Herziene Statenvertaling (HSV)
2

De roeping van Ezechiël

21Hij zei tegen mij: Mensenkind, ga op uw voeten staan, en Ik zal met u spreken.

2Terwijl Hij tot mij sprak,

2:2
Ezech. 3:24
Dan. 10:10
kwam de Geest in mij. Hij deed mij op mijn voeten staan en ik luisterde naar Hem Die tot mij sprak.

3Hij zei tegen mij: Mensenkind, Ik zend u naar de Israëlieten, naar die opstandige volken, die tegen Mij in opstand zijn gekomen.

2:3
Jer. 3:25
Zij en hun vaderen hebben tot op deze zelfde dag tegen Mij overtreden.

4En deze kinderen zijn schaamteloos2:4 schaamteloos - Letterlijk: hard van gezicht. en hardleers.2:4 hardleers - Letterlijk: sterk van hart; zie ook Ezech. 3:7. Ik zend u naar hen toe. U moet tegen hen zeggen: Zo zegt de Heere HEERE.

5En zij, of zij luisteren of dat nalaten – zij zijn immers een opstandig huis –

2:5
Ezech. 33:33
zij zullen weten dat er een profeet in hun midden geweest is.

6Maar u, mensenkind,

2:6
Jer. 1:8,17
Luk. 12:4
wees niet bevreesd voor hen, wees niet bevreesd voor hun woorden, hoewel er prikkels en dorens bij u zijn en u bij schorpioenen verblijft. Wees niet bevreesd voor hun woorden
2:6
Ezech. 3:9
1 Petr. 3:14
en wees niet ontsteld voor hun blik, want zij zijn een opstandig huis!

7Maar u moet Mijn woorden tot hen spreken, of zij luisteren of dat nalaten, want zij zijn opstandig!

8Maar u, mensenkind, luister naar wat Ik tot u spreek. Wees niet opstandig, zoals dit opstandige huis. Doe uw mond open

2:8
Openb. 10:9
en eet wat Ik u geef.

9Toen zag ik, en zie, er was een hand naar mij uitgestoken. En zie, daarin was een boekrol.

10En Hij spreidde die voor mijn gezicht uit: hij was vanvoren en vanachteren beschreven. Er waren klaagliederen, zuchten en weeklachten op geschreven.