Herziene Statenvertaling (HSV)
38

Profetie over Gog

381Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2Mensenkind, richt uw blik op

38:2
Openb. 20:8
Gog, het land van Magog, de oppervorst van Mesech en Tubal, en profeteer tegen hem.

3Zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Gog, oppervorst van Mesech en Tubal!

4Ik zal u omkeren, Ik zal

38:4
Ezech. 29:4
39:2
haken in uw kaken slaan en Ik zal u doen uittrekken: u, met heel uw leger, paarden en ruiters, allen uitmuntend gekleed, een grote strijdmacht met grote en kleine schilden, die allen het zwaard hanteren.

5Bij hen zijn Perzen, Cusjieten en Puteeërs, allen met schild en helm,

6Gomer met al zijn troepen, Beth-Togarma, in het uiterste noorden,38:6 het uiterste noorden - Letterlijk: aan de zijden van het noorden; zie ook vers 15. met al zijn troepen, vele volken met u.

7Wees bereid en maak u gereed, u en uw hele strijdmacht, die bij u bijeengekomen is. Wees een wachter voor hen.

8Na vele dagen zult u gestraft worden. Aan het einde van de jaren zult u komen in een land dat hersteld is van het zwaard, bijeengebracht uit vele volken op de bergen van Israël, die tot een blijvende verwoesting waren geworden. Als zij uitgeleid zijn uit de volken, zullen zij allen onbezorgd wonen.

9U zult oprukken, u zult komen als een verwoesting; u zult als een

38:9
Ezech. 30:18
wolk zijn en het land bedekken, u en al uw troepen en vele volken met u.

10Zo zegt de Heere HEERE: Op die dag zal het gebeuren dat er overleggingen in uw hart zullen opkomen en dat u een kwaad plan beramen zult.

11U zult zeggen: Ik zal optrekken tegen een niet ommuurd land, komen bij mensen die rustig en onbezorgd wonen, die allen zonder muur en grendel wonen en geen poorten hebben,

12om roof te plegen, om buit te roven, om u38:12 u - Letterlijk: uw hand. tegen de nu bewoonde puinhopen te keren en tegen een volk dat uit de heidenvolken verzameld is, dat vee en bezit verworven heeft, dat in het midden van het land woont.

13Sjeba, Dedan, de kooplieden van Tarsis en al hun jonge leeuwen zullen tegen u zeggen: Komt u om een roof te plegen? Hebt u uw strijdmacht bijeengebracht om buit te roven, om zilver en goud mee te voeren, om vee en bezit mee te nemen, om een grote roof te plegen?

14Profeteer daarom, mensenkind, en zeg tegen Gog: Zo zegt de Heere HEERE: Zult u het op die dag, wanneer Mijn volk Israël onbezorgd woont, niet te weten komen?

15U zult uit uw woonplaats komen, uit het uiterste noorden, u en vele volken met u, allen ruiters, een grote menigte en een talrijk leger.

16U zult als een wolk optrekken tegen Mijn volk Israël om het land te bedekken. Het zal gebeuren in later tijd.38:16 in later tijd - Letterlijk: aan het einde van de dagen. Dan zal Ik u over Mijn land doen komen, zodat de heidenvolken Mij kennen, wanneer Ik door u, Gog, voor hun ogen geheiligd word.

17Zo zegt de Heere HEERE: Bent u het over wie Ik in vroeger tijd gesproken heb door de dienst van Mijn dienaren, de profeten van Israël, die in die tijd geprofeteerd hebben, jarenlang, dat Ik u over hen zou brengen?

18Op die dag zal het gebeuren, op de dag dat Gog over het land van Israël komt, spreekt de Heere HEERE, dat Mijn grimmigheid in Mijn neus zal opstijgen.

19Want in Mijn

38:19
Ezech. 36:5,6
na-ijver, in het vuur van Mijn verbolgenheid, heb Ik gesproken: Voorwaar, op die dag zal een zware aardbeving het land van Israël treffen!

20De vissen in de zee, de vogels in de lucht, de dieren van het veld, al de kruipende dieren die op de aardbodem kruipen, en alle mensen die op de aardbodem zijn, zullen voor Mijn aangezicht beven. De bergen zullen omvergehaald worden, de bergwanden zullen instorten en alle muren zullen op de grond neervallen.

21Op al Mijn bergen zal Ik een zwaard tegen hem oproepen, spreekt de Heere HEERE. Ieders zwaard zal tegen zijn broeder zijn.

22Ik zal met hem een rechtszaak voeren door pest en door bloed. Ik zal een alles wegspoelende regen, en hagelstenen, vuur en zwavel op hem doen regenen, op zijn troepen en op de vele volken die met hem zijn.

23Zo zal Ik Mijn grootheid tonen en Mij heiligen en voor de ogen van vele heidenvolken bekend worden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

39

391En u, mensenkind, profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Gog, oppervorst van Mesech en Tubal!

2Ik zal u omkeren, u

39:2
Ezech. 38:4
meeslepen, u doen optrekken uit het uiterste noorden en u op de bergen van Israël brengen,

3maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.

4Op de bergen van Israël zult u vallen, u en al uw troepen, en de volken die met u zijn. Ik heb u aan allerlei soorten roofvogels39:4 aan allerlei soorten roofvogels - Letterlijk: aan roofvogels, vogels van elke vleugel. en aan de dieren van het veld

39:4
Ezech. 33:27
tot voedsel gegeven.

5Op het open veld zult u vallen, want Ík heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.

6Ik zal vuur zenden in Magog en onder hen die onbezorgd de kustlanden bewonen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

7Ik zal Mijn heilige Naam te midden van Mijn volk Israël bekendmaken en Mijn heilige Naam niet langer laten ontheiligen. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, de Heilige in Israël.

8Zie, het komt en zal gebeuren, spreekt de Heere HEERE. Dit is de dag waarover Ik gesproken heb.

De toekomst van Israël

9De inwoners van de steden van Israël zullen de stad uit gaan, een vuur aansteken en de wapens, de kleine en de grote schilden, de bogen en de pijlen, de handstokken en de speren verbranden. Zij zullen daarvan zeven jaar lang vuur stoken,

10zodat zij geen hout uit het veld hoeven te halen en niets uit de bossen hoeven te hakken, maar vuur kunnen stoken van de wapens. Zo zullen zij hun plunderaars plunderen en beroven wie hen beroofd hadden, spreekt de Heere HEERE.

11Op die dag zal het gebeuren dat Ik Gog daar in Israël een plaats voor een graf zal geven, het dal van de reizigers, dat reizigers de weg verspert, ten oosten van de zee. Daar zullen zij Gog en heel zijn menigte begraven en zullen het noemen: Dal van de menigte van Gog.

12Het huis van Israël zal hen begraven om het land te reinigen, zeven maanden lang.

13Heel de bevolking van het land zal begraven. En het zal hun tot een naam zijn op de dag dat Ik Mijzelf verheerlijk, spreekt de Heere HEERE.

14Ook zullen zij mannen afzonderen die voortdurend met de reizigers door het land trekken en hen die op het land achtergebleven zijn, begraven om het land te reinigen. Na verloop van zeven maanden moeten zij op onderzoek uitgaan.

15En als de reizigers door het land trekken en iemand een menselijk bot ziet, moet hij er een merkteken bij zetten, totdat de doodgravers het begraven hebben in het Dal van de menigte van Gog.

16(En Hamona39:16 Hamona betekent: menigte. is ook de naam van een stad.) Zo zullen zij het land reinigen.

17En u, mensenkind, zo zegt de Heere HEERE: Zeg tegen alle soorten vogels39:17 alle soorten vogels - Letterlijk: vogels van elke vleugel. en tegen alle dieren van het veld: Verzamel u en kom, kom van rondom bijeen, bij Mijn offer, dat Ik breng, een groot offer voor u op de bergen van Israël, en eet vlees en drink bloed.

18U zult vlees van helden eten en het bloed van de vorsten van het land drinken: van rammen, lammeren, bokken, jonge stieren, allemaal gemest vee van Basan.

19U zult vet eten tot verzadiging toe en bloed drinken tot dronkenschap toe, van Mijn offer dat Ik voor u gebracht heb.

20U zult verzadigd worden aan Mijn tafel met paarden en ruiters, helden en alle strijdbare mannen, spreekt de Heere HEERE.

21Ik zal Mijn heerlijkheid onder de heidenvolken laten blijken. Alle heidenvolken zullen Mijn oordeel zien dat Ik geveld heb, en Mijn hand, die Ik op hen gelegd heb.

22Dan zullen zij die van het huis van Israël zijn, weten dat Ik, de HEERE, hun God ben, vanaf die dag en daarna.

23Dan zullen de heidenvolken weten dat zij die van het huis van Israël zijn, om hun ongerechtigheid in ballingschap zijn gegaan. Omdat zij Mij ontrouw waren, verborg Ik Mijn aangezicht voor hen en gaf Ik hen in de hand van hun tegenstanders, zodat zij allen door het zwaard vielen.

24Overeenkomstig hun onreinheid en overeenkomstig hun overtredingen heb Ik met hen gehandeld en Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen.

25Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ik zal nu een omkeer brengen in de gevangenschap van Jakob, Ik zal Mij ontfermen over heel het huis van Israël en Ik zal het opnemen voor Mijn heilige Naam.

26Zij zullen hun schande moeten dragen, en heel hun trouwbreuk, die zij tegenover Mij gepleegd hebben toen zij onbezorgd in hun land woonden en er niemand was die hun schrik aanjoeg.

27Wanneer Ik hen uit de volken terugbreng en hen bijeenbreng uit de landen van hun vijanden, zal Ik door hen voor de ogen van veel heidenvolken geheiligd worden.

28Dan zullen zij weten dat Ik, de HEERE, hun God ben, omdat Ik hen onder de heidenvolken in ballingschap voerde, maar hen ook weer verzamelde in hun land en niemand van hen daarginds nog liet achterblijven.

29Ik zal Mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen, wanneer Ik Mijn

39:29
Joël 2:28
Hand. 2:17
Geest over het huis van Israël heb uitgestort, spreekt de Heere HEERE.

40

Het visioen van de nieuwe tempel

401In het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, aan het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar nadat de stad was

40:1
Ezech. 33:21
verslagen, op diezelfde dag was de hand van de HEERE op mij en bracht Hij mij erheen.

2In visioenen van God bracht Hij mij naar het land van Israël. Hij zette mij op een zeer hoge berg, met daarop aan de zuidzijde iets als het bouwsel van een stad.

3Hij bracht mij erheen, en zie, een Man. Zijn uiterlijk was als het uiterlijk van koper en in Zijn hand was een linnen koord en een meetlat. En Hij stond in de poort.

4Toen sprak die Man tot mij: Mensenkind, zie met uw ogen, luister met uw oren, en neem alles wat Ik u zal laten zien, ter harte. U bent namelijk hierheen gebracht, opdat Ik u dit zou laten zien. Maak alles wat u ziet, aan het huis van Israël bekend.

5En zie, er was een muur aan de buitenzijde van het huis, die er helemaal omheen liep. Nu was er in de hand van die Man een meetlat van zes el, per el een el en een handbreedte lang. Hij mat de breedte van het bouwwerk: één lat, en de hoogte: één lat.

6Toen kwam Hij bij de poort die op het oosten uitzag. Hij beklom de treden ervan en mat de drempel van de poort: één lat breed. Ook mat Hij de andere drempel: één lat breed.

7En elke wachtruimte was één lat lang en één lat breed, en er zat vijf el tussen de wachtruimtes. Verder was de drempel van de poort aan de zijde van de voorhal van de poort aan de binnenzijde één lat lang.

8Vervolgens mat Hij de voorhal van de poort aan de binnenzijde: één lat.

9Toen mat Hij de andere voorhal van de poort: acht el, en de muurposten ervan waren twee el. De voorhal van de poort lag aan de binnenzijde.

10Wat betreft de wachtruimtes bij de poort in de richting van het oosten: er waren er drie aan de ene kant en drie aan de andere kant. Alle drie hadden ze dezelfde afmetingen. De muurposten aan de ene kant en aan de andere kant hadden ook dezelfde afmetingen.

11Vervolgens mat Hij de breedte van de poortingang: tien el. De lengte van de poort was dertien el.

12Ook was er een ruimte vóór de wachtruimtes van één el aan de ene kant en een ruimte van één el aan de andere kant. Wat de wachtruimtes betreft: zes el aan de ene kant en zes el aan de andere kant.

13Toen mat Hij de poort, vanaf het dak van de ene wachtruimte tot aan het dak van de andere wachtruimte: een breedte van vijfentwintig el; ingang lag tegenover ingang.

14Zo deed Hij ook met de muurposten: zestig el. En bij een muurpost was de voorhof helemaal rondom de poort.

15En vanaf de voorzijde van de toegangspoort tot aan de voorzijde van de voorhal van de binnenste poort was het vijftig el.

16Verder waren er bij de wachtruimtes en bij de muurposten ervan vensters met traliewerk, helemaal rondom in de poort, naar binnen gericht. Hetzelfde gold voor de voorhallen. De vensters waren helemaal rondom naar binnen gericht, met dadelpalmen op de muurposten.

17Toen bracht Hij mij in de buitenste voorhof. En zie, er waren kamers en er was een plaveisel gemaakt, helemaal rondom de voorhof. Dertig kamers lagen er aan het plaveisel.

18Het plaveisel lag aan de zijkant van de poorten, overeenkomend met de lengte van de poorten. Dit was het lagergelegen plaveisel.

19Toen mat Hij de breedte vanaf de voorzijde van de benedenpoort tot aan de binnenste voorhof aan de buitenzijde: honderd el, zowel naar het oosten als naar het noorden.

20Wat de poort betreft die op het noorden uitziet, op de buitenste voorhof, daarvan mat Hij de lengte en de breedte.

21De wachtruimtes ervan, drie aan de ene kant en drie aan de andere kant, de muurposten ervan en de voorhallen ervan waren overeenkomstig de afmetingen van de eerste poort, vijftig el lang en vijfentwintig el breed.

22Verder waren de vensters ervan, de voorhal ervan en de dadelpalmen ervan overeenkomstig de afmetingen van de poort die op het oosten uitzag. Met zeven treden ging men daarover naar boven, en de voorhal ervan lag ervóór.

23De poort van de binnenste voorhof lag tegenover de poort naar het noorden en die naar het oosten. Hij mat de afstand van poort tot poort: honderd el.

24Vervolgens leidde Hij mij in de richting van het zuiden. En zie, er was een poort in de richting van het zuiden. Daarop mat Hij de muurposten ervan en de voorhal ervan: dezelfde afmetingen.

25De poort en de voorhal hadden vensters, helemaal rondom, zoals die vensters, vijftig el lang en vijfentwintig el breed.

26Zeven treden leidden ernaartoe en de voorhal lag ervóór. Er waren dadelpalmen, één aan de ene kant en één aan de andere kant op de muurposten ervan.

27De binnenste voorhof had een poort in de richting van het zuiden. Hij mat de afstand van poort tot poort in de richting van het zuiden: honderd el.

28Vervolgens bracht Hij mij door de zuiderpoort naar de binnenste voorhof. Hij mat de zuiderpoort: dezelfde afmetingen.

29Ook de wachtruimtes ervan, de muurposten ervan en de voorhal ervan hadden diezelfde afmetingen. Geheel rondom waren vensters, ook in de voorhal ervan, vijftig el lang en vijfentwintig el breed.

30Geheel rondom waren er voorhallen, vijfentwintig el lang en vijf el breed.

31De voorhal ervan was aan de buitenste voorhof. Er waren dadelpalmen op de muurposten ervan. Er waren acht treden naar boven.

32Toen bracht Hij mij naar de binnenste voorhof, in de richting van het oosten. Hij mat de poort: dezelfde afmetingen.

33De wachtruimtes ervan, de muurposten ervan en de voorhal ervan hadden dezelfde afmetingen. Hij had helemaal rondom vensters zoals de voorhal ervan die had, vijftig el lang en vijfentwintig el breed.

34De voorhal ervan lag gericht naar de buitenste voorhof. Verder waren er dadelpalmen op de muurposten ervan, aan de ene kant en aan de andere kant: er waren acht treden naar boven.

35Toen bracht Hij mij naar de noorderpoort en mat die: dezelfde afmetingen.

36De wachtruimtes ervan, de muurposten ervan en de voorhal ervan hadden helemaal rondom vensters, vijftig el lang en vijfentwintig el breed.

37De voorhal40:37 voorhal - Mogelijk moet hier ‘deurposten’ worden gelezen. ervan was gericht naar de buitenste voorhof. Er waren ook dadelpalmen op de muurposten ervan aan de ene kant en aan de andere kant. Er waren acht treden naar boven.

38Er was een kamer met een ingang bij de muurposten van de poorten. Daar zou men het brandoffer afspoelen.

39In de voorhal van de poort waren twee tafels aan de ene kant en twee tafels aan de andere kant, om het brandoffer, het zondoffer en het schuldoffer daarop te slachten.

40Er waren twee tafels vanbuiten aan de zijkant voor wie omhoogging naar de ingang van de noorderpoort. Aan de andere zijde die bij de voorhal van de poort hoorde, waren ook twee tafels.

41Zo waren er vier tafels aan de ene kant en vier tafels aan de andere kant aan de zijde van de poort: acht tafels waarop men zou slachten.

42Er waren vier tafels voor het brandoffer, van gehouwen stenen, anderhalve el lang, anderhalve el breed en één el hoog. Daarop zou men dan het gerei leggen waarmee men het brandoffer en het slachtoffer slachten zou.

43Geheel rondom in het huis waren haken van één handbreedte bevestigd, en op de tafels zou het vlees van de offergave komen.

44Aan de buitenzijde van de binnenpoort waren de kamers van de zangers, in de binnenste voorhof, dat aan de kant van de noorderpoort was. De voorkant ervan was in de richting van het zuiden. Eén was er aan de kant van de oostpoort, die naar het noorden gericht was.

45Hij sprak tot mij: Deze kamer, waarvan de voorkant op het zuiden uitziet, is bestemd voor de priesters die hun taak ten behoeve van het huis vervullen.

46De kamer waarvan de voorkant op het noorden uitziet, is voor de priesters bestemd die hun taak ten behoeve van het altaar vervullen. Dat zijn de zonen van Zadok, die uit de Levieten tot de HEERE mogen naderen om Hem te dienen.

47Toen mat Hij de voorhof: honderd el lang en honderd el breed, een vierkant. Het altaar was vóór het huis.

48Vervolgens bracht Hij mij naar de voorhal van het huis en Hij mat een muurpost van de voorhal: vijf el aan de ene kant en vijf el aan de andere kant, en de breedte van de poort was drie el aan de ene kant en drie el aan de andere kant.

49De voorhal was twintig el lang en elf el breed, met de treden waarover men omhoogging. Er waren pilaren bij de muurposten, één aan de ene kant en één aan de andere kant.