Herziene Statenvertaling (HSV)
22

De zonden van Jeruzalem en de bestraffing ervan

221Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2En u, mensenkind, wilt u

22:2
Ezech. 20:4
23:36
berechten, wilt u de bloedstad berechten? Dan moet u haar al haar gruweldaden bekendmaken.

3U moet zeggen: Zo zegt de Heere HEERE: Stad die bloed vergiet in haar midden, zodat haar tijd gekomen is, en die stinkgoden voor zichzelf gemaakt heeft om zich te verontreinigen –

4door uw bloed, dat u

22:4
2 Kon. 21:16
vergoten hebt, bent u schuldig geworden en door uw stinkgoden, die u gemaakt hebt, hebt u zich
22:4
Ezech. 20:30,31
verontreinigd. U hebt uw dagen dichtbij gebracht en bent tot uw jaren gekomen. Daarom heb Ik u aan de heidenvolken overgegeven tot
22:4
Ezech. 5:14
smaad en aan al de landen tot spot.

5Zij die dicht bij u zijn en ver bij u vandaan zijn, drijven de spot met u, onreine van naam en vol verwarring!

6Zie, de vorsten van Israël zijn in u geweest, ieder vertrouwde op zijn eigen kracht om bloed te vergieten.

7Vader en moeder hebben zij bij u veracht. In uw midden hebben zij de vreemdeling met afpersing bejegend. Wees en weduwe hebben zij bij u uitgebuit.

8De voor Mij geheiligde gaven hebt u veracht en Mijn sabbatten hebt u ontheiligd.

9Lasteraars zijn bij u geweest om bloed te vergieten en zij hebben op de

22:9
Ezech. 18:6,11
bergen bij u gegeten. In uw midden hebben zij zich schandelijk gedragen.

10De schaamte van de vader heeft men bij u

22:10
Lev. 18:8
ontbloot. Haar die vanwege afzondering
22:10
Lev. 18:19
Ezech. 18:6
onrein was, hebben zij bij u verkracht.

11De een heeft een

22:11
Lev. 18:20
gruweldaad gedaan met de
22:11
Jer. 5:8
vrouw van zijn naaste. De ander heeft zijn
22:11
Lev. 18:15
schoondochter door schandelijk gedrag verontreinigd. Weer een ander heeft zijn zuster,
22:11
Lev. 18:9
de dochter van zijn vader, bij u verkracht.

12Zij hebben bij u geschenken aangenomen om bloed te vergieten. Rente en winst hebt u genomen, u hebt uw naaste door afpersing afgezet, en u bent Mij vergeten, spreekt de Heere HEERE.

13Zie nu, Ik

22:13
Ezech. 21:17
sla Mijn handen ineen om uw winstbejag, waar u op uit bent geweest, en om uw bloed, dat in uw midden heeft gevloeid.

14Zal uw hart het volhouden of zullen uw handen sterk genoeg zijn in de dagen dat Ik met u ga afrekenen? Ík, de HEERE, heb gesproken, en zal het

22:14
Ezech. 17:24
doen.

15Ik zal u

22:15
Ezech. 12:14,15
verspreiden onder de heidenvolken, Ik zal u verstrooien over de landen en Ik zal aan uw onreinheid onder u een einde maken.

16Zo zult u door eigen toedoen voor de ogen van de heidenvolken ontheiligd worden. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

17Het woord van de HEERE kwam tot mij:

18Mensenkind, zij die van het huis van Israël zijn, zijn voor Mij

22:18
Jes. 1:22
schuim geworden. Zij zijn allen koper, tin, ijzer en lood, midden in een oven. Zij zijn schuim van zilver geworden.

19Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u allen schuim bent geworden, zie, daarom breng Ik u bijeen in het midden van Jeruzalem.

20Zoals zilver, koper, ijzer, lood en tin in het midden van een oven bijeengebracht worden en er een vuur over wordt aangeblazen om het te laten smelten, zo zal Ik u bijeenbrengen in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid. Dan zal Ik u daarin zetten en laten smelten.

21Ik zal u verzamelen en Ik zal op u blazen in het vuur van Mijn verbolgenheid, zodat u in het midden ervan gesmolten wordt.

22Zoals het smelten van zilver midden in een oven, zo zult u in het midden ervan gesmolten worden. Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, Mijn grimmigheid over u uitgestort heb.

23Het woord van de HEERE kwam tot mij:

24Mensenkind, zeg tegen het land: U bent een land dat niet gereinigd is, dat zijn regen niet heeft gekregen op de dag van de gramschap.

25Er is een samenzwering van zijn profeten in zijn midden. Zoals een brullende leeuw die een prooi verscheurt, eten zij de

22:25
Matt. 23:14
mensen22:25 mensen - Letterlijk: ziel. op. Rijkdom en kostbaarheden nemen zij mee. Talrijk maken zij zijn weduwen in zijn midden.

26Zijn priesters hebben Mijn wet geweld aangedaan, zij hebben de aan Mij geheiligde gaven ontheiligd. Tussen heilig en onheilig hebben zij geen

22:26
Lev. 10:10
Ezech. 44:23
onderscheid gemaakt en het verschil tussen onrein en rein hebben zij niet duidelijk gemaakt. Zij hebben hun ogen gesloten voor Mijn sabbatten. Ik word in hun midden ontheiligd.

27Zijn

22:27
Micha 3:11
Zef. 3:3
vorsten zijn in zijn midden als wolven die een prooi verscheuren om bloed te vergieten, om mensen22:27 mensen - Letterlijk: zielen. om te brengen, omdat zij uit zijn op winstbejag.

28Zijn profeten

22:28
Ezech. 13:10
bepleisteren hen met witkalk.
22:28
Ezech. 21:29
Zij zien valse visioenen en voorspellen hun leugens door te zeggen: Zo zegt de Heere HEERE. En de HEERE heeft niet gesproken!

29De bevolking van het land doet niets dan afpersen, doet niets dan roven. De ellendige en arme persen zij af, en de vreemdeling buiten zij uit zonder recht.

30Ik zocht naar iemand onder hen die een muur kon optrekken en voor Mijn aangezicht in de

22:30
Ps. 106:23
bres kon staan voor het land, zodat Ik het niet te gronde hoefde te richten, maar Ik vond niemand.

31Daarop stortte Ik Mijn gramschap over hen uit. Door het vuur van Mijn verbolgenheid heb Ik een einde aan hen gemaakt. Hun weg heb Ik op hun eigen

22:31
Ezech. 9:10
11:21
16:43
hoofd doen neerkomen, spreekt de Heere HEERE.