Herziene Statenvertaling (HSV)
36

De bouw van de tent van ontmoeting

361Toen deden Bezaleël en Aholiab, en ieder die wijs van hart was, in wie de HEERE wijsheid en inzicht gegeven had om te weten hoe zij al het werk ten dienste van het heiligdom moesten verrichten, overeenkomstig alles wat de HEERE geboden had.

2Mozes had namelijk Bezaleël en Aholiab geroepen, en ieder die wijs van hart was, aan wie de HEERE wijsheid in zijn hart gegeven had, iedereen wiens hart hem ertoe bewoog om naar voren te komen om het werk te verrichten.

3Zij namen van Mozes heel het hefoffer aan dat de Israëlieten gebracht hadden om het werk ten dienste van het heiligdom te verrichten. Men bracht elke morgen nog vrijwillige gaven bij hem.

4Toen kwamen alle vaklieden36:4 vaklieden - Letterlijk: wijzen. die allerlei werk voor het heiligdom deden, man voor man, van het werk waarmee ze bezig waren,

5en ze zeiden tegen Mozes: Het volk brengt veel, meer dan toereikend is ten dienste van het werk dat de HEERE geboden heeft te doen.

6Toen gaf Mozes bevel dat men een boodschap door het kamp zou laten gaan: Laat geen man of vrouw nog werk verrichten voor het hefoffer voor het heiligdom. Zo werd het volk ervan weerhouden om nog meer te brengen.

7Want het materiaal was voldoende voor hen om er al het werk mee te kunnen verrichten, ja, er bleef over.

8Zo maakte ieder die wijs van hart was onder hen die het werk verrichtten, de tabernakel van tien tentkleden, van dubbeldraads fijn linnen en blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol. Met cherubs erop, werk van een kunstenaar, maakte men ze.

9

36:9
Ex. 26:2
De lengte van één tentkleed was achtentwintig el en de breedte van één tentkleed vier el; al de tentkleden hadden dezelfde afmeting.

10Men maakte vijf tentkleden aan elkaar vast, en maakte nog eens vijf tentkleden aan elkaar vast.

11

36:11
Ex. 26:4
Daarna maakte men blauwpurperen lussen aan de zoom van het ene tentkleed, aan het uiteinde, bij de sluiting; men maakte ze ook aan de zoom van het laatste tentkleed van het tweede stel.

12

36:12
Ex. 26:10
Vijftig lussen maakte men aan het ene tentkleed en vijftig lussen aan het uiteinde van het tentkleed dat bij het tweede stel hoorde;
36:12
Ex. 26:5
deze lussen waren precies tegenover elkaar gezet.

13

36:13
Ex. 26:6
Ook maakte men vijftig gouden haken en met die haken maakte men de tentkleden aan elkaar vast, zodat de tabernakel één geheel werd.

14Verder maakte men kleden van geitenhaar voor een tent over de tabernakel; elf tentkleden maakte men daarvan.

15De lengte van één tentkleed was dertig el en de breedte van één tentkleed vier el; de elf tentkleden hadden één afmeting.

16Vervolgens maakte men vijf van de tentkleden apart aan elkaar vast, en zes van de andere tentkleden eveneens apart.

17Daarna maakte men vijftig lussen aan de zoom van het laatste tentkleed van het ene stel; en men maakte vijftig lussen aan de zoom van het tentkleed van het andere stel.

18

36:18
Ex. 26:11
Ook maakte men vijftig koperen haken om de tentdelen zo aan elkaar vast te maken dat ze één geheel vormden.

19

36:19
Ex. 26:14
Verder maakte men voor de tent een dekkleed van roodgeverfde ramshuiden, en daarover een dekkleed van zeekoeienhuiden.

20

36:20
Ex. 26:15
Vervolgens maakte men voor de tabernakel de planken van acaciahout, rechtopstaand.

21

36:21
Ex. 26:16
De lengte van een plank was tien el, en anderhalve el de breedte van elke plank.

22

36:22
Ex. 26:17
Elke plank had twee pinnen, zodat ze met elkaar verbonden konden worden; hetzelfde deed men met alle planken van de tabernakel.

23

36:23
Ex. 26:18
Vervolgens maakte men de planken voor de tabernakel, twintig planken voor de zuidzijde, in zuidelijke richting.

24

36:24
Ex. 26:19
Men maakte ook veertig zilveren voetstukken onder de twintig planken; twee voetstukken onder de ene plank voor zijn twee pinnen, en twee voetstukken onder de andere plank voor zijn twee pinnen.

25

36:25
Ex. 26:20
Men maakte vervolgens twintig planken voor de andere kant van de tabernakel, aan de noordzijde,

26

36:26
Ex. 26:21
met de veertig bijbehorende zilveren voetstukken; twee voetstukken onder de ene plank en twee voetstukken onder de andere plank.

27

36:27
Ex. 26:22
Aan de westkant van de tabernakel maakte men zes planken.

28

36:28
Ex. 26:23
Ook maakte men twee planken tot hoekpunten van de tabernakel, aan beide kanten.

29

36:29
Ex. 26:24
Ze waren van onderen af volkomen gelijk, en samen ook volkomen gelijk aan de bovenkant ervan, bij de eerste ring. Zo deed men met die twee planken aan de twee hoekpunten.

30

36:30
Ex. 26:25
Er waren dus acht planken met hun zilveren voetstukken, samen zestien voetstukken, twee voetstukken onder elke plank.

31

36:31
Ex. 26:26
Men maakte vervolgens dwarsbalken van acaciahout; vijf voor de planken aan de ene kant van de tabernakel,

32

36:32
Ex. 26:27
vijf dwarsbalken voor de planken aan de andere kant van de tabernakel, en vijf dwarsbalken voor de planken aan de achterkant van de tabernakel, aan de westkant.

33

36:33
Ex. 26:28
Men plaatste verder de middelste dwarsbalk dat hij in het midden van de planken van het ene einde naar het andere einde liep.

34

36:34
Ex. 26:29
Men overtrok vervolgens de planken met goud, en de ringen daarvan – als houders voor de dwarsbalken – maakte men van goud; vervolgens overtrok men de dwarsbalken met goud.

35Daarna

36:35
Ex. 26:31
maakte men een voorhangsel van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol en dubbeldraads fijn linnen; als werk van een kunstenaar maakte men het, met cherubs erop.

36

36:36
Ex. 26:32
Ook maakte men er vier pilaren van acaciahout voor, die men met goud overtrok; hun haken waren ook van goud. Men goot vervolgens de vier bijbehorende zilveren voetstukken.

37

36:37
Ex. 26:36
Vervolgens maakte men voor de ingang van de tent een gordijn van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol en dubbeldraads fijn linnen, borduurwerk,

38

36:38
Ex. 26:37
evenals de vijf pilaren ervan met hun haken. Men overtrok hun koppen en verbindingsstukken met goud; hun vijf voetstukken waren van koper.

37

De ark, de tafel van de toonbroden, de kandelaar en het reukofferaltaar

371

37:1
Ex. 25:10
Bezaleël maakte vervolgens de ark van acaciahout; zijn lengte was tweeënhalve el, zijn breedte anderhalve el en zijn hoogte anderhalve el.

2Hij overtrok hem met zuiver goud, vanbinnen en vanbuiten, en hij maakte er een gouden rand omheen.

3Hij goot er vier gouden ringen voor, aan de vier voetstukken ervan, namelijk twee ringen aan de ene kant ervan en twee ringen aan de andere kant ervan.

4Verder maakte hij draagbomen van acaciahout en overtrok die met goud.

5Hij stak de draagbomen door de ringen aan weerskanten van de ark, om de ark daarmee te dragen.

6Vervolgens maakte hij een verzoendeksel van zuiver goud. Zijn lengte was tweeënhalve el en zijn breedte anderhalve el.

7Ook maakte hij twee cherubs van goud; als gedreven werk maakte hij ze uit de beide uiteinden van het verzoendeksel,

8

37:8
Ex. 25:19
één cherub uit het uiteinde aan de ene kant, en één cherub uit het uiteinde aan de andere kant. Uit het verzoendeksel maakte hij de cherubs, uit de beide uiteinden ervan.

9

37:9
Ex. 25:20
En de cherubs hielden hun beide vleugels naar boven uitgespreid, terwijl ze met hun vleugels het verzoendeksel bedekten. Hun gezichten waren naar elkaar toe gericht; de gezichten van de cherubs waren naar het verzoendeksel gericht.

10

37:10
Ex. 25:23
Daarna maakte hij de tafel van acaciahout; zijn lengte was twee el, zijn breedte één el en zijn hoogte anderhalve el.

11

37:11
Ex. 25:24
En hij overtrok hem met zuiver goud en maakte er een gouden rand omheen.

12

37:12
Ex. 25:25
Ook maakte hij er een sierlijst van een hand breed omheen, en hij maakte een gouden rand rondom die sierlijst.

13

37:13
Ex. 25:26
Hij goot er vier gouden ringen voor en bevestigde de ringen aan de vier hoeken van zijn vier poten.37:13 van zijn vier poten - Letterlijk: die aan zijn vier poten zijn.

14

37:14
Ex. 25:27
De ringen zaten dicht onder de sierlijst, als houders voor de draagbomen, om de tafel te kunnen dragen.

15Hij maakte ook de draagbomen van acaciahout, en hij overtrok ze met goud, om de tafel daarmee te dragen.

16

37:16
Ex. 25:29
En hij maakte de voorwerpen die op de tafel moesten staan, van zuiver goud: de bijbehorende schotels, schalen, kommen en kannen waarmee plengoffers gebracht worden.

17

37:17
Ex. 25:31
Hij maakte vervolgens de kandelaar van zuiver goud. Als gedreven werk maakte hij de kandelaar, zijn schacht en zijn armen; zijn bloemkelken, zijn knoppen en zijn bloesems vormden er één geheel mee.

18

37:18
Ex. 25:32
Zes armen staken uit de zijkanten ervan; drie armen van de kandelaar uit zijn ene kant, en drie armen van de kandelaar uit zijn andere kant.

19

37:19
Ex. 25:33
Drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem aan de ene arm, met knop en bloesem; en drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem aan de andere arm, met knop en bloesem. Zo waren de zes armen die uit de kandelaar staken.

20

37:20
Ex. 25:34
En op de kandelaar zelf zaten vier bloemkelken in de vorm van amandelbloesem, met hun knoppen en bloesems.

21Ook zat er een knop onder het eerste paar armen dat eruit stak, een knop onder het tweede paar armen dat eruit stak, en een knop onder het derde paar armen dat eruit stak. Zo was het bij de zes armen die eruit staken.

22

37:22
Ex. 25:36
Zijn knoppen en zijn armen vormden met de kandelaar één geheel; het geheel was één stuk gedreven werk van zuiver goud.

23

37:23
Ex. 25:37,38
Hij maakte er de zeven bijbehorende lampen voor; zowel de bijbehorende snuiters als de bijbehorende vuurschalen waren van zuiver goud.

24

37:24
Ex. 25:39
Hij maakte die van één talent37:24 Een talent is ongeveer 30 kilo. zuiver goud, met alle bijbehorende voorwerpen.

25

37:25
Ex. 30:1,2
Vervolgens maakte hij het reukofferaltaar van acaciahout. Zijn lengte was een el, zijn breedte was een el – het was dus vierkant – en zijn hoogte twee el. De bijbehorende hoorns vormden er één geheel mee.

26

37:26
Ex. 30:3
Hij overtrok het met zuiver goud, zijn bovenkant, zijn wanden rondom, en zijn hoorns; en hij maakte er een gouden rand omheen.

27

37:27
Ex. 30:4
Ook maakte hij er twee gouden ringen voor, onder de rand ervan, aan zijn beide kanten, aan weerskanten ervan, als houders voor de draagbomen, om het altaar daarmee te kunnen dragen.

28

37:28
Ex. 30:5
Verder maakte hij de draagbomen van acaciahout en overtrok ze met goud.

29

37:29
Ex. 30:22,34
Ook maakte hij de heilige zalfolie en zuiver geurig reukwerk, werk van een zalfbereider.

38

Het brandofferaltaar, het koperen wasvat en de voorhof

381Vervolgens

38:1
Ex. 27:1
maakte hij het brandofferaltaar van acaciahout; vijf el was zijn lengte, vijf el was zijn breedte – het was dus vierkant – en drie el zijn hoogte.

2

38:2
Ex. 27:2
Hij maakte ook zijn hoorns op zijn vier hoeken – zijn hoorns vormden er één geheel mee – en hij overtrok het met koper.

3

38:3
Ex. 27:3
Hij maakte ook alle voorwerpen voor het altaar: de potten, de scheppen, de sprengbekkens, de vorken en de vuurschalen; alle bijbehorende voorwerpen maakte hij van koper.

4

38:4
Ex. 27:4,5
Ook maakte hij voor het altaar een rooster, een koperen rasterwerk, onder zijn rand, van onderen af tot de helft ervan.

5Daarna goot hij vier ringen voor de vier uiteinden van het koperen rooster, als houders voor de draagbomen.

6Verder maakte hij de draagbomen van acaciahout en overtrok ze met koper.

7Hij stak

38:7
Ex. 27:8
de draagbomen in de ringen aan de zijkanten van het altaar, om het daarmee te kunnen dragen. Hij maakte het van planken, het was vanbinnen hol.

8

38:8
Ex. 30:18
Vervolgens maakte hij het koperen wasvat met het bijbehorende koperen voetstuk uit de spiegels van de dienstdoende vrouwen, die dienstdeden bij de ingang van de tent van ontmoeting.

9

38:9
Ex. 27:9
Daarna maakte hij de voorhof; aan de zuidzijde, in zuidelijke richting, waren de kleden voor de voorhof van dubbeldraads fijn linnen, honderd el lang.

10De bijbehorende twintig pilaren en hun twintig voetstukken waren van koper; de haken van de pilaren en hun verbindingsstukken waren van zilver.

11Aan de noordzijde waren de kleden eveneens honderd el lang. De bijbehorende twintig pilaren en hun twintig voetstukken waren van koper; de haken van de pilaren en hun verbindingsstukken waren van zilver.

12Aan de westzijde waren de kleden vijftig el lang, met de tien bijbehorende pilaren en hun tien voetstukken; de haken van de pilaren en hun verbindingsstukken waren van zilver.

13Aan de oostzijde, waar de zon opkomt, waren de kleden eveneens vijftig el lang.

14De kleden aan de ene zijde waren vijftien el lang, met de drie bijbehorende pilaren en hun drie voetstukken.

15En aan de andere zijde van de poort van de voorhof – dus aan de ene en de andere kant van de poort – waren kleden van vijftien el lang, met de drie bijbehorende pilaren en hun drie voetstukken.

16Alle kleden rondom de voorhof waren van dubbeldraads fijn linnen.

17En de voetstukken van de pilaren waren van koper, de haken van de pilaren en hun verbindingsstukken van zilver; het beslag op hun koppen was van zilver en zij, te weten alle pilaren van de voorhof, waren met verbindingen van zilver verbonden.

18Het gordijn voor de poort van de voorhof bestond uit borduurwerk, van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol en van dubbeldraads fijn linnen. Het was twintig el lang; de hoogte – over de hele breedte38:18 Het Hebreeuws is hier onduidelijk. – was vijf el, overeenkomend met de kleden voor de voorhof.

19De vier bijbehorende pilaren en hun vier voetstukken waren van koper en hun haken waren van zilver; het beslag op hun koppen en hun verbindingsstukken waren eveneens van zilver.

20En al de pinnen voor de tabernakel en voor rondom de voorhof waren van koper.

Wat voor het heiligdom bijeengebracht was

21Dit zijn de getelde voorwerpen voor de tabernakel, de tabernakel van de getuigenis, die op bevel van Mozes geteld zijn door de dienst van de Levieten onder leiding van38:21 onder leiding van - Letterlijk: onder de hand van. Ithamar, de zoon van de priester Aäron.

22Bezaleël nu, de zoon van Uri, de zoon van Hur, uit de stam Juda, heeft alles wat de HEERE aan Mozes geboden had, gemaakt,

23en met hem Aholiab, de zoon van Ahisamach, uit de stam Dan, een graveerder, kunstenaar en maker van borduurwerk van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol en van fijn linnen.

24Al het goud dat bij het werk gebruikt werd, bij al het werk aan het heiligdom, namelijk het goud afkomstig van het beweegoffer, bedroeg negenentwintig talent38:24 Een talent is ongeveer 30 kilo; zie ook het vervolg. en zevenhonderddertig sikkel, gerekend volgens de sikkel van het heiligdom.

25En het zilver van hen die geteld waren uit de gemeenschap, was honderd talent en duizend zevenhonderdvijfenzeventig sikkel, gerekend volgens de sikkel van het heiligdom.

26Eén beka per persoon, dat is een halve sikkel, gerekend volgens de sikkel van het heiligdom, voor ieder die bij de getelde personen van twintig jaar oud en daarboven ging behoren, zeshonderddrieduizend vijfhonderdvijftig man.

27Ook was er honderd talent zilver om de voetstukken van het heiligdom en de voetstukken van het voorhangsel te gieten: honderd voetstukken voor honderd talent, één talent per voetstuk.

28Van de duizend zevenhonderdvijfenzeventig sikkel maakte hij de haken aan de pilaren; hij overtrok hun koppen, en maakte er verbindingsstukken aan vast.

29Het koper van het beweegoffer bedroeg zeventig talent en tweeduizend vierhonderd sikkel.

30Daarvan maakte hij de voetstukken bij de ingang van de tent van ontmoeting, het koperen altaar, het koperen rooster dat daarbij hoorde, al de voorwerpen van het altaar,

31de voetstukken rondom de voorhof, de voetstukken bij de poort van de voorhof, alle pinnen voor de tabernakel en alle pinnen rondom de voorhof.