Herziene Statenvertaling (HSV)
18

Persoonlijke verantwoordelijkheid

181Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2Wat is er met u dat u dit spreekwoord gebruikt over het land van Israël:

18:2
Jer. 31:29
De vaders eten onrijpe druiven,

en de tanden van de kinderen worden stomp?

3Zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, als u dit spreekwoord in Israël nog durft te gebruiken!

4Zie, alle mensenlevens behoren Mij toe. Zowel het leven van de vader als het leven van de zoon, die behoren Mij toe. De mens18:4 De mens - Letterlijk: De ziel; zie ook vers 20. die zondigt, die zal sterven.

5Wanneer nu iemand een rechtvaardige is en recht en gerechtigheid doet –

6hij eet geen offermaaltijden op

18:6
Jes. 57:7
65:7
de bergen, slaat zijn ogen niet op naar de stinkgoden van het huis van Israël, onteert de vrouw van zijn
18:6
Lev. 18:20
naaste niet, heeft geen gemeenschap met een
18:6
Lev. 18:19
afgezonderde vrouw,

7

18:7
Ex. 22:21
Lev. 19:13
25:14
buit niemand uit, geeft aan de schuldenaar zijn
18:7
Ex. 22:26
Deut. 24:12
onderpand terug, maakt geen roofgoed buit,
18:7
Deut. 15:7
Jes. 58:7
Matt. 25:35
geeft de hongerige zijn brood, bedekt de naakte met kleding,

8leent niet uit tegen

18:8
Ex. 22:25
Lev. 25:35,36
rente en neemt geen winst, keert zijn hand af van onrecht, geeft een betrouwbaar oordeel bij geschillen tussen de een en de ander,

9gaat in Mijn verordeningen en neemt Mijn bepalingen in acht door betrouwbaar te handelen – die rechtvaardige zal zeker in leven blijven, spreekt de Heere HEERE.

10Maar heeft hij nu een gewelddadige zoon voortgebracht, een bloedvergieter, die helaas maar één van die dingen doet

11– terwijl de vader dat allemaal niet doet – ja, zelfs op de bergen offermaaltijden eet en de vrouw van zijn naaste onteert,

12de arme en de behoeftige uitbuit, roofgoed buitmaakt, een onderpand niet teruggeeft, en zijn ogen opslaat naar de stinkgoden en een gruweldaad doet,

13uitleent tegen rente en winst neemt – zou die dan in leven mogen blijven? Hij mag niet in leven blijven: al die gruweldaden heeft hij namelijk gedaan. Hij moet zeker gedood worden. Zijn bloed rust op hem!

14En zie, heeft hij een zoon voortgebracht die al de zonden van zijn vader die hij doet, ziet; hij ziet ze, maar doet zelf die dingen niet –

15hij eet geen offermaaltijden op de bergen, slaat zijn ogen niet op naar de stinkgoden van het huis van Israël, onteert de vrouw van zijn naaste niet,

16buit niemand uit, houdt een onderpand niet in pand, maakt geen roofgoed buit, geeft zijn brood aan de hongerige en bedekt de naakte met kleding,

17blijft met zijn handen van de arme af, neemt geen rente en winst, voert Mijn bepalingen uit en gaat in Mijn verordeningen – die zal niet sterven vanwege de ongerechtigheid van zijn vader. Hij zal zeker in leven blijven.

18Zijn vader – omdat hij zich aan afpersing schuldig gemaakt heeft, roofgoed van zijn broeder buitgemaakt heeft en te midden van zijn volksgenoten gedaan heeft wat niet goed was – zie, hij zal sterven vanwege zijn ongerechtigheid.

19Maar u zegt:

18:19
Deut. 24:16
2 Kon. 14:6
2 Kron. 25:4
Waarom draagt de zoon de ongerechtigheid van zijn vader niet? Wel, de zoon heeft recht en gerechtigheid gedaan: al Mijn verordeningen heeft hij in acht genomen en hij heeft ze gehouden. Hij zal zeker in leven blijven.

20De mens die zondigt, díe zal sterven. De zoon zal de ongerechtigheid van de vader niet dragen, en de vader zal de ongerechtigheid van de zoon niet dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige zal op hemzelf zijn, en de goddeloosheid van de goddeloze zal op hemzelf zijn.

21Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van al zijn zonden die hij gedaan heeft, al Mijn verordeningen in acht neemt en recht en gerechtigheid doet, zal hij zeker in leven blijven, hij zal niet sterven.

22Al zijn overtredingen, die hij begaan heeft, ze zullen hem niet in herinnering gebracht worden. Vanwege zijn gerechtigheid, die hij gedaan heeft, zal hij leven.

23

18:23
Ezech. 33:11
Zou Ik werkelijk behagen scheppen in de dood van de goddeloze? spreekt de Heere HEERE. Is het niet, wanneer hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij zal leven?

24Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet, overeenkomstig al de gruweldaden die de goddeloze gedaan heeft en doet, zal hij in leven blijven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, ze zullen niet in herinnering gebracht worden. Vanwege zijn trouwbreuk, die hij gepleegd heeft en vanwege zijn zonde, die hij begaan heeft, alleen dáárom zal hij sterven.

25Verder zegt u:

18:25
Ezech. 33:17,20
De weg van de Heere is niet recht. Luister toch, huis van Israël! Mijn weg is niet recht? Zijn niet veeleer uw wegen onrecht?

26Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet en daarom sterft, dan sterft hij vanwege zijn onrecht, dat hij gedaan heeft.

27Maar als een goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, die hij gedaan heeft, en recht en gerechtigheid doet, zal hij zijn ziel in het leven behouden.

28Hij kwam tot inzicht en bekeerde zich van al zijn overtredingen, die hij gedaan had. Hij zal zeker in leven blijven, hij zal niet sterven.

29Het huis van Israël zegt desondanks: De weg van de Heere is niet recht. Huis van Israël, zijn Mijn wegen niet recht? Zijn niet veeleer uw wegen onrecht?

30Daarom zal Ik u berechten, huis van Israël, ieder overeenkomstig zijn wegen, spreekt de Heere HEERE.

18:30
Matt. 3:2
Keer terug en bekeer u van al uw overtredingen, dan zal de ongerechtigheid u geen struikelblok worden.

31Werp al uw overtredingen, waarmee u overtreden hebt, van u af en maak u een

18:31
Jer. 32:39
Ezech. 11:19
36:26
nieuw hart en een nieuwe geest. Waarom zou u sterven, huis van Israël?

32

18:32
Ezech. 33:11
Ik schep immers geen behagen in de dood van een stervende, spreekt de Heere HEERE, dus bekeer u en leef!

19

De leeuwin en de verdroogde wijnstok

191En u, hef een klaaglied aan over de vorsten van Israël,

2en zeg:

Wat was uw moeder? Een leeuwin!

Tussen de leeuwen lag zij.

Te midden van de jonge leeuwen

bracht ze haar welpen groot.

3Zij voedde een van haar welpen op;

hij werd een jonge leeuw,

leerde prooi te verscheuren,

at mensen op.

4Toen heidenvolken over hem hoorden,

werd hij gevangen in hun kuil.

Zij brachten hem aan haken

naar het land

19:4
2 Kon. 23:33
Jer. 22:11
Egypte.

5Toen zij zag dat zij tevergeefs verwacht had,

en haar hoop vergaan was,

nam zij een van haar andere welpen,

en maakte er een jonge leeuw van.

6Die ging rond te midden van de leeuwen,

werd een jonge leeuw,

leerde prooi te verscheuren,

at mensen op.

7Hij paarde met hun weduwen,

en verwoestte hun steden,

zodat het land met al wat het bevatte, verstarde

door het geluid van zijn gebrul.

8Maar de heidenvolken uit de omliggende gewesten

keerden zich tegen hem.

Zij spreidden hun net over hem uit.

In hun kuil werd hij gevangen.

9Zij zetten hem

19:9
2 Kron. 36:6
met haken vast in een kooi,

zodat zij hem naar de koning van Babel konden brengen.

Zij brachten hem in vestingen,

zodat zijn stem niet meer gehoord werd

op de bergen van Israël.

10Uw moeder was als een wijnstok, net als u,

geplant aan het water,

vruchtbaar en vol ranken

vanwege het vele water.

11Hij kreeg sterke takken,

voor scepters van heersers geschikt,

hij rees omhoog19:11 hij rees omhoog - Letterlijk: zijn hoogte werd hoog. tussen de dichte twijgen;

hij viel op19:11 viel op - Letterlijk: werd gezien. door zijn hoogte,

door de veelheid van zijn takken.

12Maar hij werd met grimmigheid uitgerukt,

tegen de aarde geworpen,

en de oostenwind

heeft zijn vrucht verdroogd.

Weggerukt en verdroogd zijn zijn sterke takken,

vuur heeft hem verteerd.

13En nu is hij geplant in de woestijn,

in een dor en dorstig land.

14Er kwam vuur uit de stam van zijn takken,

dat zijn vrucht verteerde,

zodat er aan hem geen sterke tak meer zat,

geschikt voor een scepter om te heersen.

Dit is een klaaglied en het werd een klaaglied.

20

Israëls zonden sinds de uittocht

201Het gebeurde in het zevende jaar, in de vijfde maand, op de tiende van de maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen om de HEERE te

20:1
Ezech. 14:3
raadplegen, en zij gingen vóór mij zitten.

2Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:

3Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israël, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Komt u om Mij te raadplegen? Zo waar Ik leef, Ik laat Mij door u niet raadplegen, spreekt de Heere HEERE.

4Wilt u

20:4
Ezech. 22:2
23:36
hen berechten, wilt u hen berechten, mensenkind? Maak hun de gruweldaden van hun vaderen bekend,

5en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Op de dag dat Ik Israël verkoos,

20:5
Ex. 6:7
hief Ik Mijn hand op voor het nageslacht van het huis van Jakob en in het land Egypte maakte Ik Mij aan hen
20:5
Ex. 3:8
4:31
bekend. Ik hief Mijn hand voor hen op en zei: Ik ben de HEERE, uw God.

6Op die dag heb Ik Mijn hand voor hen opgeheven om hen uit het land Egypte te leiden naar een land dat Ik voor hen uitgezocht had, een land dat overvloeit van melk en honing. Het is een sieraad onder al de landen.

7Daarop zei Ik tegen hen: Laat ieder de afschuwelijke afgoden waar hij tegen opkijkt,20:7 waar hij tegen opkijkt - Letterlijk: van zijn ogen; zie ook vers 8. wegwerpen. U mag uzelf niet verontreinigen met de stinkgoden van Egypte. Ik ben de HEERE, uw God.

8Maar zij zijn Mij ongehoorzaam geweest en wilden niet naar Mij luisteren. Men wierp de afschuwelijke afgoden waar men tegen opkeek, niet weg en verliet de stinkgoden van Egypte niet. Toen zei Ik dat Ik Mijn grimmigheid over hen zou uitstorten om Mijn toorn tegen hen ten uitvoer te brengen in het midden van het land Egypte.

9Ik handelde ter wille van Mijn Naam, zodat Die niet ontheiligd werd voor de ogen van de heidenvolken in het midden waarvan zij verbleven, waaraan Ik Mij voor hun ogen bekendgemaakt had door hen uit het land Egypte te leiden.

10Ik leidde hen uit het land

20:10
Ex. 13:18
Egypte en bracht hen in de woestijn.

11Ik gaf hun Mijn verordeningen en maakte hun Mijn bepalingen bekend: de mens die

20:11
Lev. 18:5
Rom. 10:5
Gal. 3:12
ze doet, zal erdoor leven.

12Ook heb Ik hun Mijn

20:12
Ex. 20:8
31:1335:2
sabbatten gegeven, om een teken te zijn tussen Mij en hen, zodat zij zouden weten dat Ik de HEERE ben Die hen heiligt.

13Maar in de woestijn werd het huis van Israël Mij ongehoorzaam. Zij gingen niet in Mijn verordeningen en verwierpen Mijn bepalingen – de mens die ze doet, zal erdoor leven. Verder

20:13
Ex. 16:28
ontheiligden zij Mijn sabbatten zeer, zodat Ik zei dat Ik Mijn grimmigheid over hen in de woestijn zou uitstorten door een einde aan hen te maken.

14Ik handelde ter wille van Mijn Naam, zodat Die niet ontheiligd werd voor de ogen van de heidenvolken. Ik had hen immers voor hun ogen uit Egypte geleid.

15Ik heb echter ook in de woestijn Mijn hand voor hen opgeheven, dat Ik hen niet in het land brengen zou dat Ik hun gegeven had, een land dat overvloeit van melk en honing – het is een sieraad onder alle landen –

16omdat zij Mijn bepalingen verworpen hadden, niet in Mijn verordeningen waren gegaan en Mijn sabbatten ontheiligd hadden, want hun hart ging hun stinkgoden achterna.

17Maar Ik ontzag hen, zodat Ik hen niet te gronde gericht heb en geen vernietigend einde aan hen gemaakt heb in de woestijn.

18Ik zei tegen hun kinderen in de woestijn: Ga niet in de verordeningen van uw vaderen, neem hun bepalingen niet in acht en verontreinig u niet met hun stinkgoden.

19Ik ben de HEERE, uw God: ga in Mijn verordeningen, neem Mijn bepalingen in acht en houd die.

20Heilig Mijn sabbatten, zodat ze tot een teken zijn tussen Mij en u, zodat u weet dat Ik, de HEERE, uw God ben.

21Maar die kinderen waren Mij ook ongehoorzaam. Zij gingen niet in Mijn verordeningen, en Mijn bepalingen – de mens die ze doet, zal erdoor leven – voerden zij niet nauwlettend uit. Zij ontheiligden Mijn sabbatten, zodat Ik zei dat Ik Mijn grimmigheid over hen zou uitstorten door in de woestijn Mijn toorn tegen hen ten uitvoer te brengen.

22Maar Ik heb Mijn hand afgekeerd en handelde ter wille van Mijn Naam, zodat Die niet ontheiligd werd voor de ogen van de heidenvolken. Ik had hen immers voor hun ogen uit Egypte geleid.

23Ik heb ook in de woestijn Mijn hand voor hen opgeheven om hen te verspreiden onder de heidenvolken en hen te verstrooien in de landen,

24omdat zij Mijn bepalingen niet uitgevoerd hadden, Mijn verordeningen verworpen hadden en Mijn sabbatten ontheiligd hadden, zodat hun ogen de stinkgoden van hun vaderen volgden.

25Toen heb Ik hun ook verordeningen gegeven die niet goed waren, en bepalingen waardoor zij niet leven zouden.

26Ik verontreinigde hen door hun eigen geschenken, doordat zij alles wat de baarmoeder opent

20:26
Ezech. 16:21
door het vuur lieten gaan, opdat Ik hen verwoesten zou, zodat zij zouden weten dat Ik de HEERE ben.

27Daarom, mensenkind, spreek tot het huis van Israël, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Uw vaderen hebben Mij ook hiermee nog gelasterd dat zij trouwbreuk tegenover Mij pleegden.

28Toen Ik hen naar het land gebracht had waarover Ik Mijn hand opgeheven had om het hun te geven, keken zij naar elke hoge heuvel en elk dicht geboomte en brachten daar hun slachtoffers, boden daar hun krenkende offergaven aan, zetten daar hun aangename reukwerk neer en goten daar hun plengoffers uit.

29Daarop zei Ik tegen hen: Wat is dat voor hoogte waar u telkens naartoe gaat? Tot op deze dag draagt die dan ook de naam Hoogte.

30Daarom, zeg tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Hebt u uzelf verontreinigd op de manier van uw vaderen en bedrijft u hoererij met hun afschuwelijke afgoden?

31Ja, door het opheffen van uw offergaven, door uw kinderen door het vuur te laten gaan, verontreinigt u zich met al uw stinkgoden tot op deze dag. En zou Ík Mij dan door u laten raadplegen, huis van Israël? Zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Ik zal Mij niet door u laten raadplegen!

32Wat in uw geest opgekomen is, zal zeker niet gebeuren, namelijk dat u zegt: Laten wij als de heidenvolken en als de volksstammen20:32 de volksstammen - Letterlijk: de geslachten van de landen. worden door hout en steen te dienen!

33Zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid zal Ik over u regeren!

34Ik zal u uit de volken leiden en u bijeenbrengen uit de landen waaronder u verspreid bent, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid.

35Vervolgens zal Ik u brengen in de woestijn van de volken en daar van aangezicht tot aangezicht een rechtszaak met u voeren.

36Zoals Ik met uw vaderen in de woestijn van het land Egypte een rechtszaak gevoerd heb, zo zal Ik een rechtszaak met u voeren, spreekt de Heere HEERE.

37Ik zal u onder de herdersstok doen doorgaan en u brengen in de band van het verbond.

38Ik zal van u uitzuiveren wie in opstand komen en wie tegen Mij overtreden. Ik zal hen leiden uit het land waar zij vreemdeling zijn, maar zij zullen op het grondgebied van Israël niet komen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

39Wat u betreft, huis van Israël, zo zegt de Heere HEERE: Ga, laat ieder zijn stinkgoden maar dienen, ook hierna, want u luistert toch niet naar Mij. Ontheilig echter Mijn heilige Naam niet meer met uw geschenken en uw stinkgoden,

40want op Mijn heilige berg, op de hoge berg van Israël, spreekt de Heere HEERE, daar zal heel het huis van Israël Mij in het land dienen, in zijn geheel. Daar zal Ik in hen behagen scheppen en daar zal Ik uw hefoffers vragen, met het allerbeste van al uw geheiligde gaven.20:40 met het allerbeste … gaven - Letterlijk: met het beste van uw gaven bij al uw geheiligde gaven.

41Ik zal behagen in u scheppen vanwege de aangename geur, wanneer Ik u uit de volken leid en Ik u bijeenbreng uit de landen waaronder u verspreid bent. Ik zal voor de ogen van de heidenvolken door u geheiligd worden.

42Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik u op het grondgebied van Israël breng, in het land waarover Ik Mijn hand opgeheven heb om het aan uw vaderen te geven.

43Daar zult u dan denken aan uw wegen en aan al uw daden waarmee u uzelf verontreinigd hebt. U zult van uzelf walgen vanwege al uw slechte daden, die u gedaan hebt.

44Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik omwille van Mijn Naam met u niet zal doen overeenkomstig uw slechte wegen en uw verdorven daden, huis van Israël, spreekt de Heere HEERE.

45Het woord van de HEERE kwam tot mij:

46Mensenkind, richt uw gezicht in de richting van het zuiden, laat uw woorden naar het zuiden stromen en profeteer tegen het woud van het veld van het Zuiderland.

47Zeg tegen het woud van het Zuiderland: Hoor het woord van de HEERE! Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal een vuur in u aansteken, dat in u elke

20:47
Luk. 23:31
jonge boom en elke dorre boom verteren zal. De uitslaande vlam zal niet doven, daardoor zullen alle gezichten van zuid tot noord geblakerd worden.

48Dan zal alle vlees zien dat Ik, de HEERE, dat ontstoken heb. Het zal niet doven.

49Ik zei: Ach, Heere HEERE, zij zeggen toch al van mij: Is hij niet iemand die in raadselen spreekt?

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]