Herziene Statenvertaling (HSV)
32

Klaaglied over de farao

321Het gebeurde in het twaalfde jaar, in de twaalfde maand, op de eerste van de maand, dat het woord van de HEERE tot mij kwam:

2Mensenkind, hef een klaaglied aan over de farao, de koning van Egypte, en zeg tegen hem:

U leek onder de heidenvolken op een jonge leeuw;

en u was als een

32:2
Ezech. 29:3
zeemonster in de zeeën,

u barstte los in uw rivieren,

bracht het water met uw voeten in beroering

en maakte hun rivieren troebel.

3Zo zegt de Heere HEERE:

Ik zal daarom Mijn

32:3
Ezech. 12:13
17:20
net over u uitspreiden door een menigte van vele volken.

Die zullen u ophalen in Mijn sleepnet.

4Ik zal u achterlaten op het land,

u op het open veld werpen.

Ik zal alle vogels in de lucht op u doen wonen.

De dieren van de hele aarde zullen zich aan u verzadigen.

5Ik zal uw vlees op de bergen leggen

en de dalen vullen met uw resten.

6Ik zal het land met uw wegstromende bloed32:6 uw wegstromende bloed - Letterlijk: uw stroom van uw bloed. drenken tot aan de bergen,

en de waterstromen zullen door u worden gevuld.

7Ik zal de

32:7
Jes. 13:10
Joël 2:31
hemel bedekken wanneer Ik u uitblus,

zijn sterren zal Ik in het zwart hullen.

Ik zal de zon met wolken bedekken,

en de maan zal zijn licht niet laten schijnen.

8Alle lichten die aan de hemel stralen,

zal Ik omwille van u in het zwart hullen.

Ik zal duisternis over uw land brengen,

spreekt de Heere HEERE.

9Ik zal het hart van veel volken tot toorn verwekken, wanneer Ik uw ondergang32:9 ondergang - Letterlijk: breuk. onder de heidenvolken zal brengen, in landen die u niet hebt gekend.

10Ik zal maken dat vele volken zich over u ontzetten. Hun koningen zullen de haren te berge rijzen om u, als Ik vóór hen Mijn zwaard zwaai. Zij zullen elk ogenblik beven, ieder voor zijn leven, op de dag van uw val.

11Want zo zegt de Heere HEERE:

Het zwaard van de koning van Babel zal over u komen!

12Ik zal uw menigte neervellen met het zwaard van helden,

allen de

32:12
Ezech. 28:7
31:12
gewelddadigste van de heidenvolken.

Zij zullen de trots van Egypte verwoesten,

en heel zijn

32:12
Vers
menigte zal weggevaagd worden.

13Ik zal al zijn dieren bij de grote wateren ombrengen.

Geen mensenvoet zal ze meer in beroering brengen,

geen dierenhoef zal ze in beroering brengen.

14Dan zal Ik hun wateren laten bezinken,

hun rivieren als olie doen stromen,

spreekt de Heere HEERE.

15Als Ik van het land Egypte een woestenij maak,

en het land woest zal worden, ontdaan van al wat het bevat,

als Ik allen die erin wonen, getroffen heb,

dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

16Dit is een klaaglied en het zal worden gezongen:

de dochters van de heidenvolken zullen het zingen,

zij zullen het zingen over Egypte en over heel zijn menigte,

spreekt de Heere HEERE.

Klacht over Egypte

17Het gebeurde in het twaalfde jaar, op de vijftiende dag van de maand, dat het woord van de HEERE tot mij kwam:

18Mensenkind, klaag over de menigte van Egypte, en doe die neerdalen – Egypte en de dochters van de machtige heidenvolken – in de onderste plaatsen van de aarde, bij hen die in de kuil zijn neergedaald.

19Wie gaat u in lieflijkheid te boven?

Daal neer en laat u neerleggen bij de onbesnedenen!

20Te midden van hen die vielen door het zwaard, zullen zij neervallen,

aan het zwaard overgeleverd: sleep het weg met heel zijn menigte.

21De machtige helden zullen hem toespreken

uit het midden van het rijk van de dood, met zijn helpers.

Zij zijn neergedaald, zij liggen er, die onbesnedenen,

gevallen door het zwaard.

22Daar is Assyrië met heel zijn menigte, rondom hem liggen zijn graven.

Zij zijn allen gesneuveld, gevallen door het zwaard.

23Zijn graven zijn gelegen in het diepst van de kuil,

en zijn menigte ligt rondom zijn graf.

Zij zijn allen gesneuveld, gevallen door het zwaard,

zij die schrik teweegbrachten in het land van de levenden.

24Daar is Elam met heel zijn menigte rondom zijn graf.

Zij zijn allen gesneuveld, gevallen door het zwaard,

zij die als onbesnedenen zijn neergedaald naar de onderste plaatsen van de aarde,

zij die schrik teweegbrachten in het land van de levenden.

Nu dragen zij hun schande met hen die in de kuil zijn neergedaald.

25Te midden van hen die gesneuveld zijn, hebben zij hem een slaapplaats gegeven

onder heel zijn menigte: rondom hem zijn zijn graven.

Zij zijn allen onbesneden, gevallen door het zwaard,

want zij brachten schrik voor hen teweeg in het land van de levenden.

Zij dragen hun schande met hen die in de kuil zijn neergedaald.

Te midden van dodelijk gewonden is hij gelegd.

26Daar is Mesech-Tubal met heel zijn menigte, rondom hem liggen zijn graven.

Zij zijn allen onbesneden, dodelijk verwond door het zwaard,

want zij brachten in het land van de levenden schrik voor hen teweeg.

27De gevallenen onder de onbesnedenen liggen niet bij de helden

die met hun wapenrusting neergedaald zijn in het rijk van de dood,

van wie zij de zwaarden onder hun hoofd hebben gelegd

en van wie de ongerechtigheid op hun beenderen ligt,

want zij brachten in het land van de levenden schrik voor hen teweeg.

28Ook zelf zult u te midden van de onbesnedenen gebroken neerliggen

bij de gesneuvelden door het zwaard.

29Daar is Edom, zijn koningen en al zijn vorsten,

die met hun macht gelegd zijn bij hen die vielen door het zwaard.

Die liggen zelf bij de onbesnedenen en bij hen die in de kuil zijn neergedaald.

30Daar zijn de vorsten van het noorden, zij allen,

en alle Sidoniërs die bij de dodelijk verwonden zijn neergedaald,

beschaamd, ondanks de schrik voor hen vanwege hun macht.

Zij liggen onbesneden bij hen die vielen door het zwaard,

zij dragen hun schande met hen die in de kuil zijn neergedaald.

31De farao zal hen zien en zich troosten over heel zijn menigte,

zij die vielen door het zwaard, de farao en heel zijn leger,

spreekt de Heere HEERE,

32want Ik heb in het land van de levenden schrik voor Mij teweeggebracht.

Daarom zal hij te midden van de onbesnedenen gelegd worden,

bij hen die vielen door het zwaard, de farao en heel zijn menigte,

spreekt de Heere HEERE.

33

De plicht van een trouwe wachter

331Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2Mensenkind, spreek tot uw volksgenoten, en zeg tegen hen: Wanneer Ik een zwaard over een land breng, en de bevolking van dat land neemt een man ergens uit hun omgeving33:2 ergens uit hun omgeving - Letterlijk: uit hun einden. en stelt die voor zichzelf tot wachter aan,

3en die ziet het zwaard over het land komen, en blaast op de bazuin en waarschuwt het volk,

4als dan hij die het geluid van de bazuin hoort, die wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen, en het zwaard komt en neemt hem weg, dan zal zijn bloed op zijn eigen hoofd rusten.

5Hij heeft het geluid van de bazuin gehoord en zich niet laten waarschuwen. Zijn bloed zal op hem rusten. Hij echter, die zich laat waarschuwen, redt zijn leven.

6Als de wachter echter het zwaard ziet komen en niet op de bazuin blaast, zodat het volk niet gewaarschuwd wordt, en het zwaard komt en neemt een leven onder hen weg, dan is dat leven wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed eis Ik van de hand van de wachter.

7En u, mensenkind, Ik heb u aangesteld tot

33:7
Ezech. 3:17
wachter over het huis van Israël. U zult een woord uit Mijn mond horen en u moet hen namens Mij waarschuwen.

8Als Ik tegen de goddeloze zeg: Goddeloze, u zult zeker sterven, en u hebt niet gesproken om de goddeloze te waarschuwen voor zijn weg, dan zal die goddeloze in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.

9Maar wat u aangaat, als u de goddeloze voor zijn weg gewaarschuwd hebt om hem daarvan te bekeren en hij zich niet van zijn weg bekeert, dan zal híj in zijn ongerechtigheid sterven, maar ú hebt uw leven gered.

10En u, mensenkind, zeg tegen het huis van Israël: Dit hebt u gezegd: Omdat onze overtredingen en onze zonden op ons rusten en wij erin

33:10
Ezech. 24:23
wegkwijnen, hoe zouden wij dan blijven leven?

11Zeg tegen hen:

33:11
Ezech. 18:23,32
Zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Ik vind geen vreugde in de dood van de goddeloze, maar daarin dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft! Bekeer u, bekeer u van uw slechte wegen, want waarom zou u sterven, huis van Israël?

12En u, mensenkind, zeg tegen uw volksgenoten:

33:12
Ezech. 18:24
De gerechtigheid van de rechtvaardige zal hem niet redden op de dag van zijn overtreding. En wat de goddeloosheid van de goddeloze betreft, hij zal er niet door struikelen op de dag dat hij zich van zijn goddeloosheid bekeert, en de rechtvaardige zal niet door zijn gerechtigheid in leven kunnen blijven op de dag dat hij zondigt.

13Als Ik tegen de rechtvaardige zeg dat hij zeker in leven zal blijven, maar híj op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, dan zullen geen van zijn gerechtigheden in herinnering gebracht worden, maar in zijn onrecht, dat hij gedaan heeft, daarin zal hij sterven.

14Als Ik tegen de goddeloze zeg: U zult zeker sterven, en hij zich van zijn zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet –

15de goddeloze geeft het onderpand terug, hij vergoedt het roofgoed, hij wandelt overeenkomstig de verordeningen van het leven zonder onrecht te doen – dan zal hij zeker in leven blijven, hij zal niet sterven.

16Al zijn zonden, die hij begaan heeft, zullen hem niet in herinnering gebracht worden: hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zeker in leven blijven.

17Uw volksgenoten zeggen echter:

33:17
Vers
De weg van de Heere is niet recht, terwijl hun eigen weg niet recht is!

18Als een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet, zal hij daardoor sterven,

19maar als een goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid en recht en gerechtigheid doet, zal hij daarom in leven blijven.

20Als u zegt: De weg van de Heere is niet recht, zal Ik u berechten, ieder overeenkomstig zijn wegen, huis van Israël!

De aankondiging van de verwoesting van Jeruzalem

21Het gebeurde in het twaalfde jaar van onze ballingschap, in de tiende maand, op de vijfde van de maand, dat er iemand

33:21
Ezech. 24:26
die uit Jeruzalem ontkomen was, naar mij toe kwam en zei:
33:21
2 Kon. 25
De stad is verslagen.

22Nu was de hand van de HEERE 's avonds op mij geweest, voordat de ontkomene aangekomen was. Hij had mijn mond geopend voordat hij 's morgens bij mij gekomen was. Zo werd mijn mond geopend en was ik niet langer stom.

23Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:

24Mensenkind, de bewoners van die puinhopen in het land van Israël zeggen: Abraham was alleen en kreeg het land in erfelijk bezit, maar wij zijn met velen. Het land is ons als erfelijk bezit gegeven.

25Daarom, zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: U eet vlees met het

33:25
Gen. 9:4
Lev. 3:17
bloed er nog in, slaat uw ogen op naar uw stinkgoden en u vergiet bloed. Wilt u dan het land weer in bezit nemen?

26U steunt op uw zwaard, u doet een gruweldaad en ieder verontreinigt de vrouw van zijn naaste. Wilt u dan het land in bezit nemen?

27Dit moet u tegen hen zeggen: Zo zegt de Heere HEERE: Zo waar Ik leef, voorwaar, zij die zich in die puinhopen bevinden, zullen door het zwaard vallen, en wie op het open veld is, hem zal Ik aan de wilde dieren geven om hem op te laten eten, en zij die in de bergvestingen en in de grotten zijn, zullen door de pest sterven.

28Ik zal van het land een verlaten woestenij33:28 een verlaten woestenij - Letterlijk: een woestenij en woestenij; zie ook vers 29. maken en zijn sterke trots doen ophouden. De bergen van Israël zullen verwoest zijn, zodat niemand erdoorheen trekt.

29Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik vanwege al hun gruweldaden, die zij gedaan hebben, van het land een verlaten woestenij maak.

30En wat u betreft, mensenkind, uw volksgenoten praten over u bij de muren en in de deuropeningen van de huizen. De een praat met de ander, ieder met zijn broeder: Kom toch, en hoor wat het woord is dat van de HEERE uitgaat.

31En zij

33:31
Ezech. 14:120:1
komen naar u toe als een toestroom van volk, en gaan vóór u zitten als Mijn volk. Zij horen uw woorden, maar zij handelen er niet naar, want zij nemen liefdevolle woorden in hun mond, maar hun hart volgt hun winstbejag.

32En zie, u bent voor hen als een liefdeslied, met een mooie klank en goed gespeeld. Zij horen uw woorden, maar zij handelen er niet naar.

33Maar als het komt – en zie, het komt – dan zullen zij weten dat er een profeet in hun midden geweest is.

34

Profetie tegen de ontrouwe herders van het volk van God

341Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2Mensenkind, profeteer tegen de

34:2
Jer. 23:1
herders van Israël, profeteer, en zeg tegen hen, tegen die herders: Zo zegt de Heere HEERE: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?

3U eet het beste op en u kleedt u met de wol; u slacht het vetgemeste, maar de schapen weidt u niet.

4Het zwakke versterkt u niet, het zieke geneest u niet, het gebrokene verbindt u niet, het afgedwaalde brengt u niet terug en het verlorene zoekt u niet, maar u heerst

34:4
1 Petr. 5:3
met geweld en met harde hand over hen.

5Ze zijn overal verspreid, zonder herder, en ze zijn alle dieren van het veld tot voedsel geworden: ze zijn verspreid.

6Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar ze vraagt, en niemand die ze zoekt.

7Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE!

8Zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, omdat Mijn schapen tot een prooi geworden zijn en Mijn schapen voor alle dieren van het veld tot voedsel geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders niet naar Mijn schapen gevraagd hebben, maar de herders zichzelf geweid hebben, en Mijn schapen niet geweid hebben:

9Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE!

10Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál die herders! Ik eis Mijn schapen op uit hun hand, en doe hen ophouden met het weiden van de schapen. Die herders zullen zichzelf niet meer weiden en Ik zal Mijn schapen uit hun mond redden, zodat ze hun niet meer tot voedsel zijn.

11Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar ze op zoek gaan.

12Zoals een herder op zoek gaat naar zijn kudde op de dag dat hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik op zoek gaan naar Mijn schapen. Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen ze verspreid zijn op de dag van wolken en donkerheid.

13Ik zal ze uitleiden uit de volken, ze

34:13
Ezech. 28:25
bijeenbrengen uit de landen en ze brengen naar hun land. Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de waterstromen en in alle bewoonbare plaatsen van het land.

14In goede weide zal Ik ze weiden en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Ze zullen daar neerliggen in een goede weideplaats en ze zullen grazen in de voortreffelijkste weide op de bergen van Israël.

15Ik zal Zelf Mijn schapen weiden en Ik zal ze Zelf doen neerliggen, spreekt de Heere HEERE.

16Het verlorene zal Ik zoeken, het afgedwaalde zal Ik terugbrengen, het gebrokene zal Ik verbinden, en het zieke zal Ik versterken, maar het welgedane en het sterke zal Ik wegvagen. Ik zal ze weiden zoals het hoort.34:16 zoals het hoort - Letterlijk: met recht.

17En u, Mijn schapen, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga oordelen tussen schaap en schaap, tussen de rammen en de bokken.

18Is het te weinig voor u dat u de beste weide afgraast? Moet u het overige van uw weide dan met uw voeten vertrappen? En moet u het heldere water drinken en wat overblijft, met uw voeten troebel maken?

19Moeten Mijn schapen dan afgrazen wat uw voeten vertrapt hebben, en drinken wat uw voeten troebel gemaakt hebben?

Belofte van de ene Herder

20Daarom, zo zegt de Heere HEERE tegen hen: Zie, Ik zal Zelf oordelen tussen het vette schaap en het magere schaap,

21omdat u al het zwakke met flank en schouder wegduwt en met uw hoorns stoot, totdat u ze naar buiten toe verspreid hebt.

22Ik zal Mijn schapen verlossen, zodat ze niet meer tot een prooi zullen zijn. Ik zal oordelen tussen schaap en schaap.

23Ik zal over hen één

34:23
Jes. 40:11
Joh. 10:11
Herder doen opstaan en Die zal ze weiden: Mijn
34:23
Jes. 42:1
50:10
52:13
53:11
Knecht
34:23
Jer. 30:9
David. Híj zal ze weiden en Híj zal een Herder voor ze zijn.

24En Ik, de HEERE, zal een God voor ze zijn, en Mijn Knecht David zal

34:24
Jes. 55:4
Vorst zijn in hun midden. Ík, de HEERE, heb gesproken.

25Ik zal een verbond van vrede met ze sluiten en de wilde dieren uit het land wegdoen. Ze zullen onbezorgd wonen in de woestijn en slapen in de wouden.

26Ik zal hun en het gebied rond Mijn heuvel een zegen geven, en Ik zal de regen op zijn tijd doen neerdalen. Regens van zegen zullen er zijn.

27De bomen op het veld zullen hun vrucht geven, het land zal zijn opbrengst geven, en ze zullen onbezorgd in hun land wonen. Dan zullen ze weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik de stangen van hun juk breek en ze red uit de hand van hen die zich door hen lieten dienen.

28Ze zullen niet meer tot een prooi zijn voor de heidenvolken, en de wilde dieren van de aarde zullen ze niet meer verslinden, maar ze zullen onbezorgd wonen en niemand zal ze schrik aanjagen.

29Ik zal een Plant van naam voor ze doen opkomen. Dan zullen ze niet langer weggenomen worden door honger in het land, en

34:29
Ezech. 36:6
de smaad van de heidenvolken zullen ze niet langer dragen.

30Dan zullen ze weten dat Ik, de HEERE, hun God, met ze ben, en dat ze Mijn volk zijn, het huis van Israël, spreekt de Heere HEERE.

31En u,

34:31
Joh. 10:11
Mijn schapen, schapen van Mijn weide, u bent mens, maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]