Herziene Statenvertaling (HSV)
29

Het oordeel over Egypte

291Het woord van de HEERE kwam tot mij in het tiende jaar, in de tiende maand, op de twaalfde van de maand:

2Mensenkind, richt uw blik op de farao, de koning van Egypte, en profeteer tegen hem en tegen heel Egypte.

3Spreek, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE:

Zie, Ik zál u, farao,

koning van Egypte,

groot

29:3
Ps. 74:13,14
Jes. 27:1
51:9
zeemonster,

dat in het midden van zijn rivieren ligt,

dat gezegd heeft: Mijn Nijl is van mij

en ik heb die zelf voor mij gemaakt!

4Ik zal haken in uw kaken slaan

en de vis van uw rivieren aan uw schubben hechten.

Ik zal u uit het midden van uw rivieren omhoogtrekken,

ja, al de vis van die rivieren van u zal zich aan uw schubben hechten.

5Ik zal u neerwerpen, woestijnwaarts,

u en al de vis van uw rivieren.

Op het open veld zult u vallen,

u zult niet verzameld worden en niet bijeengeraapt worden.

Aan de wilde dieren van de aarde en aan de vogels in de lucht

heb Ik u tot voedsel gegeven.

6En al de inwoners van Egypte zullen weten

dat Ik de HEERE ben,

omdat zij voor het huis van Israël

een

29:6
2 Kon. 18:21
Jes. 36:6
rietstaf geweest zijn.

7Toen zij u bij uw hand grepen, knakte u,

maar u scheurde heel hun schouder open.

Toen zij op u steunden, brak u,

maar u liet alle heupen op zichzelf staan.

8Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga een zwaard over u brengen en Ik zal mens en dier onder u uitroeien.

9Het land Egypte zal een woestenij en een puinhoop worden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, omdat hij heeft gezegd: De Nijl is van mij, ik heb die zelf gemaakt.

10Daarom, zie, Ik zál u, met uw Nijl! Ik zal van het land Egypte puinhopen maken, puin in een woestenij, vanaf Migdol tot Syene, tot aan de grens met Cusj.

11Geen mensenvoet zal erdoor gaan, geen dierenpoot zal erdoor gaan: het zal veertig jaar onbewoond blijven.

12Ik zal van het land Egypte een woestenij maken te midden van verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestenij zijn te midden van verwoeste steden, veertig jaar lang. Dan zal Ik de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen over de landen verstrooien.

13Maar, zo zegt de Heere HEERE: Na verloop van veertig jaar zal Ik de Egyptenaren bijeenbrengen uit de volken waaronder zij verspreid zijn.

14Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van de Egyptenaren en hen terugbrengen naar het land Pathros, naar het land van hun oorsprong. Daar zullen zij dan een onbeduidend koninkrijk zijn.

15Het zal onbeduidender zijn dan de andere koninkrijken en het zal zich niet meer boven de heidenvolken verheffen. Ik zal hen namelijk zo klein maken dat zij niet over de heidenvolken kunnen heersen.

16Dan zal het niet meer het vertrouwen genieten van het huis van Israël, een vertrouwen dat herinnert aan de ongerechtigheid van de tijd toen zij

29:16
Klaagl. 4:17
zich achter hen schaarden. Dan zullen zij weten dat Ik de Heere HEERE ben.

17Verder gebeurde het in het zevenentwintigste jaar, in de eerste maand, op de eerste van de maand, dat het woord van de HEERE tot mij kwam:

18Mensenkind, Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft zijn leger zwaar werk laten verrichten tegen Tyrus. Elk hoofd is kaalgeschoren en elke schouder kapotgeschaafd. Hij en zijn leger hebben van Tyrus echter geen loon gekregen voor het werk dat hij daartegen verricht heeft.

19Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga Nebukadrezar, de koning van Babel, het land Egypte geven. Hij zal zijn overvloed wegvoeren, zijn roofgoed plunderen en zijn buit roven. Dat zal het loon zijn voor zijn leger.

20Als zijn arbeidsloon heb Ik hem, omdat hij zwaar werk daartegen verricht heeft, het land Egypte gegeven, omdat zij het voor Mij gedaan hebben, spreekt de Heere HEERE.

21Op die dag zal Ik voor het huis van Israël een hoorn doen opkomen en zal Ik u in hun midden een geopende mond geven. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

30

De oordeelsdag over Egypte

301Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt de Heere HEERE:

Weeklaag: Ach, die dag!

3Want nabij is de dag, ja, nabij is de dag van de HEERE.

Het is een dag van wolken;

de tijd van de heidenvolken zal komen!

4Het zwaard zal in Egypte komen,

pijnscheuten zullen Cusj bevangen,

als er dodelijk gewonden in Egypte vallen,

men zijn overvloed meeneemt

en zijn fundamenten afbreekt.

5Cusj, Put en Lud, en alle mensen van allerlei herkomst,

Kub en de zonen van het land van het verbond

zullen met hen door het zwaard vallen.

6Zo zegt de HEERE: Zij die Egypte ondersteunden, zullen vallen,

zijn sterke trots zal wegzinken.

Van Migdol tot Syene

zullen zij daar vallen door het zwaard,

spreekt de Heere HEERE.

7Zij zullen verwoest te midden van verwoeste landen liggen.

Zijn steden zullen te midden van verwoeste steden liggen.

8Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Egypte aan het vuur prijsgeef en al zijn helpers vermorzeld worden.

9Op die dag zullen gezanten van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren om het onbezorgde Cusj schrik aan te jagen. Pijnscheuten zullen hen bevangen als op de dag van Egypte, want zie, het komt!

10Zo zegt de Heere HEERE: Ja, Ik zal de menigte van Egypte doen ophouden door de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel.

11Hij en zijn volk met hem, de

30:11
Ezech. 28:7
gewelddadigste van de heidenvolken, die meegebracht zijn om het land te gronde te richten, zullen hun zwaarden tegen Egypte trekken en het land vullen met gesneuvelden.

12Ik zal de rivieren droogleggen en het land overleveren in de hand van kwaaddoeners. Ik zal het land en al wat het bevat, verwoesten door de hand van vreemden. Ík, de HEERE, heb gesproken.

13Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal de stinkgoden vernielen en de afgoden uit Nof wegdoen. Er zal geen vorst meer uit het land Egypte komen. Ik zal vrees in het land Egypte geven.

14Ik zal Pathros verwoesten,

Zoan aan het vuur prijsgeven

en strafgerichten voltrekken over No.

15Ik zal Mijn grimmigheid uitstorten over Sin, de vesting van Egypte.

Ik zal de menigte van No uitroeien.

16Egypte zal Ik aan het vuur prijsgeven:

Sin zal ineenkrimpen van pijn.

No zal opengescheurd worden

en Nof zal dagelijks in nood zijn.

17De jonge mannen van Aven en Pi-Beseth zullen door het zwaard vallen

en de jonge vrouwen zullen in gevangenschap gaan.

18En in Tachpanhes zal de dag ingehouden worden,30:18 ingehouden worden - SV: verduisterd worden. De SV volgt hier de Septuaginta.

als Ik de jukken van Egypte daar breek

en zijn sterke trots er doe ophouden.

Een wolk zal hem bedekken,

en zijn dochters zullen in gevangenschap gaan.

19Zo zal Ik strafgerichten over Egypte voltrekken. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

Het oordeel over de farao

20Het gebeurde in het elfde jaar, in de eerste maand, op de zevende van de maand, dat het woord van de HEERE tot mij kwam:

21Mensenkind, Ik heb de arm van de farao, de koning van Egypte, gebroken. En zie, hij is niet verbonden door een verband aan te leggen om hem te verbinden, om genezing te brengen, om hem sterk genoeg te maken om het zwaard te hanteren.

22Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál de farao, de koning van Egypte! Ik zal zijn beide armen breken, zowel die nog sterk is als die al gebroken is, en Ik zal het zwaard uit zijn hand doen vallen.

23Ik zal de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen verstrooien over de landen.

24Ik zal de armen van de koning van Babel sterk maken en Ik zal Mijn zwaard in zijn hand geven, maar de armen van de farao zal Ik breken, zodat die voor zijn ogen kermen zal, zoals een dodelijk gewonde kermt.

25Ik zal de armen van de koning van Babel sterk maken, maar de armen van de farao zullen slap neervallen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn zwaard in de hand van de koning van Babel geef en hij het over het land Egypte uitstrekt.

26Ik zal de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen verstrooien over de landen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

31

Assyrië als waarschuwend voorbeeld voor Egypte

311Het gebeurde in het elfde jaar, in de derde maand, op de eerste van de maand, dat het woord van de HEERE tot mij kwam:

2Mensenkind, zeg tegen de farao, de koning van Egypte, en tegen zijn menigte:

Met wie bent u te vergelijken in uw grootheid?

3Zie, Assyrië was een

31:3
Dan. 4:10
ceder op de Libanon, met mooie takken,

als een woud dat schaduw geeft en hoog van stam is;

zijn kruin reikte tot in de wolken.

4Het water deed hem groeien,

de watervloed deed hem hoog worden.

Die vloeide met zijn stromen

rond de plaats waar hij geplant was,

en stuurde zijn waterlopen

naar alle bomen op het veld.

5Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen op het veld.

Zijn takken werden talrijk en zijn twijgen lang

vanwege het vele water toen hij uitliep.

6Alle

31:6
Dan. 4:12
vogels in de lucht nestelden in zijn takken.

Alle dieren van het veld wierpen hun jongen onder zijn twijgen.

In zijn schaduw woonden zij allen, vele volken.

7Hij was mooi vanwege zijn grootte,

vanwege de lengte van zijn takken,

want zijn wortels reikten tot aan veel water.

8De ceders in

31:8
Gen. 2:8
de hof van God evenaarden hem niet.

De cipressen waren niet te vergelijken met zijn takken.

De platanen waren niet als zijn twijgen.

Geen enkele boom in de hof van God was met hem

te vergelijken in zijn schoonheid.

9Ik had hem zo mooi gemaakt met zijn vele takken,

dat alle bomen van Eden hem benijdden,

daar in de hof van God.

10Daarom, zo zegt de Heere HEERE:

Omdat u zo hoog van stam geworden bent

dat die zijn kruin tot in de wolken stak,

en zijn hart zich vanwege zijn hoogte verhief,

11daarom gaf Ik hem in de hand van een heerser van de heidenvolken,

die met hem zou doen overeenkomstig zijn goddeloosheid.

Ik verdreef hem.

12Vreemden, de

31:12
Ezech. 28:7
30:11
gewelddadigste van de heidenvolken,

hakten hem om en lieten hem liggen.

Zijn takken vielen op de bergen en in alle dalen,

en zijn twijgen werden afgebroken

bij alle waterstromen van het land.

Alle volken van de aarde trokken weg uit zijn schaduw

en lieten hem liggen.

13Alle vogels in de lucht woonden op zijn gevallen stam,

alle dieren van het veld zaten op zijn twijgen,

14opdat alle bomen aan het water

zich niet meer zouden verheffen vanwege hun stam

of hun kruin tot in de wolken zouden steken;

en opdat de waterdrinkers niet zouden blijven staan

in eigen kracht vanwege hun hoogte,

want zij zijn allen aan de dood overgegeven,

en gaan naar de onderste plaatsen van de aarde,

te midden van de mensenkinderen,

naar hen die in de kuil neerdalen.

15Zo zegt de Heere HEERE: Op de dag dat hij in het graf afdaalde, heb Ik rouw laten bedrijven. Voor hem heb Ik de watervloed bedekt. Ik hield zijn stromen tegen, zodat het vele water gestopt werd. Vanwege hem hulde Ik de Libanon in het zwart, en alle bomen op het veld versmachtten vanwege hem.

16Door het geluid van zijn val deed Ik de heidenvolken

31:16
Jes. 14:9
beven, toen Ik hem in het graf deed afdalen met hen die in de kuil neerdalen. Maar in de onderste plaatsen van de aarde voelden alle bomen van Eden zich getroost: de keur en het beste van de Libanon, alle waterdrinkers.

17Ook zij waren met hem in het graf afgedaald, naar hen toe die gevallen waren door het zwaard, die zijn sterke arm geweest waren en te midden van de heidenvolken in zijn schaduw gezeten hadden.

18Met wie bent u dus in luister en grootheid

te vergelijken onder de bomen van Eden?

U zult met de bomen van Eden in de onderste plaatsen van de aarde neergestort worden. Te midden van

31:18
Ezech. 28:10
onbesnedenen zult u liggen, met hen die vielen door het zwaard.

Dat is de farao en zijn hele menigte, spreekt de Heere HEERE.