Herziene Statenvertaling (HSV)
19

De leeuwin en de verdroogde wijnstok

191En u, hef een klaaglied aan over de vorsten van Israël,

2en zeg:

Wat was uw moeder? Een leeuwin!

Tussen de leeuwen lag zij.

Te midden van de jonge leeuwen

bracht ze haar welpen groot.

3Zij voedde een van haar welpen op;

hij werd een jonge leeuw,

leerde prooi te verscheuren,

at mensen op.

4Toen heidenvolken over hem hoorden,

werd hij gevangen in hun kuil.

Zij brachten hem aan haken

naar het land

19:4
2 Kon. 23:33
Jer. 22:11
Egypte.

5Toen zij zag dat zij tevergeefs verwacht had,

en haar hoop vergaan was,

nam zij een van haar andere welpen,

en maakte er een jonge leeuw van.

6Die ging rond te midden van de leeuwen,

werd een jonge leeuw,

leerde prooi te verscheuren,

at mensen op.

7Hij paarde met hun weduwen,

en verwoestte hun steden,

zodat het land met al wat het bevatte, verstarde

door het geluid van zijn gebrul.

8Maar de heidenvolken uit de omliggende gewesten

keerden zich tegen hem.

Zij spreidden hun net over hem uit.

In hun kuil werd hij gevangen.

9Zij zetten hem

19:9
2 Kron. 36:6
met haken vast in een kooi,

zodat zij hem naar de koning van Babel konden brengen.

Zij brachten hem in vestingen,

zodat zijn stem niet meer gehoord werd

op de bergen van Israël.

10Uw moeder was als een wijnstok, net als u,

geplant aan het water,

vruchtbaar en vol ranken

vanwege het vele water.

11Hij kreeg sterke takken,

voor scepters van heersers geschikt,

hij rees omhoog19:11 hij rees omhoog - Letterlijk: zijn hoogte werd hoog. tussen de dichte twijgen;

hij viel op19:11 viel op - Letterlijk: werd gezien. door zijn hoogte,

door de veelheid van zijn takken.

12Maar hij werd met grimmigheid uitgerukt,

tegen de aarde geworpen,

en de oostenwind

heeft zijn vrucht verdroogd.

Weggerukt en verdroogd zijn zijn sterke takken,

vuur heeft hem verteerd.

13En nu is hij geplant in de woestijn,

in een dor en dorstig land.

14Er kwam vuur uit de stam van zijn takken,

dat zijn vrucht verteerde,

zodat er aan hem geen sterke tak meer zat,

geschikt voor een scepter om te heersen.

Dit is een klaaglied en het werd een klaaglied.

20

Israëls zonden sinds de uittocht

201Het gebeurde in het zevende jaar, in de vijfde maand, op de tiende van de maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen om de HEERE te

20:1
Ezech. 14:3
raadplegen, en zij gingen vóór mij zitten.

2Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:

3Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israël, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Komt u om Mij te raadplegen? Zo waar Ik leef, Ik laat Mij door u niet raadplegen, spreekt de Heere HEERE.

4Wilt u

20:4
Ezech. 22:2
23:36
hen berechten, wilt u hen berechten, mensenkind? Maak hun de gruweldaden van hun vaderen bekend,

5en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Op de dag dat Ik Israël verkoos,

20:5
Ex. 6:7
hief Ik Mijn hand op voor het nageslacht van het huis van Jakob en in het land Egypte maakte Ik Mij aan hen
20:5
Ex. 3:8
4:31
bekend. Ik hief Mijn hand voor hen op en zei: Ik ben de HEERE, uw God.

6Op die dag heb Ik Mijn hand voor hen opgeheven om hen uit het land Egypte te leiden naar een land dat Ik voor hen uitgezocht had, een land dat overvloeit van melk en honing. Het is een sieraad onder al de landen.

7Daarop zei Ik tegen hen: Laat ieder de afschuwelijke afgoden waar hij tegen opkijkt,20:7 waar hij tegen opkijkt - Letterlijk: van zijn ogen; zie ook vers 8. wegwerpen. U mag uzelf niet verontreinigen met de stinkgoden van Egypte. Ik ben de HEERE, uw God.

8Maar zij zijn Mij ongehoorzaam geweest en wilden niet naar Mij luisteren. Men wierp de afschuwelijke afgoden waar men tegen opkeek, niet weg en verliet de stinkgoden van Egypte niet. Toen zei Ik dat Ik Mijn grimmigheid over hen zou uitstorten om Mijn toorn tegen hen ten uitvoer te brengen in het midden van het land Egypte.

9Ik handelde ter wille van Mijn Naam, zodat Die niet ontheiligd werd voor de ogen van de heidenvolken in het midden waarvan zij verbleven, waaraan Ik Mij voor hun ogen bekendgemaakt had door hen uit het land Egypte te leiden.

10Ik leidde hen uit het land

20:10
Ex. 13:18
Egypte en bracht hen in de woestijn.

11Ik gaf hun Mijn verordeningen en maakte hun Mijn bepalingen bekend: de mens die

20:11
Lev. 18:5
Rom. 10:5
Gal. 3:12
ze doet, zal erdoor leven.

12Ook heb Ik hun Mijn

20:12
Ex. 20:8
31:1335:2
sabbatten gegeven, om een teken te zijn tussen Mij en hen, zodat zij zouden weten dat Ik de HEERE ben Die hen heiligt.

13Maar in de woestijn werd het huis van Israël Mij ongehoorzaam. Zij gingen niet in Mijn verordeningen en verwierpen Mijn bepalingen – de mens die ze doet, zal erdoor leven. Verder

20:13
Ex. 16:28
ontheiligden zij Mijn sabbatten zeer, zodat Ik zei dat Ik Mijn grimmigheid over hen in de woestijn zou uitstorten door een einde aan hen te maken.

14Ik handelde ter wille van Mijn Naam, zodat Die niet ontheiligd werd voor de ogen van de heidenvolken. Ik had hen immers voor hun ogen uit Egypte geleid.

15Ik heb echter ook in de woestijn Mijn hand voor hen opgeheven, dat Ik hen niet in het land brengen zou dat Ik hun gegeven had, een land dat overvloeit van melk en honing – het is een sieraad onder alle landen –

16omdat zij Mijn bepalingen verworpen hadden, niet in Mijn verordeningen waren gegaan en Mijn sabbatten ontheiligd hadden, want hun hart ging hun stinkgoden achterna.

17Maar Ik ontzag hen, zodat Ik hen niet te gronde gericht heb en geen vernietigend einde aan hen gemaakt heb in de woestijn.

18Ik zei tegen hun kinderen in de woestijn: Ga niet in de verordeningen van uw vaderen, neem hun bepalingen niet in acht en verontreinig u niet met hun stinkgoden.

19Ik ben de HEERE, uw God: ga in Mijn verordeningen, neem Mijn bepalingen in acht en houd die.

20Heilig Mijn sabbatten, zodat ze tot een teken zijn tussen Mij en u, zodat u weet dat Ik, de HEERE, uw God ben.

21Maar die kinderen waren Mij ook ongehoorzaam. Zij gingen niet in Mijn verordeningen, en Mijn bepalingen – de mens die ze doet, zal erdoor leven – voerden zij niet nauwlettend uit. Zij ontheiligden Mijn sabbatten, zodat Ik zei dat Ik Mijn grimmigheid over hen zou uitstorten door in de woestijn Mijn toorn tegen hen ten uitvoer te brengen.

22Maar Ik heb Mijn hand afgekeerd en handelde ter wille van Mijn Naam, zodat Die niet ontheiligd werd voor de ogen van de heidenvolken. Ik had hen immers voor hun ogen uit Egypte geleid.

23Ik heb ook in de woestijn Mijn hand voor hen opgeheven om hen te verspreiden onder de heidenvolken en hen te verstrooien in de landen,

24omdat zij Mijn bepalingen niet uitgevoerd hadden, Mijn verordeningen verworpen hadden en Mijn sabbatten ontheiligd hadden, zodat hun ogen de stinkgoden van hun vaderen volgden.

25Toen heb Ik hun ook verordeningen gegeven die niet goed waren, en bepalingen waardoor zij niet leven zouden.

26Ik verontreinigde hen door hun eigen geschenken, doordat zij alles wat de baarmoeder opent

20:26
Ezech. 16:21
door het vuur lieten gaan, opdat Ik hen verwoesten zou, zodat zij zouden weten dat Ik de HEERE ben.

27Daarom, mensenkind, spreek tot het huis van Israël, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Uw vaderen hebben Mij ook hiermee nog gelasterd dat zij trouwbreuk tegenover Mij pleegden.

28Toen Ik hen naar het land gebracht had waarover Ik Mijn hand opgeheven had om het hun te geven, keken zij naar elke hoge heuvel en elk dicht geboomte en brachten daar hun slachtoffers, boden daar hun krenkende offergaven aan, zetten daar hun aangename reukwerk neer en goten daar hun plengoffers uit.

29Daarop zei Ik tegen hen: Wat is dat voor hoogte waar u telkens naartoe gaat? Tot op deze dag draagt die dan ook de naam Hoogte.

30Daarom, zeg tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Hebt u uzelf verontreinigd op de manier van uw vaderen en bedrijft u hoererij met hun afschuwelijke afgoden?

31Ja, door het opheffen van uw offergaven, door uw kinderen door het vuur te laten gaan, verontreinigt u zich met al uw stinkgoden tot op deze dag. En zou Ík Mij dan door u laten raadplegen, huis van Israël? Zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Ik zal Mij niet door u laten raadplegen!

32Wat in uw geest opgekomen is, zal zeker niet gebeuren, namelijk dat u zegt: Laten wij als de heidenvolken en als de volksstammen20:32 de volksstammen - Letterlijk: de geslachten van de landen. worden door hout en steen te dienen!

33Zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid zal Ik over u regeren!

34Ik zal u uit de volken leiden en u bijeenbrengen uit de landen waaronder u verspreid bent, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid.

35Vervolgens zal Ik u brengen in de woestijn van de volken en daar van aangezicht tot aangezicht een rechtszaak met u voeren.

36Zoals Ik met uw vaderen in de woestijn van het land Egypte een rechtszaak gevoerd heb, zo zal Ik een rechtszaak met u voeren, spreekt de Heere HEERE.

37Ik zal u onder de herdersstok doen doorgaan en u brengen in de band van het verbond.

38Ik zal van u uitzuiveren wie in opstand komen en wie tegen Mij overtreden. Ik zal hen leiden uit het land waar zij vreemdeling zijn, maar zij zullen op het grondgebied van Israël niet komen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

39Wat u betreft, huis van Israël, zo zegt de Heere HEERE: Ga, laat ieder zijn stinkgoden maar dienen, ook hierna, want u luistert toch niet naar Mij. Ontheilig echter Mijn heilige Naam niet meer met uw geschenken en uw stinkgoden,

40want op Mijn heilige berg, op de hoge berg van Israël, spreekt de Heere HEERE, daar zal heel het huis van Israël Mij in het land dienen, in zijn geheel. Daar zal Ik in hen behagen scheppen en daar zal Ik uw hefoffers vragen, met het allerbeste van al uw geheiligde gaven.20:40 met het allerbeste … gaven - Letterlijk: met het beste van uw gaven bij al uw geheiligde gaven.

41Ik zal behagen in u scheppen vanwege de aangename geur, wanneer Ik u uit de volken leid en Ik u bijeenbreng uit de landen waaronder u verspreid bent. Ik zal voor de ogen van de heidenvolken door u geheiligd worden.

42Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik u op het grondgebied van Israël breng, in het land waarover Ik Mijn hand opgeheven heb om het aan uw vaderen te geven.

43Daar zult u dan denken aan uw wegen en aan al uw daden waarmee u uzelf verontreinigd hebt. U zult van uzelf walgen vanwege al uw slechte daden, die u gedaan hebt.

44Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik omwille van Mijn Naam met u niet zal doen overeenkomstig uw slechte wegen en uw verdorven daden, huis van Israël, spreekt de Heere HEERE.

45Het woord van de HEERE kwam tot mij:

46Mensenkind, richt uw gezicht in de richting van het zuiden, laat uw woorden naar het zuiden stromen en profeteer tegen het woud van het veld van het Zuiderland.

47Zeg tegen het woud van het Zuiderland: Hoor het woord van de HEERE! Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal een vuur in u aansteken, dat in u elke

20:47
Luk. 23:31
jonge boom en elke dorre boom verteren zal. De uitslaande vlam zal niet doven, daardoor zullen alle gezichten van zuid tot noord geblakerd worden.

48Dan zal alle vlees zien dat Ik, de HEERE, dat ontstoken heb. Het zal niet doven.

49Ik zei: Ach, Heere HEERE, zij zeggen toch al van mij: Is hij niet iemand die in raadselen spreekt?

21

Het oordeel over Israël en Ammon

211Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2Mensenkind, richt uw gezicht op Jeruzalem, laat uw woorden stromen tegen de heiligdommen en profeteer tegen het land van Israël.

3Zeg tegen het land van Israël: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zál u, Ik zal Mijn zwaard uit zijn schede trekken en van u de rechtvaardige en de goddeloze uitroeien.

4Omdat Ik van u rechtvaardigen en goddelozen wil uitroeien, daarom zal Mijn zwaard uit zijn schede komen tegen alle vlees, van zuid tot noord.

5Dan zal alle vlees weten dat Ik, de HEERE, Mijn zwaard uit zijn schede getrokken heb. Het zal er niet meer in terugkeren.

6En u, mensenkind, zucht! U moet voor hun ogen zuchten, gebroken en terneergeslagen.21:6 gebroken en terneergeslagen - Letterlijk: met breking van lendenen en met bitterheid.

7En het zal gebeuren als zij tegen u zeggen: Waarom zucht u? dat u zeggen moet: Om het bericht dat komt! Dan zal elk hart

21:7
Jer. 49:23
smelten, alle handen zullen
21:7
Jer. 6:24
Ezech. 7:17
slap worden, elke geest zal
21:7
Ezech. 4:17
wanhopen en het water zal allen langs
21:7
Ezech. 7:17
de knieën lopen. Zie, het komt en het zal gebeuren, spreekt de Heere HEERE.

8Het woord van de HEERE kwam tot mij:

9Mensenkind, profeteer, en zeg: Zo zegt de HEERE. Zeg:

Een zwaard, een zwaard is gescherpt,

en ook gepolijst.

10Om een slachting aan te richten is het gescherpt.

Om het te laten glinsteren is het gepolijst.

Of wij dan vrolijk zijn?

Het is de roede van Mijn zoon, die elk hout versmaadt.

11Hij heeft het gegeven om het te polijsten,

om het met de hand vast te pakken.

Het is gescherpt, het zwaard,

en het is gepolijst

om het een moordenaar in handen te geven.

12Schreeuw het uit en weeklaag, mensenkind,

want het is tegen Mijn volk gericht,

het is tegen alle vorsten van Israël gericht.

21:12
Ezech. 7:27
Zij zijn met Mijn volk aan het zwaard prijsgegeven.

21:12
Ezech. 6:11
Sla daarom op uw heup,

13

21:13
Jes. 1:5
Jer. 6:28
want er is beproeving.

Wat dan als ook de roede die versmaadt,

er niet meer zal zijn?

spreekt de Heere HEERE.

14En u, mensenkind, profeteer,

en sla uw handen ineen.21:14 sla … ineen - Letterlijk: sla handpalm tegen handpalm; zie ook vers 17.

Verdubbeld zal het zwaard worden, verdrievoudigd.

Het is het zwaard van dodelijk gewonden,

het zwaard van dodelijk gewonden onder de groten,

dat onder hen rondwaart,

15zodat harten wegsmelten

en struikelblokken talrijk worden.

Ik heb bij al hun poorten

een zwaard ter slachting gezet.

Ach,

21:15
Vers
het is gemaakt om te glinsteren,

gepolijst om te slachten!

16Wees vastberaden, naar rechts,

op de plaats, naar links,

waarheen u ook maar kijkt!21:16 waarheen u ook maar kijkt - Letterlijk: waar uw gezicht gesteld wordt.

17Ook Ik zal Mijn handen ineenslaan,

Ik zal Mijn grimmigheid op u doen rusten.

Ík, de HEERE, heb gesproken.

18Het woord van de HEERE kwam tot mij:

19En u, mensenkind, teken voor uzelf twee wegen waarlangs het zwaard van de koning van Babel kan komen. Ze moeten beide uit één land voortkomen. Plaats dan een wegwijzer en plaats hem aan het begin van de weg naar de stad.

20U moet een weg tekenen waarlangs het zwaard kan binnenkomen tegen Rabba van de Ammonieten en tegen Juda met het versterkte Jeruzalem.

21Want de koning van Babel zal bij de splitsing van de weg staan, aan het begin van de twee wegen, om waarzeggerij te plegen. Hij zal zijn pijlen schudden, hij zal de afgodsbeeldjes om raad vragen en de lever bezien.

22In zijn rechterhand zal de waarzeggerij over Jeruzalem zijn: om er stormrammen neer te zetten, de mond te openen met een strijdkreet, luid geschreeuw aan te heffen, stormrammen neer te zetten tegen de poorten, een

21:22
Ezech. 4:2
17:17
belegeringsdam op te werpen, een schans te bouwen.

23Al zal het voor hen als een valse voorspelling in hun ogen zijn – zij hadden hun immers eden van trouw gezworen21:23 zij hadden … gezworen - Letterlijk: (zij waren) gezworenen van eden aan hen. – dan zal hij zelf de ongerechtigheid in herinnering brengen waarvoor zij gegrepen worden.

24Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u zich uw ongerechtigheid in herinnering brengt, waardoor uw overtredingen openbaar worden en uw zonden gezien worden in al uw daden; omdat men zich u herinnert, zult u met harde hand gegrepen worden.

25Wat u betreft, onheilige, goddeloze vorst van Israël, wiens dag gekomen is in de tijd van uiterste ongerechtigheid,

26zo zegt de Heere HEERE: Doe die tulband weg en zet die kroon af! Niets blijft hetzelfde! Wie nederig is, zal Ik verheffen, en wie hoogmoedig is, zal Ik vernederen.

27Omkeren, omkeren, omkeren zal Ik die! Ja, dat wat er was, zal er niet meer zijn, totdat Hij komt Die er recht op heeft, en Hem zal Ik het geven!

Het zwaard tegen Ammon

28En u, mensenkind, profeteer, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE over de Ammonieten en over hun gesmaad. Zeg dan: Het zwaard, het zwaard is getrokken voor een slachting, gepolijst om toe te slaan, om te glinsteren,

29terwijl men voor u een vals visioen zag, terwijl men u leugen voorspelde, om u op de nek te zetten van onheilige goddelozen, van wie de dag gekomen is in de tijd van uiterste ongerechtigheid.

30Doe uw zwaard terug in zijn schede! Op de plaats waar u geschapen werd, in het land van uw oorsprong, zal Ik u berechten.

31Ik zal over u Mijn gramschap uitstorten, Ik zal met het vuur van Mijn verbolgenheid op u blazen. Ik zal u geven in de hand van brute mannen, die verderf smeden.

32U zult het vuur tot voedsel zijn, in het midden van het land zal uw bloed zijn. Men zal zich u niet meer herinneren, want Ík, de HEERE, heb gesproken.