Herziene Statenvertaling (HSV)
33

331Verder sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, vertrek vanhier, u en het volk dat u uit het land Egypte geleid hebt, naar het land waarvan Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb:

33:1
Gen. 12:7
26:4
28:13
Aan uw nageslacht zal Ik het geven.

2Ik zal een engel vóór u uit zenden – Ik zal de Kanaänieten, Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten verdrijven –

3naar een land dat overvloeit van melk en honing. Maar Ik zal Zelf niet in uw midden meetrekken,

33:3
Ex. 32:9
Deut. 9:13
omdat u een halsstarrig volk bent en Ik u anders onderweg zou vernietigen.

4Toen het volk deze onheilsboodschap hoorde, bedreven zij rouw en niemand van hen deed zijn sieraden om.

5De HEERE had namelijk tegen Mozes gezegd: Zeg tegen de Israëlieten: U bent een halsstarrig volk. Als Ik ook maar één ogenblik in uw midden zou meetrekken, dan zou Ik u vernietigen. Nu dan, doe uw sieraden af, en Ik zal weten wat Ik u doen zal.

6Ver van de berg Horeb ontdeden de Israëlieten zich van hun sieraden.

7En Mozes nam de tent en zette die voor zichzelf buiten het kamp op, een eind van het kamp vandaan; en hij noemde hem de tent van ontmoeting. Zo gebeurde het dat ieder die de HEERE zocht, naar de tent van ontmoeting moest gaan, die zich buiten het kamp bevond.

8Telkens als Mozes naar de tent ging, gebeurde het dat heel het volk opstond en dat ieder bij de ingang van zijn tent ging staan en dat zij Mozes nakeken tot hij de tent was binnengegaan.

9Zodra Mozes de tent binnenging, gebeurde het dat de wolkkolom neerdaalde en bij de ingang van de tent bleef staan en dat de HEERE met Mozes sprak.

10En zodra heel het volk de wolkkolom zag staan bij de ingang van de tent, stond heel het volk op en boog zich neer, ieder in de opening van zijn tent.

11De HEERE sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een man met zijn vriend spreekt. Daarna keerde hij terug naar het kamp, maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, een jongeman, week niet uit het midden van de tent.

Mozes vraagt de heerlijkheid van de HEERE te zien

12Toen zei Mozes tegen de HEERE: Zie, U zegt tegen mij: Laat dit volk verdertrekken. U echter, U hebt mij niet laten weten wie U met mij meezendt, terwijl U Zelf gezegd hebt: Ik ken u bij uw naam, en ook: U hebt genade gevonden in Mijn ogen.

13Nu dan, als ik dan genade heb gevonden in Uw ogen, maak mij toch Uw weg bekend. Dan zal ik U kennen, opdat ik genade zal vinden in Uw ogen. En zie aan dat deze natie Uw volk is.

14En Hij zei: Moet Mijn aangezicht meegaan om u gerust te stellen?

15Toen zei hij tegen Hem: Als Uw aangezicht niet meegaat, laat ons dan van hier niet verdertrekken.

16Want hoe moet het anders bekend worden dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daardoor dat U met ons meegaat?

33:16
Deut. 4:7
Daardoor zullen wij, ik en Uw volk, afgezonderd zijn van alle volken die er op de aardbodem zijn.

17Toen zei de HEERE tegen Mozes: Ook dit woord dat u spreekt, zal Ik doen, want u hebt genade gevonden in Mijn ogen en Ik ken u bij uw naam.

18Toen zei Mozes: Toon mij toch Uw heerlijkheid!

19Maar Hij zei: Ík zal al Mijn goedheid bij u voorbij laten komen, en in uw aanwezigheid zal Ik de Naam van de HEERE uitroepen, maar

33:19
Rom. 9:15
Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig zal zijn, en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontfermen zal.

20Hij zei verder: U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven.

21Ook zei de HEERE: Zie, hier is een plaats bij Mij, waar u op de rots moet gaan staan.

22En het zal gebeuren, als Mijn heerlijkheid voorbijtrekt, dat Ik u in een kloof van de rots neer zal zetten en u met Mijn hand zal bedekken totdat Ik voorbijgegaan ben.

23En zodra Ik Mijn hand wegneem, zult u Mij van achteren zien, maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden.

34

De twee nieuwe stenen tafelen

341Toen zei

34:1
Deut. 10:1
de HEERE tegen Mozes: Houw twee stenen tafelen voor u uit, zoals de eerste, dan zal Ik op die tafelen de woorden schrijven die op de eerste tafelen stonden, die u in stukken gebroken hebt.

2Wees tegen de morgen gereed; vervolgens moet u in de morgen de berg Sinaï opklimmen en daar, op de top van de berg, voor Mij gaan staan.

3

34:3
Ex. 19:12
Maar niemand mag met u mee naar boven klimmen en ook mag op heel de berg niemand gezien worden,
34:3
Ex. 19:13
het kleinvee en de runderen mogen zelfs niet tegenover de berg grazen.

4Toen hieuw Mozes twee stenen tafelen uit, zoals de eerste. En Mozes stond vroeg in de morgen op, klom de berg Sinaï op, zoals de HEERE hem geboden had, en hij nam de twee stenen tafelen in zijn hand.

De HEERE verschijnt aan Mozes

5Toen daalde de HEERE neer in een wolk, ging daar bij hem staan en riep de Naam van de HEERE uit.

6

34:6
Ex. 33:19
Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw,

7

34:7
Ex. 20:6
Num. 14:18
Deut. 5:10
Ps. 86:15
103:8
145:8
Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft, maar Die de schuldige zeker niet voor onschuldig houdt en
34:7
Jer. 32:18
de ongerechtigheid van de vaders vergeldt aan de kinderen en kleinkinderen, tot in het derde en vierde geslacht.

8Toen haastte Mozes zich, knielde ter aarde, boog zich neer

9en zei: Heere, als ik nu genade in Uw ogen gevonden heb, laat de Heere dan toch in ons midden meegaan. Zeker, het is een halsstarrig volk, maar vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan als

34:9
Lev. 25:38
Ps. 28:9
33:12
Zach. 2:12
Uw erfelijk bezit.

Vernieuwing van het verbond

10Toen zei Hij: Zie,

34:10
Deut. 5:2
Ik sluit een verbond;
34:10
Joz. 10:12,13
ten overstaan van heel uw volk zal Ik wonderen doen, zoals die op de hele aarde en onder welk volk ook nog nooit tot stand gebracht zijn. Ja, heel het volk, in het midden waarvan u verkeert, zal de daden van de HEERE zien, want het is ontzagwekkend wat Ik met u ga doen.

11Houd u aan wat Ik u heden gebied. Zie, Ik zal de Amorieten, Kanaänieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten voor u uit verdrijven.

12

34:12
Ex. 23:32
Num. 33:51
Deut. 7:2
Wees op uw hoede dat u geen verbond sluit met de inwoners van het land waarin u komt, anders zullen zij in uw midden tot een valstrik worden.

13Maar hun altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan en hun gewijde palen omhakken

14

34:14
Ex. 20:5
want u mag zich niet neerbuigen voor een andere god: de Naam van de HEERE is immers de Na-ijverige. Een na-ijverig God is Hij –

15anders sluit u misschien een verbond met de inwoners van het land. Wanneer zij immers als in hoererij achter hun goden aan gaan en aan hun goden offers brengen, zou men u kunnen uitnodigen en zou u van hun offer eten.

16Dan zou u van hun dochters vrouwen nemen voor uw zonen.

34:16
1 Kon. 11:2
Hun dochters zouden als in hoererij achter hun goden aan gaan, en uw zonen als in hoererij achter hun goden aan laten gaan.

17U mag u geen gegoten goden maken.

18Het Feest van de ongezuurde broden moet u in acht nemen. Zeven dagen lang moet u ongezuurde broden eten, zoals Ik u geboden heb,

34:18
Ex. 12:15
23:15
op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want in de maand Abib bent u uit Egypte vertrokken.

19

34:19
Ex. 13:2
22:29
Ezech. 44:30
Alles wat de baarmoeder opent, behoort Mij toe, ja, al uw vee dat mannelijk is, wat de baarmoeder van rund of schaap opent.

20

34:20
Ex. 13:13
Maar de ezel die de baarmoeder opent, moet u met een stuk kleinvee vrijkopen. Als u hem echter niet vrijkoopt, moet u hem de nek breken. Elke eerstgeborene van uw zonen moet u vrijkopen.
34:20
Ex. 23:15
Deut. 16:16
Men mag voor Mijn aangezicht niet met lege handen verschijnen.

21

34:21
Ex. 20:9
Zes dagen moet u arbeiden, maar op de zevende dag moet u rusten. Ook in de ploegtijd en in de oogsttijd moet u rusten.

22

34:22
Ex. 23:16
Ook moet u voor uzelf het Wekenfeest houden, dat is het feest bij de eerste vruchten van de tarweoogst; en ook het Feest van de inzameling, bij de jaarwisseling.

23

34:23
Ex. 23:17
Deut. 16:16
Alles wat onder u mannelijk is, moet drie keer per jaar verschijnen voor het aangezicht van de Heere HEERE, de God van Israël.

24Als Ik de volken van vóór uw ogen zal verdrijven en uw gebied ruim zal maken, zal niemand uw land begeren, wanneer u drie keer per jaar optrekt om te verschijnen voor het aangezicht van de HEERE, uw God.

25

34:25
Ex. 23:18
U mag het bloed van Mijn offer niet offeren met iets wat gezuurd is, en het offer van het Pascha mag niet tot de volgende morgen overblijven.

26De

34:26
Ex. 23:19
Deut. 26:2
eerstelingen van de eerste vruchten van uw land moet u in het huis van de HEERE, uw God, brengen.
34:26
Ex. 23:19
Lev. 22:27
Deut. 14:21
U mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.

27Verder zei de HEERE tegen Mozes: Schrijf deze woorden voor uzelf op, want op grond van deze woorden heb Ik een verbond met u en met Israël gesloten.

28

34:28
Ex. 24:18
Deut. 9:9,18
Hij was daar namelijk veertig dagen en veertig nachten bij de HEERE. Hij at geen brood en dronk geen water.
34:28
Vers
En God schreef op de tafelen de woorden van het verbond, de Tien Woorden.

Het glanzende gezicht van Mozes

29En het gebeurde, toen Mozes van de berg Sinaï afdaalde – de twee tafelen van de getuigenis waren in Mozes' hand, toen hij van de berg afdaalde – dat Mozes niet wist dat de huid van zijn gezicht

34:29
2 Kor. 3:7
glansde, omdat de HEERE met hem gesproken had.

30Aäron en al de Israëlieten keken Mozes aan, en zie, de huid van zijn gezicht glansde. Daarom waren zij bevreesd om dichter bij hem te komen.

31Mozes riep hen echter bij zich. Aäron en al de leiders van de gemeenschap keerden naar hem terug, en Mozes sprak tot hen.

32Daarna kwamen al de Israëlieten naar voren en hij gebood hun alles wat de HEERE met hem besproken had op de berg Sinaï.

33Nadat Mozes geëindigd had met hen te spreken,

34:33
2 Kor. 3:7,13
legde hij een doek over zijn gezicht.

34Maar telkens wanneer Mozes voor het aangezicht van de HEERE kwam om met Hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij weer naar buiten ging. En wanneer hij naar buiten gegaan was, sprak hij tot de Israëlieten wat hem geboden was.

35En als de Israëlieten aan het gezicht van Mozes zagen dat de huid van het gezicht van Mozes glansde, dan deed Mozes de doek weer over zijn gezicht, totdat hij naar binnen ging om met Hem te spreken.

35

Het sabbatsgebod

351Toen

35:1
Ex. 34:32
liet Mozes heel de gemeenschap van de Israëlieten bijeenkomen en hij zei tegen hen: Dit zijn de woorden die de HEERE geboden heeft om ze te doen:

2

35:2
Ex. 20:8
31:15
Lev. 23:3
Deut. 5:12
Luk. 13:14
Zes dagen moet er werk verricht worden, maar de zevende dag moet heilig voor u zijn, een sabbat, een dag van volledige rust, voor de HEERE. Ieder die op die dag werk verricht, moet gedood worden.

3

35:3
Ex. 16:23
U mag op de sabbatdag in geen van uw woongebieden vuur aansteken.

Vrijwillige offers voor de tabernakel

4Verder sprak Mozes tot heel de gemeenschap van de Israëlieten: Dit is het woord dat de HEERE geboden heeft:

5

35:5
Ex. 25:2
Neem uit dat wat u hebt, een hefoffer voor de HEERE. Ieder die gewillig van hart is, moet het brengen als hefoffer voor de HEERE: goud, zilver en koper,

6

35:6
Ex. 25:4
blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol, fijn linnen en geitenhaar,

7

35:7
Ex. 25:5
roodgeverfde ramshuiden, zeekoeienhuiden en acaciahout,

8

35:8
Ex. 25:6
olie voor de lamp, specerijen voor de zalfolie en specerijen voor het geurige reukwerk;

9

35:9
Ex. 25:7
28:17,20
onyxstenen en andere edelstenen als opvulling voor de efod en de borsttas.

10Allen die wijs van hart zijn onder u, moeten komen en alles maken wat de HEERE geboden heeft:

11

35:11
Ex. 26:26
de tabernakel, zijn tent en dekkleed, haken, planken, dwarsbalken, pilaren en voetstukken;

12de ark met zijn draagbomen, het verzoendeksel en het voorhangsel ter afscherming;

13de

35:13
Ex. 25:23
tafel met zijn draagbomen, al de bijbehorende voorwerpen en de
35:13
Ex. 25:30
toonbroden;

14de kandelaar voor het licht en de bijbehorende voorwerpen, zijn lampen en de olie voor het licht;

15

35:15
Ex. 30:1
het reukofferaltaar en zijn draagbomen, de
35:15
Ex. 31:11
zalfolie, het geurige reukwerk,
35:15
Ex. 26:36
het gordijn van de ingang voor de ingang van de tabernakel;

16

35:16
Ex. 27:4
het brandofferaltaar, het koperen rooster dat erbij hoort, zijn draagbomen en alle bijbehorende voorwerpen,
35:16
Ex. 30:18
het wasvat met zijn voetstuk;

17

35:17
Ex. 27:9
de kleden van de voorhof, zijn pilaren en bijbehorende voetstukken,
35:17
Ex. 27:16
het gordijn voor de poort van de voorhof;

18

35:18
Ex. 27:19
de pinnen van de tabernakel en de pinnen van de voorhof, met de bijbehorende touwen;

19de ambtskleding om in het heilige te dienen, de geheiligde kleding van de priester Aäron en de kleding van zijn

35:19
Ex. 28
31:10
zonen om daarin als priester te dienen.

20Toen ging heel de gemeenschap van de Israëlieten bij Mozes weg,

21en ze kwamen terug: ieder wiens hart hem daartoe bewoog en ieder wiens geest hem gewillig maakte. Ze brachten het hefoffer voor de HEERE ten behoeve van het werk aan de tent van ontmoeting, voor al het dienstwerk daarin en voor de geheiligde kledingstukken.

22Zo kwamen ze, de mannen en de vrouwen. Ieder die gewillig van hart was, bracht sierspelden, oorringen, zegelringen, halssieraden en allerlei gouden voorwerpen. Ja, iedereen die de HEERE een beweegoffer van goud bracht,

23en iedereen bij wie blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol, fijn linnen, geitenhaar, roodgeverfde ramshuiden en zeekoeienhuiden te vinden was, die bracht ze.

24Ieder die een hefoffer van zilver of koper bracht, bracht dat als hefoffer voor de HEERE; en ieder bij wie acaciahout gevonden werd, bracht het voor al het werk ten behoeve van de dienst.

25

35:25
Spr. 31:19
Elke vrouw die wijs van hart was, spon eigenhandig en bracht wat ze gesponnen had: blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol en fijn linnen.

26En al de vrouwen van wie het hart hen daartoe bewoog en die wijs van hart waren, sponnen het geitenhaar.

27De leiders brachten ook onyxstenen en andere edelstenen als opvulling voor de efod en de borsttas,

28specerijen en olie

35:28
Ex. 25:6
voor de lamp, voor de zalfolie en
35:28
Ex. 25:6
voor het geurige reukwerk.

29Alle mannen en vrouwen van wie het hart gewillig was, droegen bij aan al het werk dat de HEERE door de dienst van Mozes35:29 de dienst van Mozes - Letterlijk: de hand van Mozes. geboden had te doen. De Israëlieten brachten het als een vrijwillige gave voor de HEERE.

Aanstelling van Bezaleël en Aholiab

30Daarna zei Mozes tegen de Israëlieten: Zie,

35:30
Ex. 31:2
de HEERE heeft Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, uit de stam Juda, bij zijn naam geroepen.

31

35:31
Ex. 31:3
De Geest van God heeft hem vervuld met wijsheid, inzicht, kennis en allerlei vakmanschap,

32

35:32
Ex. 31:4
om ontwerpen te bedenken en om die uit te voeren in goud, zilver en koper;

33

35:33
Ex. 31:5
om edelstenen te bewerken en in te zetten, en om hout te bewerken, dus om allerlei kunstig uitgedacht werk te verrichten.

34Hij heeft hem ook in zijn hart het vermogen gegeven om anderen te leren, hem en Aholiab, de zoon van Ahisamach, uit de stam Dan.

35Hij

35:35
Ex. 26:1
heeft hen vervuld met wijsheid van hart om allerlei werk te verrichten: dat van een graveerder, een kunstenaar, een maker van borduurwerk met blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode wol en fijn linnen, en dat van een wever. Zij kunnen allerlei werkzaamheden uitvoeren en ontwerpen bedenken.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]