zwaard vallen, een derde zal Ik naar alle windstreken verstrooien en Ik zal achter hen het zwaard trekken.

13Dan zal Mijn toorn ten uitvoer gebracht worden en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten en troost halen. Dan zullen zij weten dat Ík, de HEERE, in Mijn na-ijver heb gesproken, wanneer Ik Mijn grimmigheid tegen hen ten uitvoer gebracht heb.

14Ik zal u tot een puinhoop maken en tot smaad onder de heidenvolken die rondom u zijn, voor de ogen van ieder die voorbijgaat.

15Wanneer Ik over u strafgerichten voltrek in toorn, in grimmigheid en in grimmige bestraffingen, zullen de

5:15
Deut. 28:37
smaad en de hoon voor de heidenvolken die rondom u zijn, onderwijs en een reden tot ontzetting zijn. Ík, de HEERE, heb gesproken.

16Wanneer Ik de boosaardige pijlen van de honger, die tot verderf leiden en die Ik afschiet om u te gronde te richten, op hen afschiet, zal Ik de

5:16
2 Kon. 6:25
Jes. 3:1
Ezech. 4:16
14:13
honger over u doen toenemen en het
5:16
Lev. 26:26
Ezech. 4:16
14:13
u aan brood laten ontbreken.5:16 aan brood laten ontbreken - Letterlijk: de staf van het brood breken.

17Ik zal honger en

5:17
Lev. 26:22
wilde dieren, die u van kinderen beroven, over u zenden. Pest en bloedvergieten zullen onder u rondwaren. Ik zal het zwaard over u brengen. Ík, de HEERE, heb gesproken.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]