Herziene Statenvertaling (HSV)
28

Het oordeel over de koning van Tyrus

281Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart hoogmoedig is geworden en u zegt: Ik ben God, ik zit op de zetel van God in het hart van de zeeën – terwijl u

28:2
Jes. 31:3
een mens bent en geen God – geeft u uw hart uit voor het hart van God.

3Zie, u bent wijzer dan Daniël, geen enkel geheim hebben zij voor u verborgen gehouden.

4Door uw wijsheid en door uw inzicht hebt u zich een vermogen verworven en gezorgd voor goud en zilver in uw schatkamers.

5Door uw grote wijsheid in uw handel hebt u uw vermogen vermeerderd en is uw hart hoogmoedig geworden vanwege uw vermogen.

6Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u uw hart uitgeeft voor het hart van God,

7daarom, zie, Ik ga vreemden over u brengen, de

28:7
Jer. 6:23
gewelddadigste van de heidenvolken. Zij zullen hun zwaarden trekken tegen de schoonheid van uw wijsheid en zij zullen uw luister ontheiligen.

8Zij zullen u in het graf doen neerdalen en u zult de dood van een dodelijk gewonde sterven in het hart van de zeeën.

9Zult u werkelijk in de tegenwoordigheid van uw moordenaar blijven zeggen: Ik ben God, terwijl u een mens bent en geen God, en u zich in de macht bevindt van hem die u verslaat?

10U zult de dood van onbesnedenen sterven door de hand van vreemden, want Ík heb gesproken, spreekt de Heere HEERE.

Klaaglied over de koning van Tyrus

11Het woord van de HEERE kwam tot mij:

12Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus, en zeg tegen hem: Zo zegt de Heere HEERE:

U, toonbeeld28:12 toonbeeld - Letterlijk: verzegelaar. van volkomenheid,

vol wijsheid en

28:12
Ezech. 27:3
volmaakt van schoonheid,

13u was in Eden, de hof van God.

Allerlei edelgesteente was uw sieraad:28:13 uw sieraad - Letterlijk: uw bedekking.

robijn, topaas en diamant, turkoois, onyx

en jaspis, saffier, smaragd, beril en goud.

Het werk van uw tamboerijnen en uw fluiten was bij u.

Op de dag dat u geschapen werd, waren ze gereed.

14U was een cherub die zijn vleugels beschermend uitspreidt.

Daarvoor heb Ik u aangesteld.

U was op Gods heilige berg,

u wandelde te midden van vurige stenen.

15Volmaakt was u in uw wegen,

vanaf de dag dat u geschapen werd,

totdat er ongerechtigheid in u gevonden werd.

16Door de overvloed van uw handel

vulde men uw midden met geweld,

en ging u zondigen.

Daarom verbande28:16 verbande - Letterlijk: ontheiligde. Ik u van de berg van God,

en deed Ik u verdwijnen, beschermende cherub,

uit het midden van de vurige stenen.

17Vanwege uw schoonheid werd uw hart hoogmoedig,

u richtte uw wijsheid te gronde vanwege uw luister.

Ik wierp u ter aarde, Ik stelde u voor koningen,

opdat zij op u neer zouden zien.

18Vanwege de overvloed van uw ongerechtigheden door uw oneerlijke handel

ontheiligde u uw heiligdommen.

Daarom deed Ik een vuur uit uw midden oplaaien,

en dat verteerde u.

Ik maakte u tot een hoop as op de grond

voor de ogen van allen die naar u keken.

19Allen onder de volken die u kennen, zijn ontzet over u.

U bent een voorwerp van verschrikking geworden

en u zult niet meer bestaan tot in eeuwigheid.

Het oordeel over Sidon

20Het woord van de HEERE kwam tot mij:

21Mensenkind, richt uw blik op Sidon, en profeteer ertegen.

22Zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Sidon! Ik zal Mij in uw midden verheerlijken. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, als Ik er strafgerichten voltrek en er geheiligd word.

23Ik zal de pest op de stad afsturen, en bloed op haar straten. De dodelijk gewonden zullen in haar midden vallen door het zwaard, dat van rondom tegen haar is. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

24Dan zal er voor het huis van Israël geen prikkende doorn of pijnlijke distel meer zijn onder allen die hen omringen en hen verachten. Dan zullen zij weten dat Ik de Heere HEERE ben.

Belofte van herstel voor Israël

25Zo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis van Israël bijeengebracht heb uit de volken waaronder zij verspreid zijn, en Ik door hen voor de ogen van de heidenvolken geheiligd word, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik Mijn dienaar Jakob gegeven heb.

26Zij zullen er onbezorgd wonen, huizen bouwen en wijngaarden

28:26
Jer. 31:5
planten. Ja, zij zullen er onbezorgd wonen, zodra Ik strafgerichten heb voltrokken aan allen die hen verachten onder hen die hen omringen. Dan zullen zij weten dat Ik, de HEERE, hun God ben.

29

Het oordeel over Egypte

291Het woord van de HEERE kwam tot mij in het tiende jaar, in de tiende maand, op de twaalfde van de maand:

2Mensenkind, richt uw blik op de farao, de koning van Egypte, en profeteer tegen hem en tegen heel Egypte.

3Spreek, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE:

Zie, Ik zál u, farao,

koning van Egypte,

groot

29:3
Ps. 74:13,14
Jes. 27:1
51:9
zeemonster,

dat in het midden van zijn rivieren ligt,

dat gezegd heeft: Mijn Nijl is van mij

en ik heb die zelf voor mij gemaakt!

4Ik zal haken in uw kaken slaan

en de vis van uw rivieren aan uw schubben hechten.

Ik zal u uit het midden van uw rivieren omhoogtrekken,

ja, al de vis van die rivieren van u zal zich aan uw schubben hechten.

5Ik zal u neerwerpen, woestijnwaarts,

u en al de vis van uw rivieren.

Op het open veld zult u vallen,

u zult niet verzameld worden en niet bijeengeraapt worden.

Aan de wilde dieren van de aarde en aan de vogels in de lucht

heb Ik u tot voedsel gegeven.

6En al de inwoners van Egypte zullen weten

dat Ik de HEERE ben,

omdat zij voor het huis van Israël

een

29:6
2 Kon. 18:21
Jes. 36:6
rietstaf geweest zijn.

7Toen zij u bij uw hand grepen, knakte u,

maar u scheurde heel hun schouder open.

Toen zij op u steunden, brak u,

maar u liet alle heupen op zichzelf staan.

8Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga een zwaard over u brengen en Ik zal mens en dier onder u uitroeien.

9Het land Egypte zal een woestenij en een puinhoop worden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, omdat hij heeft gezegd: De Nijl is van mij, ik heb die zelf gemaakt.

10Daarom, zie, Ik zál u, met uw Nijl! Ik zal van het land Egypte puinhopen maken, puin in een woestenij, vanaf Migdol tot Syene, tot aan de grens met Cusj.

11Geen mensenvoet zal erdoor gaan, geen dierenpoot zal erdoor gaan: het zal veertig jaar onbewoond blijven.

12Ik zal van het land Egypte een woestenij maken te midden van verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestenij zijn te midden van verwoeste steden, veertig jaar lang. Dan zal Ik de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen over de landen verstrooien.

13Maar, zo zegt de Heere HEERE: Na verloop van veertig jaar zal Ik de Egyptenaren bijeenbrengen uit de volken waaronder zij verspreid zijn.

14Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van de Egyptenaren en hen terugbrengen naar het land Pathros, naar het land van hun oorsprong. Daar zullen zij dan een onbeduidend koninkrijk zijn.

15Het zal onbeduidender zijn dan de andere koninkrijken en het zal zich niet meer boven de heidenvolken verheffen. Ik zal hen namelijk zo klein maken dat zij niet over de heidenvolken kunnen heersen.

16Dan zal het niet meer het vertrouwen genieten van het huis van Israël, een vertrouwen dat herinnert aan de ongerechtigheid van de tijd toen zij

29:16
Klaagl. 4:17
zich achter hen schaarden. Dan zullen zij weten dat Ik de Heere HEERE ben.

17Verder gebeurde het in het zevenentwintigste jaar, in de eerste maand, op de eerste van de maand, dat het woord van de HEERE tot mij kwam:

18Mensenkind, Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft zijn leger zwaar werk laten verrichten tegen Tyrus. Elk hoofd is kaalgeschoren en elke schouder kapotgeschaafd. Hij en zijn leger hebben van Tyrus echter geen loon gekregen voor het werk dat hij daartegen verricht heeft.

19Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga Nebukadrezar, de koning van Babel, het land Egypte geven. Hij zal zijn overvloed wegvoeren, zijn roofgoed plunderen en zijn buit roven. Dat zal het loon zijn voor zijn leger.

20Als zijn arbeidsloon heb Ik hem, omdat hij zwaar werk daartegen verricht heeft, het land Egypte gegeven, omdat zij het voor Mij gedaan hebben, spreekt de Heere HEERE.

21Op die dag zal Ik voor het huis van Israël een hoorn doen opkomen en zal Ik u in hun midden een geopende mond geven. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

30

De oordeelsdag over Egypte

301Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt de Heere HEERE:

Weeklaag: Ach, die dag!

3Want nabij is de dag, ja, nabij is de dag van de HEERE.

Het is een dag van wolken;

de tijd van de heidenvolken zal komen!

4Het zwaard zal in Egypte komen,

pijnscheuten zullen Cusj bevangen,

als er dodelijk gewonden in Egypte vallen,

men zijn overvloed meeneemt

en zijn fundamenten afbreekt.

5Cusj, Put en Lud, en alle mensen van allerlei herkomst,

Kub en de zonen van het land van het verbond

zullen met hen door het zwaard vallen.

6Zo zegt de HEERE: Zij die Egypte ondersteunden, zullen vallen,

zijn sterke trots zal wegzinken.

Van Migdol tot Syene

zullen zij daar vallen door het zwaard,

spreekt de Heere HEERE.

7Zij zullen verwoest te midden van verwoeste landen liggen.

Zijn steden zullen te midden van verwoeste steden liggen.

8Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Egypte aan het vuur prijsgeef en al zijn helpers vermorzeld worden.

9Op die dag zullen gezanten van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren om het onbezorgde Cusj schrik aan te jagen. Pijnscheuten zullen hen bevangen als op de dag van Egypte, want zie, het komt!

10Zo zegt de Heere HEERE: Ja, Ik zal de menigte van Egypte doen ophouden door de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel.

11Hij en zijn volk met hem, de

30:11
Ezech. 28:7
gewelddadigste van de heidenvolken, die meegebracht zijn om het land te gronde te richten, zullen hun zwaarden tegen Egypte trekken en het land vullen met gesneuvelden.

12Ik zal de rivieren droogleggen en het land overleveren in de hand van kwaaddoeners. Ik zal het land en al wat het bevat, verwoesten door de hand van vreemden. Ík, de HEERE, heb gesproken.

13Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal de stinkgoden vernielen en de afgoden uit Nof wegdoen. Er zal geen vorst meer uit het land Egypte komen. Ik zal vrees in het land Egypte geven.

14Ik zal Pathros verwoesten,

Zoan aan het vuur prijsgeven

en strafgerichten voltrekken over No.

15Ik zal Mijn grimmigheid uitstorten over Sin, de vesting van Egypte.

Ik zal de menigte van No uitroeien.

16Egypte zal Ik aan het vuur prijsgeven:

Sin zal ineenkrimpen van pijn.

No zal opengescheurd worden

en Nof zal dagelijks in nood zijn.

17De jonge mannen van Aven en Pi-Beseth zullen door het zwaard vallen

en de jonge vrouwen zullen in gevangenschap gaan.

18En in Tachpanhes zal de dag ingehouden worden,30:18 ingehouden worden - SV: verduisterd worden. De SV volgt hier de Septuaginta.

als Ik de jukken van Egypte daar breek

en zijn sterke trots er doe ophouden.

Een wolk zal hem bedekken,

en zijn dochters zullen in gevangenschap gaan.

19Zo zal Ik strafgerichten over Egypte voltrekken. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

Het oordeel over de farao

20Het gebeurde in het elfde jaar, in de eerste maand, op de zevende van de maand, dat het woord van de HEERE tot mij kwam:

21Mensenkind, Ik heb de arm van de farao, de koning van Egypte, gebroken. En zie, hij is niet verbonden door een verband aan te leggen om hem te verbinden, om genezing te brengen, om hem sterk genoeg te maken om het zwaard te hanteren.

22Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál de farao, de koning van Egypte! Ik zal zijn beide armen breken, zowel die nog sterk is als die al gebroken is, en Ik zal het zwaard uit zijn hand doen vallen.

23Ik zal de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen verstrooien over de landen.

24Ik zal de armen van de koning van Babel sterk maken en Ik zal Mijn zwaard in zijn hand geven, maar de armen van de farao zal Ik breken, zodat die voor zijn ogen kermen zal, zoals een dodelijk gewonde kermt.

25Ik zal de armen van de koning van Babel sterk maken, maar de armen van de farao zullen slap neervallen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn zwaard in de hand van de koning van Babel geef en hij het over het land Egypte uitstrekt.

26Ik zal de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen verstrooien over de landen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.