Herziene Statenvertaling (HSV)
14

Straf over de afgodendienaars

141Daarop kwamen er mannen uit de oudsten van Israël naar mij toe en

14:1
Ezech. 20:1
gingen vóór mij zitten.

2Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:

3Mensenkind, die mannen hebben hun stinkgoden in hun hart doen opkomen en hebben het struikelblok van hun ongerechtigheid vóór zich gezet. Zou Ik Mij dan werkelijk door hen laten raadplegen?

4Spreek daarom met hen, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Iedere man uit het huis van Israël die zijn stinkgoden in zijn hart doet opkomen en het struikelblok van zijn ongerechtigheid vóór zich zet en dan naar de profeet toe komt, Ik, de HEERE, zal hem als hij komt met de veelheid van zijn stinkgoden, Zelf antwoord geven,

5om het huis van Israël in hun hart te grijpen, omdat zij allemaal door hun stinkgoden van Mij vervreemd zijn.

6Zeg daarom tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Bekeer u, keer u af van uw stinkgoden en keer uw gezichten af van al uw gruweldaden.

7Voorzeker, iedere man uit het huis van Israël en uit de vreemdelingen die in Israël verblijven, die zich van achter Mij afwendt, zijn stinkgoden doet opkomen in zijn hart en het struikelblok van zijn ongerechtigheid vóór zich zet, en naar de profeet toe komt om Mij door hem te raadplegen – Ik ben de HEERE, door Mij zal hem antwoord gegeven worden.

8Ik zal Mijn aangezicht tegen die man zetten en zal hem tot een

14:8
Deut. 28:37
Ezech. 5:15
spreekwoordelijk teken14:8 tot een spreekwoordelijk teken - Letterlijk: tot een teken en tot spreekwoorden. stellen en hem uitroeien uit het midden van Mijn volk. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

9Wanneer een profeet

14:9
Ezech. 13:1,2
zich laat misleiden en een woord spreekt, zal Ik, de HEERE, die profeet Zelf misleiden, Mijn
14:9
Ezech. 13:9
hand tegen hem uitstrekken en hem wegvagen uit het midden van Mijn volk Israël.

10Dan zullen zij hun ongerechtigheid dragen. Zoals de ongerechtigheid van de vrager, zo zal de ongerechtigheid van de profeet zijn,

11opdat het huis van Israël niet weer van achter Mij vandaan zal afdwalen en zij zich niet weer zullen verontreinigen met al hun overtredingen. Dan zullen zij Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn, spreekt de Heere HEERE.

Rechtvaardige straffen van God

12Het woord van de HEERE kwam tot mij:

13Mensenkind, wanneer een land tegen Mij zondigt door trouwbreuk te plegen, dan zal Ik Mijn hand ertegen uitstrekken, het er

14:13
Lev. 26:26
Ezech. 4:16
5:16
aan brood laten ontbreken14:13 aan … ontbreken - Letterlijk: de staf van het brood ertegen breken. en hongersnood erin zenden, zodat Ik daar mens en dier uitroei.

14Al zouden te midden ervan deze drie mannen zijn, Noach, Daniël en Job, dan zouden zij alleen door hun gerechtigheid hun eigen leven redden, spreekt de Heere HEERE.

15Als Ik wilde dieren door het land zou laten trekken, zodat die het van kinderen beroven en het een woestenij wordt, omdat niemand erdoorheen trekt vanwege de wilde dieren,

16als die drie mannen in het midden ervan waren, zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden zelfs zonen en dochters niet kunnen redden. Zíj zouden alleen zelf worden gered en het land zou een woestenij worden.

17Of als Ik het zwaard over dat land zou brengen en zeggen zou: Zwaard, u moet door het land heen trekken, zodat Ik daaruit mens en dier uitroei,

18al zouden die drie mannen in het midden ervan zijn, zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden geen zonen en dochters kunnen redden, maar alleen zíj zouden gered worden.

19Of als Ik de pest in dat land zou zenden en Mijn grimmigheid erover bloedig14:19 bloedig - Letterlijk: met bloed. uitstorten om daar mens en dier uit te roeien,

20en al zouden Noach, Daniël en Job in het midden ervan zijn, zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, geen zoon, geen dochter zouden zij kunnen redden, zíj zouden door hun gerechtigheid alleen hun eigen leven redden.

21Want zo zegt de Heere HEERE: Ook al zend Ik Mijn vier ergste oordelen – zwaard, honger, wilde dieren en pest – naar Jeruzalem om daar mens en dier uit te roeien,

22zie, dan zullen er toch in overblijven die ontkomen, en die naar buiten gebracht zullen worden, zonen en dochters. Zie, zij zullen naar u uittrekken en u zult hun weg en hun daden zien. Dan zult u getroost worden over het onheil dat Ik over Jeruzalem gebracht heb, al wat Ik erover gebracht heb.

23Zo zullen zij u troost geven als u hun weg en hun daden zult zien. Dan zult u weten dat Ik al wat Ik er gedaan heb, niet zonder reden gedaan heb, spreekt de Heere HEERE.

15

Het nutteloze hout van de wijnstok

151Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2Mensenkind, wat heeft het hout van de wijnstok vóór op elk ander rankendragend hout dat onder de bomen van het woud is?

3Kan er hout uit gehaald worden om er een gebruiksvoorwerp van te maken? Kan men er een pin uit halen om er welk voorwerp dan ook aan op te hangen?

4Zie, het wordt als brandstof aan het vuur overgegeven, het vuur verteert de beide uiteinden ervan en het midden ervan is zwartgeblakerd. Zou het voor een gebruiksvoorwerp geschikt zijn?

5Zie, toen het gaaf was, kon er geen gebruiksvoorwerp van gemaakt worden. Hoeveel te minder nu het vuur het verteerd heeft, zodat het zwartgeblakerd is. Zal er dan nog een gebruiksvoorwerp van gemaakt kunnen worden?

6Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zoals het hout van de wijnstok onder het hout van het woud is – dat geef Ik als brandstof over aan het vuur – zo zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven.

7Want Ik zal Mijn aangezicht tegen hen keren. Als zij aan het ene vuur ontsnappen, zal het andere vuur hen verteren. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Mijn aangezicht tegen hen keer.

8Ik zal van het land een woestenij maken, omdat zij trouwbreuk gepleegd hebben, spreekt de Heere HEERE.

16

Ontrouw, straf en herstel van Jeruzalem

161Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2Mensenkind, laat Jeruzalem zijn gruweldaden weten,

3en zeg: Zo zegt de Heere HEERE tegen Jeruzalem: Uw oorsprong en uw geboorte zijn uit het land van de Kanaänieten. Uw vader was die Amoriet en uw moeder een Hethitische.

4Wat uw geboorte betreft, op de dag dat u geboren werd, werd uw navelstreng niet afgesneden, werd u niet met water schoongewassen, werd u ook al niet met zout ingewreven, en al helemaal niet in doeken gewikkeld.

5Geen oog zag naar u om, om een van die dingen uit medelijden bij u te doen. U werd weggeworpen op het open veld uit afschuw voor uw leven op de dag dat u geboren werd.

6Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u trappelend in uw bloed en Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ja, Ik zei tegen u in uw bloed: Leef!

7Ik heb u even overvloedig gemaakt als het gewas op het veld. U groeide op, u werd groot en u kwam tot grote schoonheid.16:7 tot grote schoonheid - Letterlijk: tot sieraad van sieraden. Uw borsten werden stevig, uw haar groeide, maar u was naakt en bloot.

8Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd van de liefde. Zo spreidde Ik Mijn vleugel over u uit en bedekte uw naaktheid. Daarop zwoer

16:8
Gen. 22:16
24:7
Ik u een eed en ging een verbond met u aan, spreekt de Heere HEERE, en zo werd u van Mij.

9Daarop waste Ik u met water, spoelde uw bloed van u af en zalfde u met olie.

10Ik trok u kleurrijk geborduurde kleding aan, schoeide u met zeekoeienhuiden, omwikkelde u met fijn linnen en bedekte u met zijde.

11Ik tooide u met sieraden. Ik deed armbanden om uw polsen16:11 om uw polsen - Letterlijk: op uw handen. en een ketting om uw nek.16:11 uw nek - Letterlijk: uw keel.

12Ook deed Ik een ring door uw neus, oorbellen aan uw oren en zette een sierlijke kroon op uw hoofd.

13Zo werd u getooid met goud en zilver. Uw kleding was van fijn linnen en zijde, en voorzien van kleurrijk borduurwerk. Meelbloem, honing en olie at u. U werd buitengewoon mooi, en werd geschikt voor het koningschap.

14Van u ging een naam uit onder de heidenvolken vanwege uw schoonheid, want die was volmaakt door Mijn glorie, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE.

15Maar u vertrouwde op uw schoonheid en bedreef hoererij, trots op uw naam. U hebt uw hoererijen uitgestort over ieder die voorbijtrok, uw schoonheid was voor hem!

16U nam een deel van uw kleding, maakte daarmee voor uzelf de offerhoogten kleurrijk en bedreef er hoererij op. Nooit is zoiets voorgekomen en het zal nooit meer gebeuren.

17U nam uw sieraden van Mijn goud en van Mijn zilver dat Ik u gegeven had, en maakte voor uzelf mannenbeelden en daarmee bedreef u hoererij.

18U nam uw kleurrijk geborduurde kleding en bedekte ze daarmee. U zette Mijn olie en Mijn reukwerk voor hen neer.

19En Mijn brood, dat Ik u had gegeven, en de meelbloem, olie en honing, die Ik u te eten had gegeven, hebt u hun aangeboden als een aangename geur. Zo gebeurde dat, spreekt de Heere HEERE.

20U nam uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard had en bracht ze als offer voor hen om te eten. Waren uw hoererijen niet genoeg,

21dat u Mijn kinderen

16:21
Jes. 57:5
geslacht hebt, ze prijsgegeven hebt, toen u ze voor hen door het vuur liet gaan?

22Ook hebt u bij al uw gruweldaden en uw hoererijen niet gedacht aan de dagen van uw jeugd, toen u naakt en bloot was, trappelend in uw bloed.

23Na al uw kwaad gebeurde het – wee, wee u! spreekt de Heere HEERE

24dat u voor uzelf een verhoging bouwde en voor uzelf op elk plein een hoogte maakte.

25Bij elk kruispunt bouwde u uw hoogten. U misbruikte uw schoonheid afschuwelijk, u spreidde uw benen voor ieder die voorbijtrok en maakte uw hoererijen talrijk.

26U bedreef hoererij met de Egyptenaren, uw zwaargeschapen16:26 zwaargeschapen - Letterlijk: groot van vlees. buren. U maakte uw hoererijen talrijk, zodat u Mij tot toorn verwekte.

27Zie, daarop strekte Ik Mijn hand tegen u uit en verminderde het u toegewezen deel, en Ik gaf u over aan de willekeur16:27 de willekeur - Letterlijk: de ziel. van hen die u haten, aan de dochters

16:27
2 Kron. 28:18
van de Filistijnen, die te schande werden vanwege uw schandelijk gedrag.

28Daarna bedreef u hoererij met de Assyriërs, omdat u onverzadigbaar was. U bleef hoererij met hen bedrijven, en nog raakte u niet verzadigd.

29Vervolgens maakte u uw hoererij talrijk tot in het land van de kooplieden, Chaldea. En ook daardoor raakte u niet verzadigd.

30Wat moet uw hart verkommerd zijn – spreekt de Heere HEERE – bij het doen van dit alles: werk van een schaamteloze vrouw die een hoer is!

31Toen u uw verhoging bouwde op elk kruispunt en uw hoogte maakte op elk plein, was u, door met het hoerenloon de spot te drijven, niet als een echte hoer.

32U, vrouw die overspel pleegt, neemt in plaats van haar eigen man vreemde mannen!

33Alle hoeren pleegt men een beloning te geven, maar u geeft uw geschenk zelf aan al uw minnaars en beloont ze, zodat zij van rondom naar u toe komen vanwege uw hoererijen.

34Zo gebeurt bij u in uw hoererijen het tegendeel van wat er gebeurt bij die vrouwen: men ging niet als in hoererij achter u aan. Als u immers zelf hoerenloon geeft en het hoerenloon niet aan u wordt gegeven – dan bent u het tegendeel geworden.

35Daarom, hoer, hoor het woord van de HEERE!

36Zo zegt de Heere HEERE: Omdat u uw brandende begeerte16:36 brandende begeerte - Letterlijk: koper. uitgestort hebt en uw schaamte ontbloot werd in uw hoererijen met uw minnaars en met al uw gruwelijke stinkgoden, en om het bloed van uw kinderen dat u hun gegeven hebt,

37daarom, zie, ga Ik al uw minnaars die u behaagd hebt, allen die u bemind hebt, met allen die u gehaat hebt, bijeenbrengen, ja, Ik zal hen van rondom bijeenbrengen tegen u en Ik zal uw schaamte voor hen ontbloten, zodat zij heel uw naaktheid zullen zien.

38Ik zal u oordelen overeenkomstig de bepalingen voor overspelige vrouwen en vrouwen die bloed vergieten. Ik zal u overgeven aan de bloeddorst van grimmigheid en van na-ijver.

39En Ik zal u in hun hand geven. Zij zullen uw verhoging afbreken, uw hoogten omverwerpen, u uw kleding uittrekken, uw sieraden nemen en u naakt en bloot achterlaten.

40Daarop zullen zij een menigte tegen u laten opkomen. Zij zullen u met stenen stenigen en u met hun zwaarden doorsteken.

41Zij zullen uw huizen met

16:41
2 Kon. 25:9
Jer. 52:13
vuur verbranden. Voor de ogen van vele vrouwen zullen zij strafgerichten over u voltrekken. Dan zal Ik u laten ophouden een hoer te zijn en u zult ook geen hoerenloon meer geven.

42Zo zal Ik Mijn grimmigheid op u doen rusten en Mijn na-ijver zal van u wijken. Dan zal Ik tot rust komen en niet meer toornig zijn.

43Omdat u niet gedacht hebt aan de dagen van uw jeugd en Mij met al deze dingen ontzet hebt, zie, daarom zal Ik ook u uw weg op uw eigen

16:43
Ezech. 9:10
11:21
hoofd doen neerkomen, spreekt de Heere HEERE, zodat u zich met al uw gruweldaden niet meer schandelijk gedragen zult.

44Zie, ieder die spreekwoorden gebruikt, zal over u dit spreekwoord gebruiken: Zo moeder, zo dochter.

45U bent een dochter van uw moeder, die walgde van haar man en haar kinderen. U bent een zus van uw zusters, die walgden van hun mannen en van hun kinderen. Uw moeder was een Hethitische en uw vader een Amoriet.

46Uw oudste zuster is Samaria, zij met haar dochters, die aan uw linkerhand woont, en uw zuster die jonger is dan u, die aan uw rechterhand woont, is Sodom met haar dochters.

47U bent niet in hun wegen gegaan en hebt niet overeenkomstig hun gruweldaden gedaan, nee, nog even, en u hebt het in al uw wegen meer te gronde gericht dan zij.

48Zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Sodom, uw zuster, zij en haar dochters hebben niet zo gedaan als u en uw dochters gedaan hebben!

49Zie, dit was de ongerechtigheid van uw zuster Sodom: trots, overvloed van voedsel en zorgeloze rust had zij met haar dochters. De hand van de arme en de behoeftige ondersteunde zij echter niet.

50Zij verhieven zich en deden een gruweldaad voor Mijn aangezicht. Daarom

16:50
Gen. 19:24
deed Ik hen weg, zodra Ik het gezien had.

51Samaria heeft nog niet de helft van uw zonden gedaan, en u hebt uw gruweldaden talrijker gemaakt dan zij. U hebt uw zusters rechtvaardig doen lijken, vergeleken bij al uw gruweldaden, die u gedaan hebt!

52Draagt u, die uw zusters veroordeeld hebt, dan ook uw eigen smaad. Door uw zonden, waarin u afschuwelijker deed dan zij, lijken zij rechtvaardig, vergeleken bij u! Schaam u dan ook en draag uw smaad, omdat u uw zusters rechtvaardig hebt doen lijken.

53Als Ik een omkeer zal brengen in hun gevangenschap – in de gevangenschap van Sodom en haar dochters, in de gevangenschap van Samaria en haar dochters – zal Ik ook een omkeer brengen in de gevangenschap van uw gevangenen in hun midden,

54opdat u uw smaad draagt en te schande wordt vanwege alles wat u gedaan hebt, wanneer u hen troost.

55Wanneer uw zusters, Sodom en haar dochters, zullen terugkeren naar hun vorige staat, en Samaria en haar dochters zullen terugkeren naar hun vorige staat, dan zullen ook u en uw dochters terugkeren naar uw vorige staat.

56Op de dag van uw trots is de naam van uw zuster Sodom niet over uw lippen gekomen,16:56 over uw lippen gekomen - Letterlijk: tot een gerucht in uw mond geweest.

57voordat uw kwaad openbaar werd! Zo is het de tijd voor de smaad van de dochters van Syrië en van allen rondom haar, en van de dochters van de Filistijnen, die u van rondom verachten.

58Ú zult uw schandelijk gedrag en uw gruweldaden dragen, spreekt de HEERE.

59Want zo zegt de Heere HEERE: Ik zal met u doen zoals u gedaan hebt: u hebt de eed

16:59
Jer. 2:20
veracht door het
16:59
Vers
verbond te verbreken.

60Toch zal Ík denken aan Mijn verbond met u in de dagen van uw jeugd. Ik zal met u een eeuwig verbond maken.

61Dan zult u zich uw wegen herinneren en te schande worden, wanneer u uw zusters die ouder zijn dan u en degenen die jonger zijn dan u, hebt aangenomen. Ik zal u hen tot

16:61
Gal. 4:26
dochters geven, maar niet op grond van het verbond met u.

62Want Ík zal met u Mijn verbond maken. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben,

63opdat u eraan denkt, u schaamt en uw mond niet meer opendoet vanwege uw smaad, wanneer Ik voor u verzoening doe over alles wat u gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]